“Thy Will be done”

 

 

 

Het laatste deel belicht vnl aspecten van productieve kunstvormen waar met beitel, mes, pen en penseel gewerkt wordt, waar een ingeving gestalte krijgt, waar een bijna ongrijpbaar ‘iets’ in de Musendämmerung tastbaar, zichtbaar, hoorbaar gemaakt wordt. — Terzijde : Musendämmerung (2014) van Uwe Lammla is voor liefhebbers een opmerkelijk drama in verzen.

The Dutch Church in London

Inline afbeelding 2
Old Broad Street, Austin Friars en omgeving omstreeks het midden der 16e eeuw. Plm 1550 dus.
J. Lindeboom, Austin Friars, 1950. Tekening H. W. (Henry William) Brewer, 1836-1903. Old London illustrated / A series of drawings by the late H. W. Brewer illustrating London in the XVIth century with descriptive notes by Herbert A. Cox. London.
   Van de kerk op deze tekening bestond ca. 1800 alleen nog het langschip met de aisles. “The nave (which was walled off) was greatly damaged by a fire in 1862, but the walls and the columns of the ancient church remain. The rest of the building (including the finest and most beautiful spire in the whole city, was all pulled down in the XVIIth Century” (Pearce).

Koning Edward VI gaf in 1550 by Royal Charter aan buitenlanders toestemming om in dit gebouw kerkgemeenschappen te vestigen. De Hollanders / Vlamingen en de Fransen maakten van de geboden gelegenheid gebruik. De Pool Jan Laski was enige tijd superintendent. Aanvankelijk waren er twee Nederlandse en twee Franse predikanten. Ze hielden diensten in het langschip. De rest van het gebouw werd gebruikt voor opslag. Het koor, de dwarsschepen en de toren werden in 1600 gesloopt. Na 1580 verhuisden de Franstalige protestanten naar St Anthony's Hospital Chapel in Threadneedle Street, die de French Church werd. Na 1685 (herroeping Edict van Nantes) kwam een waarlijke vloed Hugenoten naar Londen.
    In 1570 vormden migranten uit de Lage Landen met circa 5.000 zielen de grootste groep vreemdelingen in Londen. De helft hiervan was naar Londen gevlucht voor de religieuze vervolging van Karel V. De andere helft zocht er werk. Londen telde toen ongeveer 100.000 inwoners.

Inline afbeelding 1     Inline afbeelding 1

 

Austin Friars, City of London, 1823. Artist : Charles Burton. DDNKHN Heritage Image Partnership Ltd / Alamy Stock Photo.
London, Dutch Church, Austin Friars, antique print, unsigned, 1845.  FE0J1A Antiqua Print Gallery / Alamy Stock Photo.
   In bijschriften of op afbeeldingen worden oost en west soms verwisseld, vandaar een verduidelijking. Op een soort bouwtekening of toelichtende schets voor restauratie en verbouwing van de West Elevation uit 1865 (na de brand) van boven afgebeelde gevel met hoofdingang van de kerk, staat :

The West Prospect of the Conventual Church of the Priory of SNT AUGUSTINE in Austin Friars Granted by King Edwd. 6th. in the year 1550 as a place of Public Worship for the Dutch Inhabitants of this City.

Met alle respect : het is niet zuiver west, maar neigt naar NW. Dit feit is van belang bij het in kaart brengen van de nogal verschillende interieurs die de kerk in de loop der eeuwen heeft gekend. Nave en choir wezen in elkaars verlengde immers naar Jeruzalem.

Inline afbeelding 4
The mediaeval interior of the Dutch Church showing the five-towered organ case (from a steel engraving of c. 1850). Bron van dit bijschrift : Organs of the City of London, N. M. Plumley, 1996. Hoofdstuk THE DUTCH CHURCH, AUSTIN FRIARS, Throgmorton Street. De staalgravure zelf heb ik nergens kunnen vinden, maar de bovenstaande afdruk ervan, in Henriette Baart de la Faille-Wichers Hoeth, HERINNERINGEN - 28 jaar in de pastorie te Londen, 1933 is beter dan andere aangetroffen exemplaren.
   1850, viering van het 300-jarig bestaan. Het grote orgel staat op een gaanderij aan de westwand, die plaats biedt voor een kleine cantorij. Volgens Lindeboom is na de brand van 1862 eerst een klein orgel op de kerkvloer geplaatst. Dat is in 1885 vergroot en op de galerij aan de oostwand geplaatst. Maar hier zien we het inwendige van de oude kerk omstreeks de herdenking van het 300-jarig bestaan in 1850. De organist zit met het wapen van de Nederlandse Leeuw achter zijn rug voor het orgelfront, dat met zijn acht pijpenvelden onder een ruim overdekkend spitsdak bepaald niet alledaags is. Het is een allegorisch beeld, te vergelijken met de MP-aria Sehet, Jesus hat die Hand - uns zu fassen ausgespannt, waarin Jezus voorgesteld wordt als een kloek die haar kuikens onder haar vleugels roept. In het orgeldak is Jezus' hoofd te zien en zijn over de pijpen uitgespreide armen. De lector staat op een verhoging onder de predikant. De lichtinval is nog onbelemmerd. Er is veel te zien op deze inkttekening. De predikant zal Hendrik Gehle (1830-1874 in functie) zijn. De preekstoel staat aan de lange noordmuur. Maker van de afbeelding onbekend.


Zo ziet het orgel er bij Plumley uit (laatste opname). Na de laatste pilaar lijkt aan weerszijden een portaal te staan.

The friary was constructed over time, as the availability of money and land permitted. The church's nave and the other friary buildings may not have been completed until after 1350. Like other urban friaries, it was surrounded by a high wall to provide a measure of privacy. This ran on three sides along Broad Street, London Wall and part of Throgmorton Street and was made variously of stone or brick. The friary precinct was entered via at least three gates, the main one of which was located on Throgmorton Street and gave access to the church and churchyard.

Inline afbeelding 2
The Dutch Church, Austin Friars, recently restored, from the Illustrated London News, 1865. The nave of the church, looking west, in its restored state, in 1865 (following the fire of 1862). In het midden de preekstoel, rechts het kleine orgel van Hill. Het paar links is zojuist door de zij-ingang naar binnen gekomen.
H3HA8R Antiqua Print Gallery / Alamy Stock Photo

Inline afbeelding 6
The interior of the Austin Friars’ Church, old Broadstreet, London. Restored (1862-65) under the Direction of Messrs. Edward l’Anson and William Lightly, Architects. Blikrichting oost. Het (voorlopige) orgel is voorbij de preekstoel links geplaatst. Rechts de zuid-ingang.
Henriette Baart de la Faille-Wichers Hoeth. HERINNERINGEN - 28 jaar in de pastorie te Londen. 1933.

Inline afbeelding 3
Zuidkant der kerk, gezien na het afbreken der kantoorgebouwen, toen de "leases" voor 99 jaar werden vernieuwd. De oude gebouwen aan de Zuidkant vielen onder slopershanden, en werden vervangen door één groot blok kantoren.
Henriette Baart de la Faille-Wichers Hoeth, 1933. Foto Oct. 1910.

De Hollandsche Kerk (The Dutch Church in Austin Friars).  

De heer Damman was het lid der gemeente, dat het dichtste bij de kerk woonde. Toch hadden wij drie kwartier noodig om tijdig ter kerk te zijn, en dan nog gebruik makende van den „Underground". De pastorie ligt 30 K.M. van de Kerk! De kerk ligt in het oude deel der stad, in de City, 3 minuten van de Bank van Engeland.
  De City is het zakencentrum van Londen. Dr. Gunning, van wien in 1913 een boek verscheen „Reisindrukken van Engeland en Schotland" — in onze openbare leeszaal te verkrijgen — schrijft: De City is het hart van Londen en heeft nog altijd haar eigen administratie en rechtspraak, onder het presidium van den Lord-Mayor. De vaste bevolking dezer City gaat gestadig achteruit, zij bedraagt nu nog maar even 20.000. Het terrein is te kostbaar om er gewone woonhuizen op te dulden ; alles is hier kantoor of kerkegoed. Overdag stroomen er een 800.000 menschen heen om hier hun zaken te doen, en 's avonds vloeit die geweldige stroom weer op en onder den grond naar alle kanten terug. De waarde der eigendommen op dit kleine stukje grond van 1 vierkante mijl werd in 1910 op ruim 70 miliioen gulden geschat ; de grond wordt vaak met ƒ 150 tot ƒ 850 per vierkanten voet (33 X 33 c.M.) betaald.
  De Holl. kerk is daarom omgeven van kantoren ! Hooge kantoormuren rijzen langs de Gothische kerkramen omhoog en onderscheppen het licht. Als er dienst is, zijn altijd de lampen aan! Schatten zijn aan de gemeente voor het kerkgebouw geboden, maar ze zijn steeds geweigerd. Waarom? Men zou kunnen aanvoeren dat de kerk toch niet gunstig gelegen is: des Zondags wordt de City gemeden. Wat zal men er dan zoeken in deze wereld van kantoren ! In de Underground die ons Zondagsmorgens naar de City bracht zaten drie menschen: in de buitenwijken hebben de Engelschen hun kerken, wat zullen zij dan naar de City ! Toch staat daar de geweldige St. Paul's kathedraal. Omdat onze kerk om 11.15 begon, konden we eerst nog een gedeelte van den dienst in de kathedraal bijwonen; er waren bijna geen menschen ! De kerk ligt dan ook te ver van de bewoonde wereld.
  Had de Holl. gemeente dan maar niet beter gedaan om de kerk te verkoopen en in een der woonwijken een nieuwe te herbouwen? Twee redenen hebben haar daarvan weerhouden, 1e. de gemeente heeft maar één kerk ; deze ligt in het centrum van de stad ; de Hollanders wonen over de heele stad verspreid, dus rekening houdende met allen is de City de beste plaats, 2e. De historie !
  De kerk behoorde vóór de Hervorming aan de Augustijner monniken. In 1550 geeft de 12-jarige koning Eduard VI het verlaten gebouw aan de 2 à 3000 uitgeweken Protestanten (uit Nederland en Vlaanderen) om daarin hun godsdienstoefening in hun eigen taal en op hun eigen wijze te houden. De beroemde Johannes a Lasco, Micron en Utenhove waren hun eerste voorgangers. Toen in 1553 de Katholieke Maria koning Eduard opvolgde, werden zij verdreven. Vele leden der gemeente vluchtten naar Denemarken, vanwaar zij naar Embden gingen. Op het vaste land werden nieuwe gemeenten door hen gesticht, zoodat de Hervormde gemeente te Londen de moedergemeente werd van andere op het vasteland. In het begin van de regeering van Elizabeth keerden velen hunner naar Londen terug.
  De kerk, die gebouwd werd in 1253 en herbouwd in 1354, brandde helaas in 1862 geheel uit; ook het orgel ging verloren. Banken, preekstoel, orgel, die men nu in de kerk ziet, zijn dus alle betrekkelijk van jongen datum, maar hoe passend bij de eeuwenoude omgeving. De historie spreekt hier ! Professor Knappert schrijft: „met ontroering gaat de bezoeker rond onder de hooge bogen der Hollandsche kerk in het allerdrukste der Londensche city en laat het grootsch verleden tot hem spreken in de deftige kerkeraadskamer, waar het zoo stil is en het gefluister der oude stemmen door geen gerucht wordt verstoord". Zoo was het ons des Zaterdags, toen de koster, de heer Rus, ons rondleidde en van de kerk vertelde. Nog meer sprak de historie tot ons op den Zondagmorgen, toen we met de gemeente ter kerk gingen. De eeuwen door waren de Hollanders hier te zamen gekomen, waren zij hier getroost, gesterkt en geheiligd door het Woord, dat hun in de eigen taal verkondigd werd, hadden zij te zamen hun psalmen en gezangen gezongen, hadden zij als gemeente opgezien tot Hem, die „bij jaar noch eeuwen telt". In den vreemde waren wij thuis in onze oude kerk, verbonden als landgenooten, als geloovigen. Het orgel zong langs de oude gewelven, de lichten waren aan, ook de lichten in de harten die opgaan tot God. Ook bezochten we de „Dutch homes", het Hollandsch tehuis voor ouden van dagen in Charlton dicht bij Londen, een stichting van de kerk, waar oude behoeftige echtparen een eigen zitkamer, slaapkamer en keukentje hebben en daarenboven ƒ 12 per week. Aan het hoofd staat de „matron", de „Moeder". De Hollandsche kerk in Londen moge haar gezegenden arbeid voortzetten tot in lengte van dagen.              Nieuwsblad van Friesland 30 mei 1932.

Inline afbeelding 2
KERKINTERIEUR. Links de opgang naar de zuidelijke zij-ingang. De kerkvloer lag iets lager dan de grond buiten de kerk.  --   Nieuwsblad van Friesland 30 mei 1932.

Inline afbeelding 3
INTERIEUR VAN DE HOLLANDSCHE KERK. De lambrizeering sluit de middelbeuk af van de zijbeuken. Onder het middenraam is de [hoofd]ingang van de kerk ; rechts tegen een pilaar de preekstoel. Het orgel bevindt zich juist tegenover den ingang.  --   Nieuwsblad van Friesland 30 mei 1932.

Inline afbeelding 2

        Vooraanzicht van de Dutch Church in Londen, op een postkaart getekend door Vincent van Gogh in 1874.
Dit kerkje is een merkwaardig overblijfsel van eene oude Augustijner Stichting (Austin Friars) minstens reeds dateerende van het jaar 1354 zoo niet reeds een 100 jaren vroeger. Reeds sedert 1550 ingevolge van eene vrijwillige schenking van Edward VI houdt de NederDuitsche gemeente hier hare Godsdienstige zamenkomsten.

                      

"Vincent van Gogh, Austin Friars, 1873-1874". Van Gogh Museum, Amsterdam.

Boot-Beierman.02Een handelaar zag er wel wat in en liet het schetsje een amateuristisch uitgevoerde ‘opknapbeurt’ ondergaan. 1st Art Gallery verkoopt dit als reproductie.

Men beweert dat Vincent Austin Friars bezocht heeft, de Hollandsche Kerk in het oude hart van Londen, tussen juli 1873 and mei 1874. Hij tekende de kerk en stuurde de tekening naar zijn zus Anna. Men kan ook vermoeden dat hij de tekening copiëerde van een minder geslaagd voorbeeld. Tekende hij de kerk na van een postkaart, dan is die evenwel nog altijd niet gevonden. Of van Gogh er ooit een dienst bijgewoond heeft is niet bekend, maar "given his interest in the Christian faith, it is likely that he did", wordt door velen aangenomen.
   Het is een van van Goghs eerste tekeningen, zo stuntelig dat je je onwillekeurig afvraagt of hij de kerk eigenlijk wel gezien heeft. Hij was überhaupt niet in Londen om te tekenen of te schilderen, hij was door zijn werkgever, kunsthandel Goupil & Cie in den Haag per 1 jan 1873 naar Brussel, in juni naar Londen, eindejaar Parijs, 1974 Londen en terug naar Brussel gestuurd. Ondertussen had zich bij hem een ernstige godsdienstige bezetenheid ontwikkeld. De tekening mist perspectief en sluitende proporties, de hoekpartij lijkt een grapje van Escher avant la lettre - hoe een hoek tegelijk een vlak kan zijn. Pas in 1879 begon de hulpprediker van Gogh met behulp van een paar handboeken zich als autodidact in de tekenkunst te bekwamen.
   Waarom zou Keetie Sluyterman in Kerk in de City (2000) geen woord aan dit van Goghje wijden ?

Inline afbeelding 1
Foto van de Austin Friars kerk, 1892, Londen. Royal Commission on the Historical Monuments of England.

Deze foto geeft een beeld van de afmetingen van de kerk, waar je bij van Gogh eerder aan een kerkje denkt. Op donderdag 18 november 1858 kwamen Pieter en Anna Dommelshuizen naar dit gebouw, met attestatie van The Minister and Elders of the Community of Jesus Christ at Amsterdam. De kerk is gelegen aan de Old Broad Street op 7 Austin Friars in het historische hart van Londen. Tot aan de verwoesting van het 16e-eeuwse gebouw woonde koningin Wilhelmina na haar vlucht uit Nederland de kerkdiensten net als veel andere Nederlandse vluchtelingen regelmatig bij. In de nacht van 15 op 16 oktober 1940 ging de kerk bij een bombardement bijna geheel verloren. Een zeldzame boekencollectie, waaronder Nederlandstalige bijbels, atlassen en encyclopedieën, was zekerheidshalve één dag voor het noodlottige bombardement buiten de stad opgeslagen.
   De Dutch Church was voordien en ook sinds de herbouw in 1950 behalve als godsgebouw ook als cultureel centrum in gebruik. Het atelier van Pieter Dommersen, zijn werkplaats, stond aan 2 Angel Court, ten westen van de kerk, dicht erbij – nu staat er een bankgebouw. William Raymond zal daar vaak zijn vader bezig hebben gezien, in de weer met allerlei gereedschap, zoals de kleine Hella Haasse haar moeder op de vleugel hoorde werken, dan op deze, dan op een andere manier om de materie de baas te worden.

                1858

De Dommershuizens hebben zich bij de Dutch Church aangemeld.
- (b) naam van diegene die het certificaat heeft ontvangen : .....
- (c) de naam van de kerk of gemeenschap bij wie de certificaathouder is aanbevolen (recommended) :
Voor Peter, Anna en Christiaan was het 'The Brethren and Overseers of the Community of Jesus Christ at London'
- (d) de datum en plaats of kerkeraad waar het certificaat werd uitgegeven. In de kerkeraad op 18 november 1858.
- (e) de naam van de Minister (=Dominee) die het certificaat heeft getekend :
Voor Peter en Anna - ds Reinier Posthumus Meijjes,
Voor Christiaan : ds Frederik Wilhelm Bernard van Bell,
Voor Thomas : ds Reinier Posthumus Meijjes, in the name of the Dutch Reformed Community at Amsterdam
- (f) in alle vier gevallen is het certificaat, Pr. (gedrukt), in D (de Nederlandse taal) en het certificaat heeft a Pr. Seal (een zegelafdruk).

BRON The Archives of the London-Dutch Church / Register of the Attestations or Certificates of Membership, Confessions of guilt, Certificates of Marriages, Betrothals, Publications of Bans & [preserved in the Dutch Reformed Church, Austin Frairs, London, 1568 to 1872, Edited by J. H. Hessels].                                                            

Niettegenstaande hun inschrijvingen bij de Dutch Church, die zij vermoedelijk meer als Dutch Community ervoeren, zagen de Dommershuizens St. Marylebone als hun kerk, i.t.t. Alma Tadema, die zich meer met de Dutch Church verwant voelde, bevriend met ds Scheltema, adviseur kerkeraad, maar zich er niet liet inschrijven.
  In de Marriage, Baptisma, and Burial Registers van de Dutch Reformed Church, Austin Friars, is alleen de doop van de kinderen van Gijselman opgetekend. Geen Dommelshuizen, geen Alma Tadema te bespeuren.

Inline afbeelding 2Inline afbeelding 3

The Marriage, Baptismal, and Burial Registers, 1571 to 1874 of the Dutch Reformed Church Austin Friars, London.
Edited by William John Charles Moens, 1884.

The marriage, baptismal and burial registers, 1571-1874, and monumental inscriptions of the Dutch Reformed Church, Austin Friars, London; with a short account of the strangers and their churches.
By: Austin Friars (Church : London, England) Published: (1884)
.

Archives of the London Dutch Church.

Register of  THE ATTESTATIONS or CERTIFICATES OF MEMBERSHIP, CONFESSIONS OF GUILT, CERTIFICATES OF MARRIAGES, BETROTHALS, PUBLICATIONS OF BANNS, &c., &c.

PRESERVED IN THE DUTCH REFORMED CHURCH AUSTIN FRIARS, LONDON 1586 - 1872.
EDITED BY J. H. HESSELS.     London | Amsterdam 1892

Reprint 2013


https://lostcityoflondon.files.wordpress.com/2014/05/1-the-former-augustinian-priory-complex-as-shown-on-the-copper-plate-map-of-c1550-1-church-2-cloister-3-cromwells-house-4-gate-house-e1401300456897.jpg   Wikipedia © Public Domain
Het vroegere Augustijner kloostercomplex op de Copper-Plate Map of ca 1550 (1 = kerk; 2 = klooster; 4 = poorthuis).

Inline afbeelding 1                  Inline afbeelding 2

1. PLAN / of the / AUSTIN FRIARS CHURCH / and / MONASTERY / As taken from measurement before the / Foundations were removed in 1807 / Cloisters / Dormitory etc / Steeple / stairs to Tower / South Transept / North Transept / Nave / Lady's Vault. London Metropolitan Archives. Catalogue No. SC_PZ_CT_01_0734
2.  Leeuwarder courant 7 nov 1910.

Het klooster werd in 1538 opgeheven. In July 1550, was granted the use of the friary church's nave to serve as the "Temple of the Lord Jesus". It became the first nonconformist chapel in England under its Polish-born minister Jan Laski. His congregation was based in Frisia, The rest of the church was turned into a storehouse for corn, coal and wine, with the monuments sold for £100 and the lead stripped from the roof. The choir, tower and transepts were used by a carpenter but demolished in 1609.

Op 22 nov 1862 werd de kerk door brand inwendig ernstig beschadigd. Muren en kolommen bleven staan, maar alles wat van hout was, ook het dak, uiteraard ook het orgel, ging verloren. De boekerij bleef gespaard. Op 1 oct 1865 werd de eerste dienst gehouden in de herbouwde en heringerichte kerk, waarvan het interieur Engels neo-gothisch van stijl was geworden. Het was een mooie grote kerk, anders dan de tekening van Van Gogh zou kunnen doen vermoeden. Alleen de nieuwe kansel beviel niet. Het nieuwe orgel werd aannvankelijk gelijkvloers neergezet, maar in 1885 vergroot en hoog tegen de oostmuur geplaatst waar het oude orgel voor de brand gestaan had. In 1936 werd de kansel onder het orgel op de daar aanwezige tribune geplaatst. Het zag er prachtig en machtig uit, en had veel van zijn vroegere intimiteit en warmte behouden. Jammer dat het bankgebouw dat ernaast verrezen was, ondanks voorafgaande onderhandelingen de lichtinval nadelig beïnvloedde. Onderstaande plattegrond is van 1868.

Hier is het volledige kaartje te zien.

Vanuit het noorden kon men van Old Broadstreet via de Gr. Winchester Str. en de Austin Friars Passage bij de hoofdingang komen, of vanuit het zuiden komend (London Bridge) meteen het grondstuk van Austin Friars oplopen. Waar de zij-ingangen zich bevonden wil nog niet erg duidelijk worden. Er moeten er twee of drie voor de gelovigen geweest zijn en misschien voor koster, vicaris en ouderlingen een aparte deur naar de bibliotheek, kerkeraadskamer &c.

Inline afbeelding 6       Inline afbeelding 1
De Austin Friars Passage met zicht op de zij-ingang aan de noordkant van de Dutch Church (zie plattegrond).
Links een tekening van het straatje. Walter Besant, LONDON, Harper & Brothers. Copyright 1892.
Rechts een tekening in gewassen inkt van de Passage door William Luker jr ca 1900.

Inline afbeelding 1

Austin Friars Dutch Church Interior LCE060           

Tot de 2e helft van de 19e eeuw vonden er nu en dan flinke veranderingen en herstellingen aan het gebouw plaats, doch het bleef de tand des tijds weerstaan, zelfs de Great Fire van 1666. "Maar in den vroegen morgen van den 22en November van 1862 trof de gemeente de grote ramp, dat haar kerkgebouw door brand grotendeels werd vernield" (Lindeboom). Het begon met een schoorsteenbrand, werd vermoed.


1 : London Evening Standard London England / 24 Nov 1862 / © The British Library Board.
2 : London Daily News London, England / 24 Nov 1862 / © The British Library Board.
3 : Bell's Weekly Messenger London, England / 1 Dec 1862 / © The British Library Board.

Nieuwbouw of restauratie ? Krachtige protesten tegen nieuwbouw en warme pleidooien voor restauratie leidden tot het laatste. Een warm-water installatie werd aangebracht, electrische verlichting in 1895. In 1813 bezocht de Erfprins van Oranje de kerk, in 1845 koning Willem II, Willem III en Emma in 1888, Emma en Wilhelmina in 1895 enz.

De Hollandse Gemeenschap in Londen ('the Dutch Refugee Community') in WO II was nog groter dan anders. De Dommelshuizens waren gecertificeerd lid van the London Dutch Church. Hun namen waren op de certificaten correct gespeld door vergelijking met eerdere lidmaatschapregisters, en ook dankzij de Amsterdamse hervormde dominee Gronemeijer, die steeds bereid was om de juiste Hollandse schrijfwijzen te achterhalen voor de Engelse notulist.

The Archives of the London-Dutch Church / Register of the Attestations or Certificates of Membership, Confessions of guilt, Certificates of Marriages, Betrothals, Publications of Bans &, &. [preserved in the Dutch Reformed Church, Austin Frairs, London, 1568 to 1872, Edited by J. H. Hessels].

O r g e l s    e n    o r g a n i s t e n

1. — O r g e l s

Het symptoom van de misère in deze jaren is de lijdensgeschiedenis van het orgel geweest, of liever : de moeite om tot het bezit van een orgel te geraken. De kerk bezat er aanvankelijk geen. Het duurde tot 1720 eer men zijn gereformeerden tegenzin tegen orgelbegeleiding zover te boven was gekomen, dat een aantal voorstanders de handen ineensloegen en bij intekening £1000 bijeenbrachten voor de aanschaffing van een orgel. Men besloot dus daartoe over te gaan, maar zeven jaren later was het er nog niet. De kerkmuur eiste toen dringend voorziening, en men besloot met toestemming van de intekenaren een deel van de gelden daarvoor te gebruiken. In 1742 kreeg men van den overleden ouderling Korten een legaat van £100 met bestemming voor een orgel, onder bepaling dat binnen een jaar alle benodigde gelden ter beschikking zouden zijn ; ook deze poging had geen resultaat ! Vijfentwintig jaren later was een niet-genoemde bereid een compleet orgel te schenken ; voorwaarde was, dat de gever gedurende zijn leven den organist zou aanwijzen en dat het plechtig zou worden ingewijd met "stemmen en instrumenten".
   Organist en orgeltrapper zouden echter voor rekening van de kerk komen, en hierop sprong de zaak af ; er was geen geld beschikbaar, de huizen bij de kerk werden oud en eisten veel onderhoud. Zo heeft het tot 1799 geduurd eer men, dank zij de verbeterde financiën, tot aanschaffing van een orgel is overgegaan.


J. Lindeboom, Austin Friars. Geschiedenis van de Nederlandse Hervormde Gemeente te Londen 1550 - 1950. Den Haag 1950.

 

-------

The nave of the once magnificent mediaeval church of the Austin Friars survived until it was completely destroyed by German bombs in 1940. In 1720 and in 1742 the Dutch congregation, whose ancestors had worshipped there since 1550, gave serious consideration to the installation of an organ (1). In 1767 an organ was even offered as a gift, but the church felt it could not afford the inevitable maintenance costs and a regular organist's salary (2). Eventually, in 1799 a two-manual instrument (with no pedals or Pedal Pipes) within an imposing five-towered case was acquired and placed on a gallery near the west end of the church (3). It was bought from William Eveleigh for £147 and was erected by C. G. King for £15 (4).

In 1862 a serious fire in the church destroyed this organ, and it was replaced two years later by a new instrument of similar size by William Hill for the cost of £320 (5). The instrument had 16 speaking stops and was placed towards the east end of the nave on the north side. The same firm rebuilt and enlarged it in 1885 (moving it to a lofty east end gallery) and further additions were made in 1896 (6). It was by all accounts one of the City's finest organs, much assisted by a generous acoustic. Before its total destruction in the Blitz in 1940, the organ contained two manuals and 29 speaking stops.

Notes

1. Lindeboom 1950.
2. Ibid.
3. Ibid., and Guildhall Ms 7428 Vol 25. The receipts imply that the organ was secondhand, and Pearce said that the organ was seventeenth century in origin. Enquiries as to a possible Dutch origin for this organ have not yielded any positive results.
4. Guildhall Ms 7428, Vol 25. Pigot's Directory for 1826–7 records a Joseph Eveleigh at 21 Swan Street, Minories, as an organbuilder, and George King is known as the builder of the organ in Buckingham Parish Church in 1801 (latter piece of information kindly supplied by the Revd. B. B. Edmonds).
5. Hill Boooks, Vol 2. (E. O. A.).
6. Pearce, and Hill Books, Vol 2b (E. O. A.).


Organs of the City of London, N. M. Plumley, 1996. Hoofdstuk THE DUTCH CHURCH, AUSTIN FRIARS, Throgmorton Street.

Inline afbeelding 1

       Wikimedia © Public Domain

   

“De formulieren van Bevestiging der Dienaren des Woords, der Ouderlingen en Diakenen, van afsnijding en werderopneming in de gemeente zijn op de Haagse Synode van 1586 opgesteld onder invloed van de Londense kerk, wier superintendent Johannes à Lasco (1550-1560) het Londense formulier heeft opgesteld. [...] Londen's invloed op de Vaderlandsche kerk was inderdaad groot. Zo was de Londense Confessie van 1551 tot 1566 de eerste en enige gedrukte en gebruikte in de lage landen. Dit blijkt ten slotte ook nog hieruit, dat men op Londen's raad het gebruik van het orgel heeft afgeschaft. In de Londensche gemeente duldde men geen orgel ; het was te Roomsch. Den deputaten ter Middelburgsche Synode was in hunne instructie voorgeschreven, het verkeerde van het orgel ook aan de Vaderlandsche kerk duidelijk te maken”.

M. Woudstra, De Hollandsche vreemdelingen-gemeente te Londen, 1908.

De Londense kerk kon in meerdere opzichten als ‘mater’ en ‘propagatrix’ van de Hollandse kerk beschouwd worden. Karel V verbood in 1522 kritiek van reformatorische zijde op de Roomse kerk. Holland en België was bezet door Spanje. In 1523 stierven de eerste twee Antwerpse ketters op de brandstapel. Toen Hendrik VIII (1509-1547) zich in 1534 tot hoofd van de Anglicaanse, van Rome afgescheiden kerk had benoemd, namen sommige protestanten de wijk naar Londen, al waren ze daar ook niet veilig. Bloody Mary (1553-1558) moest nog komen. De Dutch Church op haar beurt maande de Vaderlandsche kerk tot matiging in haar optreden tegen roomse ketterij (de martelaren van Gorcum, 1572). In 1550 keerde in Engeland het tij. Edward VI gaf de Nederlandstalige vluchtelingen de voormalige Augustijner kloosterkerk en stond toe dat ze zonder inmenging van de wereldlijke en geestelijke overheden hun geloof vorm gaven en zelf hun kerk bestuurden.

Van Dulken :“In 1862, however, a desastrous fire, caused by a defective flue, destroyed the roof, pews and floors and also the organ, which was then situated in a gallery above the western entrance of the Church, also doing much damage to the library kept in the same gallery and dating from 1605. The remains of this library were subsequently transferred to the Guildhall for greater security, and although still the property of the Trustees of the Dutch Church, now form part of the Guildhall Library, where it may be inspected by anyone interested at the present time. Some valuable manuscripts, however, are preserved in the Church in a strong room specially built for the purpose.
   The fire of 1862 having caused so much damage, it was at first resolved to rebuild the Church, but happily better counsels prevailed and it was finally decided to put it in a thorough state of repair, the cost being almost covered by insurance. The portions, therefore, now remaining of the Church as rebuilt in 1354 are the walls and te columns, but these and a few other relics from old times preserved in the Church are of sufficient importance to any one interested in the archaeological, topographical and historical features of this portion of the City of London”.


J. T. C. van Dulken, The Dutch Church, Austin Friars, 1919. p. 2.

Van Dulken beschrijft ook duidelijk wat er bij de zuidelijke muur (de zonkant) gebeurd is.
“Many events have occurred in the Austin Friars Church through the generosity of the wealthier members, which have largely contributed to the to the prosperity  which it has generally enjoyed. In 1611 the Consistory, after considerable trouble and protracted litigation, bought from the Marquis of Winchester for a comparatively small sum a house called the "Kerckof", meaning churchyard, standing against the south wall of the Church, together with the houses adjoining. This property was used for various purposes, until a block of offices was erected thereon. These were demolished as late as 1910, and the present building known as Austin Friars House erected on the site. This rebuilding caused the disappearance of the passage which formerly led from Broad Street tot the south porch of the Church, as seen in old prints, but both exits have been created to provide for a rapid clearing of the Church in case of fire or other commotions”.


Edward l’Anson (1812–1888) was an English architect who was president of both the Royal Institute of British Architects and the Surveyors' Institution. He was a leading designer of commercial buildings in the City.

   

The Dutch Church, Austin Friars by Van Dulken / Guildhall Library, London - Pamphlet 4206.
Vollediger : J. T. C. van Dulken, A summary of the origin & history of the Dutch Church, Austin Friars, 1919.

In 1617 a collection was held to thoroughly repair the Church, and in 1666 it narrowly escaped destruction in the Great Fire of London, which destroyed so many of the City Churches. The open space around the Church proved its salvation, the fire only touching the stone walls.

Baart p. 41, Lindeboom p. 171 vv : Toren gebouwd in 1362, na storm hersteld- herbouwd en in 1609 afgebroken. Sindsdien weinig verandering tot 1862.
1n 1850 stond / hing een orgel achterin. 1844 twee kachels met ondergrondse rookbuizen geplaatst. Consistoriekamers naast de W-ingang. Avondmaalstafel bij de oostmuur. Daarboven de bibliotheek en later het orgel. Preekstoel tot in de jaren '30 tegen een N-pijler. Nederlandsche Vereeniging 19 jan 1873 opgericht, in '23 jubileum. Organist Norris heeft Loman in 1915 vervangen. Ds. Scheltema was bevriend met Alma Tadema (†1912). Kerk had prachtacoustiek, vele Ned. optredens, waaronder mogelijk opnamen van Jo Vincent met A. v.d. Horst.

THE CHURCH OF THE AUGUSTINE FRIARS, OLD BROAD STREET, LONDON.
When fire some time ago destroyed the roof and fittings of the church formerly belonging to the house of the "Austin'' Friars, founded probably in the 1260s.

   
Pearce, without giving a source, supplies the following specification of the organ, which he and Sperling, Walks, say was built in the 17th century :
  Great – Open Diapason, Stop Diapason, Dulciana, Principal, Flute, Twelfth, Fifteenth, Sesquialtera III, Cornet, Trumpet bass, Trumpet treble.
Swell – Open Diapason, Stop Diapason, Hautboy.

James Boeringer - Organa Britannica: Organs in Great Britain 1660-1860 : a Complete ..., Vol.2. 
Het orgel uit 1799 (alle begin is moeilijk) dat op de kerkvloer dichtbij de kansel stond lijkt eigenlijk te klein voor begeleiding van volkszang in psalm en lied. In 1885 is een orgel (groter dat dit), hoog tegen de oostmuur geplaatst. Daar zal de dispositie van Pearce, die onmogelijk uit de 17e eeuw kan stammen, op slaan.
Overigens lijkt Pearce (1909, niet 1907) niet altijd even betrouwbaar. Met Snetzler wordt Schnitzler bedoeld.

Toen het Zalsmankwartet in 1908 in de Hollandsche kerk zong stonden ze boven bij het orgel. Alma-Tadema ontving ze de volgende dag.

Austin Friars Dutch Church. — Built 1864 by Hill. 2 manuals, 29 sp. stops, 3 couplers, tra. action, hand bl., Vox Humana exact copy of the one at Haarlem Cathedral, Holland. Bell on top of each pipe. Organist : W. R. Norris.

Notes on Old London City Churches, their Organs, Organists, and Musical Associations
by Charles William Pearce. Eerste druk 1909.



Pearce, Appendix XXII, p. 240.
The organ which was destroyed in the fire of 1862, was built in the 17th century
(*) and contained the following stops :
   Great (12 stops) Op. Diap. ; Stop. Diap. ; Dulciana ; Principal ; Flute ; 12th ; 15th ; Sesquialtera III ranks ; Cornet ; Trumpet (Bass) ; Trumpet (Treble) ; Cremona.
(**)
   Swell (4 stops) Op. Diap. ; Stop. Diap. ; Principal ; Hautboy.
No Couplers ; no pedal-board or pedal pipes.

                  (*) (**) Een orgel met deze dispositie kan niet in de 17e eeuw gebouwd zijn.
                  Het dateert uit 1799 en kan in de loop der jaren wat vergroot zijn. Het is in 1862 verbrand.
It stood in the West Gallery, and its case presented an imposing front with five towers. The Hill organ of 1864 was originally erected under one of the arches on the north side, about half-way up the church. At a competition for the post of organist held on March 11th, 1858, Mr. Wicking was selected out of a large number of candidates as the player best fitted for the post.

Pearce Ch. 22, p. 99.
The nave, which still remains (having happily escaped the Great Fire of 1666), is larger than any parish church in the City ; it is cathedral-like in proportions (153 ft. long and 83 ft. wide) and is the most perfect example of XIVth century architecture in London. The Roman Catholic Cathedral Church of S. George, Southwark, is a copy of this ancient Priory Church. The visitor seems to leave behind him all traces of modernity as he crosses the threshold of its entrance, being plunged at once into the surroundings of six centuries ago. The organ was built by Messrs. Hill & Son in 1864 ; it then contained the following stops :

Great (8 stops ; CC to G) — Op. Diap., 8 ft. ; Stop. Diap., 8 ft. (drew in halves, Treble and Bass) ; Dulciana (C), 8 ft. ; Prin., 4 ft. ; 12th,   2?ft. ; 15th, 2 ft. ; Sesquialtera, III ranks ; Trumpet.
Swell [Tenor C, carried down to CC on Stop. Diap. Bass] (7 stops) — Dble. Diap., 16 ft. ; Op. Diap., 8 ft. ; Stop. Diap., 8 ft. ; Prin., 4   ft. ; Flute, 4 ft. ; 15th, 2 ft. ; Cornopean, 8 ft.
Pedal (1 stop ; CCC to F) — Op. Diap., 16 ft.
Couplers (3) — Sw. to Gt. ; Sw. to Ped. ; Gt. to Ped.
Accessories — 3 comb. peds.

The organ was rebuilt and enlarged by Messrs. Hill & Son, and the elaborate oak case, designed by Mr. l’Anson, fitted to it in 1885.*) The organ was slightly enlarged and several alterations made in 1896. It stands in a high gallery against the wall which was built up at the eastern end of the nave when the choir was pulled down. The acoustical properties of the building being exceptionally fine, considerably enhance the tone of the organ, which is in itself of singular beauty. I am indebted to the present organist of the Dutch Church for the following specification as the organ stands at present :—

Great (12 stops) — Dbl. Diap., 16 ft. ; Op. Diap., 8 ft. ; Dulciana, 8 ft. ; Stop. Diap., 8 ft. ; Quintadena 8 ft. ; Prin., 4 ft. ; Wald   Flute, 4 ft. ; 12th, 3ft. ; 15th, 2 ft. ; Sesquialtera, III ranks ; Sharp Mixture, II ranks ; Trumpet, 8 ft.
Swell (13 stops) — Dble. Diap., 16 ft. ; Op. Diap., 8 ft. ; Salicional, 8 ft. ; Rohrflöte, 8 ft. ; Quintadena, 8 ft. ; Prin. 4 ft. ; Soabe   Flute, 4 ft. ; Nasard, 3 ft. ; 15th, 2 ft. ; 15th, 2 ft. ; Cornopean, 8 ft. ; Oboe, 8 ft. ; Clarinet, 8 ft. ; Vox Humana, 8 ft.
Pedal (4 stops) — Op. Diap., 16 ft. ; Bourdon, 16 ft. ; Violoncello, 8 ft. ; Trombone, 16 ft.
Couplers (3) — Sw. to Gt. ; Gt. to Ped. ; Sw. to Ped.
Accessories —Tremulant to Sw.
The Vox Humana
stop is an exact copy of the one at Haarlem Cathedral. Each pipe has a bell at the top.

*) Het nieuwe orgel stond aanvankelijk op de kerkvloer, twee pilaren oostelijk van de kansel. Lindeboom vermeldt dat in dat jaar 1885 bij de ombouw het orgel naar de galerij aan de oostmuur werd verplaatst.

The services at the Dutch Church are non-liturgical. There is no choir, but the congregation of between 80 and 100 worshippers sing Chorales and a Metrical Version of the Psalms. There are no chants nor anthems. Three voluntaries are played at the principal Sunday service : one at the conclusion of the sermon, as well as introductory and final voluntaries. Ten organ recitals are given during the year, and it is needless to say that the name of J. S. Bach has an honoured place in the programmes.

Mr. Rudolf Loman, the present able organist, who has occupied the post with much distinction since 1885, has two sides to his character ; to one world he is known as a musician, to the other as a chess player. Between 1890 and 1895 Mr. Loman was considered the second strongest amateur in England (Amos Burn being first) and first player in the Netherlands. His portrait, biography, and collection of his most notable games appeared in the "Chess Monthly" (August, 1891), "Deutsches Wochenschach" (1891), "Illustrierte Zeitung" (1892), and "British Chess Magazine" (1892).

Mr. Loman is also a distinguished blindfold chess player, in England only second to Blackburne in this branch of Chess. He has conducted, on various occasions in the chess clubs of England and the Continent, eight games simultaneously blindfold. He recently played at Leiden (Holland) eight games simultaneously blindfold, and during the interval he gave a most astounding proof of memory, by repeating a hundred words (selected by the audience) after being called out to him only once. First he named them in the same order they were read out to him, and afterwards, when a number was called, he instantly gave the corresponding word, and vice versa. In addition to his many accomplishments, Mr. Loman possesses the faculty of sketching from memory, with the greatest ease, life-like portraits of musical composers and executants, chess masters, etc.

Inline afbeelding 4            Inline afbeelding 2

  BCM, 12 aug 1892 —— met echtgenote [Hillegonda] Gonne Loman-van Uildriks plm 1895. Collectie E. ter Braak.

2. — O r g a n i s t e n

Donovan Dawe geeft in Organists of the City of London 1666-1858, a record of one thousand organists with an annotation index (1983) de volgende opsomming voor de Dutch Church Austin Friars :

Organ 1799 William Eveleigh, cost £147.
1799 Dec. 2 William Eveleigh
paid £147 for organ.

1799  Oct. 2
F. Gottschalk appointed.
  1820 Oct. 19  F. Gottschalk death reported (Payments in accounts up to 1818 Mar. only).
1821  Mar. 2 Robert Sadler appointed (Payments in accounts start 1818 Sep.) Sal. £20.
  1823 May 15 Robert Sadler resigns.
1823  June 19 C. Verduin appointed.
  1829 Oct. 15 C. Verduin resigns. Lancelot Sharpe provisionally appointed.
1830  Mar. 11 Lancelot Sharpe appointed. Sal. £20.
  1833 June 5 Lancelot Sharpe resigns.
1833  Jul. 11 Miss Mary Hale appointed. Sal. £20 later increased to £25.
  1848 June 7 Miss Mary Hale resigns on departure for America.
1848  June 7 H. J. Bakker appointed. Sal. £25.
  1852 H. J. Bakker vacates. De jaren voor 1885 kunnen nog niet alle ingevuld worden.
1858  Mar. 11 Mr. Wicking was selected out of a large number of candidates as the player best fitted for the post.
1885 – 1914 Rudolf Loman.
  Na 1903, 1904 was Loman zo vaak afwezig, dat Norris als vaste vervanger aangesteld werd.
1905 1939  ? William Ralph Norris.


Mr. Wicking is vermoedelijk W. C. Wicking, Professor of Music, London.
(Rudolf Johannes) Rudolf Loman, A'dam 14 oct 1861 - den Haag 5 nov 1932, was van 1885 tot 1914 als organist aan de Dutch Church verbonden.

HAAGSCHE MUZIEKSCHOOL
  Wij maakten in ons blad reeds melding van de te 's Gravenhage opgerichte nieuwe muziekschool. Over het daaraan verbonden personeel van leeraren en leeraressen vernemen wij thans het volgende.
  De heer Rud. J. Loman, directeur der school en pianoleeraar voor meergevorderden, is een zoon van den bekenden hoogleeraar der theologie, dr. A. D. Loman, in zijn dagen een der steunpilaren van het muzikale leven te Amsterdam.
  Reeds op veertienjarigen leeftijd gaf de heer Rud. Loman openbare orgelbespelingen in de Luthersche Koepelkerk te Amsterdam. Hij genoot zijn opleiding grootendeels aan het Conservatorium te Keulen onder Hiller, Kwast en de Lange. Sedert 1883 tot voor korten tijd was de heer Loman onafgebroken werkzaam te Londen, sinds 1885 was hij als organist verbonden aan de aloude en beroemde Dutch Church aldaar, na St. Paul's de grootste kerk in de City.
  Men herinnert zich dat de heer Loman herhaalde malen als pianist optrad in Holland. In 1908 maakte hij met zijn vrouw, de zangeres Edith Loman-Elischer (kleindochter van Verhulst) een tournee door ons land ; ook in Engeland gaf hij meermalen concerten ; in Londen de laatste zeven jaar herhaaldelijk historische piano-recitals.
  Van zijn composities zagen het licht 23 koraalvoorspelen voor orgel, bij Lichtenauer, Rotterdam, en 26 koraalvoorspelen bij Breitkopf, die het tot een 3e druk brachten.
  De heer Loman is naar men weet, ook een beroemd schaker, zijn geheugen is enorm, hij speelde soms acht partijen tegelijk blindelings.


   Tot zover een artikel in De Maasbode 21 sept 1914. Edith Elisher was zijn tweede vrouw, zijn eerste echtgenote had hem na een paar jaar verlaten, begrijpelijk, want ze was in Londen neergezet tussen mensen die ze niet kende, had niets omhanden en had weinig betekenis in het jachtige leven van haar man. Een man die weinig inkomen had, terwijl zijn vrouw een kapitaal bezat. Dat baarde haar familie al vóór het huwelijk zorgen, want Loman wilde geen huwelijkscontract o.i.d. laten opmaken.

Loman won in 1890 het eerste City of London schaaktournooi en was verscheidene malen Nederlands kampioen. Fameus is het slot van de partij tussen wereldkampioen Em. Lasker en Loman, 1903 in Londen gespeeld en door Loman gewonnen. Tien jaar later versloeg hij wereldkampioen Capablanca, ook in een simultaan, maar toch. In het top-schaakcafé Vienna in Londen wist de gehaaide Loman, “a true coffee shop genius”, zijn organistensalaris aardig aan te vullen. Een bepaalde manœuvre is naar hem vernoemd : de Loman-zet, waarmee hij Lasker versloeg. In de jaren '90 was hij schaakredacteur van de Groene Amsterdammer.
  Zoals hij schaakte zal hij ook orgel gespeeld hebben, met fantasie, open voor intuïtieve ingevingen.

Inline afbeelding 1    

Inline afbeelding 1

          De Telegraaf 21 nov 1903

Inline afbeelding 2

          Algemeen Handelsblad 28 dec 1903


    ←   ←   ←  Het volk 8 nov 1932

 
- 1895 J. LOMAN, adres: Stonehaven, Hitherfield Road, Streatham, Londen.
- 1913 J. LOMAN 36 Heathstreet, Hampstead, London N.W.

 
 
         

Emanuel Lasker wit vs Rudolf Loman zwart, London 1903, in een simultaantournooi.
   De laatste zet van zwart was 38. Tc4†, waarop wit 39. Kf4-g5 speelde, een achteloze zet in reeds verloren positie, en wel sinds wits koning vanaf f2 omhoog lopend via g3 op de vierde lijn terecht was gekomen. De koning had rustig over de onderste drie rijen naar de zwarte toren toe moeten schuiven om de toren, die gedwongen is schaak te blijven geven – er dreigt h7-h8 mat – van de 4e lijn af te houden en het eindspel af te maken, maar Lasker wilde korte metten maken.
   En zie, de underdog Loman schoot met blikkerende tanden uit de hoek waar Lasker hem ingedrongen had en speelde 39. Tc4-h4 ! De Loman-zet. Naburige spelers bespeurden onraad en kwamen kijken. Het beeld was op slag veranderd.
   Er gebeurde nog 40. wit Kxh4, zwart g7-g5 schaak,
41. Kxg5, Kg7 en wit gaf op.

De Duitser Em. Lasker *1868, wereldkampioen 1894-1921, ontsnapte aan de Nazis en de Russen, en stierf in 1941 in de U.S.A. Hij heeft vele geschriften nagelaten. Laskers Lehrbuch des Schachspiels (1925, 1e druk) is technisch verouderd, filosofisch, onorthodox, met aandacht voor het wezen van het spel, maar niet voor voor valkuilen en trucjes. Hij was een excellent wiskundige en speelde in de wereldtop van de bridgecompetitie. Daar laat ik het maar bij en plaats als

E N T R ’A C T E

een brief van 11 april 1891 van de schilder Lawrence Alma Tadema – aan wie het laatste hoofdstuk gewijd is – aan de zanger Johannes Messchaert, die we ook nog zullen tegenkomen, gevolgd door een kranteknipsel van 25 april 1891.

Inline afbeelding 2
Waarde Neef Messchaert,          11 april 1891
Het zal u zeker niet verwonderen dat ik het als een voorrecht beschouw onze geëerde zanger mijn neef te noemen en mijne goede nicht Jo daarvoor dankbaar te zijn. Het doet mij razend veel genoegen dat u Dingsdag de 21.ste bij ons komt.
Als Loman mij vertelde dat u bij hem gaat logeeren zoo heb ik hun ook gevraagd. Dan komt Min Liten
* schatje ook en zoo zal u dus in het zingen genoegzaam begeleid zijn door een accompagnement dat ik van harte wensch uw bijval mag wegdragen. Joachim had ons geschreven dat het Utrechtsche concert een succes werd en dat gij al weder mooi gezongen had. Ratti dineerde ook met ons. Jammer dat W. Hess in Manchester moet spelen anders was hij er ook bij. Wij stellen er ons veel van voor U hier te hebben en vinden het zoo jammer dat het goede vrouwtje niet mee kan komen. Een volgende maal beter geslaagd hoop ik. Groet haar vooral hartelijk van ons allen.  |  T.T.**  |   LAlmaTadema.  |   U weet toch dat Loman nog al uit de buurt woont ?
* "mijn kleine' (Fries), hij bedoelt misschien Kate Fanny Loder.  **Totus tuus, geheel de uwe.
Coll Johan Messchaert, nummer toegang 1509, inventarisnummer AII7, Westfries Archief Hoorn.

Inline afbeelding 2
Morning Post - Monday 20 April 1891

Inline afbeelding 3     Inline afbeelding 4

Het nieuws van den dag : kleine courant 25 april 1891.


                                 ________________________________________________________________
                                 ________________________________________________________________

 

Over William Ralph Norris staat geschreven dat hij sinds 1905 organist was in Austin Friars. Zou dat zou kunnen ? Naast Loman ? Jazeker, want Loman was vaak op reis. In krantestukjes wordt Norris organist van de Dutch Church genoemd in de jaren 1926-1939. Dat kan ook daarvoor en daarna het geval geweest zijn. Ralph Norris was in ieder geval van 1926 - 1932 in functie.
NORRIS, W. RALPH, 6, Colville Mansions, London, W.ll. Born 1864 at Oxford. Trained St. John's Coll., Oxford. Org. St. Nicholas Cole Abbey, E.C. 1887-1905 ; Austin Friars Dutch Ch., E.C. since 1905.  E.C. =  Established Church.
Zie hier : Dictionary of organs and organists

Jurriaan ten Doesschate, reeds voor 1910 firmant van de bank Blijdenstein & Co in Londen, was jarenlang (1930-1956) ouderling, lid van de kerkeraad en als senior trustee de eindverantwoordelijke voor de herbouw van de kerk na de oorlog. Zijn zoon Sylvester ten Doesschate was van 1951 - 1992 organist van de Austin Friars. Diens opvolger was David Titterington in samenwerking met tweede organist Martin Knizia en zijn Sweelinck-koor.

Ds. Baart de la Faille is bekend door het boek dat zijn vrouw in 1933 schreef: Herinneringen, 28 jaar pastorie te Londen (1901- 1928).

Inline afbeelding 2

Interior view of Austin Friars, looking west, City of London, c1865. Hier stond het orgel nog gelijkvloers in de noordelijke pilarenrij. Het pijpenfront laat zich rechts op de foto onderscheiden. In 1885 werd een nieuw orgel op het oksaal aan de oostwand gebouwd. Wanneer de Dommersen en Alma-Tadema een enkele keer aanwezig waren hebben ze met begeleiding van die orgels hun psalmen en liederen gezongen.
Photo by Guildhall Library & Art Gallery/Heritage Images/Getty Image.

Inline afbeelding 1
Church Crawler. Churches no more - London. Een fotokaart.

Londen, 21 April —— De Enkhuizer Courant van 24 april 1891.
Evenals de meeste andere liefdadigheidsgenootschappen van dien aard heeft ook het <<Koning Willem Fonds>> alhier behoefte aan versterking der geldmiddelen, en met het oog daarop heeft de kerkeraad der Nederlandsche Hervormde Gmeente alhier een orgelconcert georganiseerd, dat heden plaats had en met het meeste succes afliep. De eeuwenoude kerk, die op een rustig pleintje in het midden van het drukste gedeelte der City staat, was heden een tooneel van bedrijvigheid. De politieagenten, die aan de deuren hadden post gevat, waren op zichzelf reeds een bewijs, dat er iets aan de hand was. Binnen de kerk bevond zich een uitgelezen publiek, waaronder de bloem der Hollandsche kolonie vertegenwoordigd was, en dat onder meer ook den Nederlandschen gezant alhier, graaf van Bylandt, de gravin van Bylandt, en den Raad van Legatie, baron Gevers, omvatte.
   Vóór het orgel was een fraai met bloemen versierde entrade gemaakt, waarop de medewerkers van het concert plaatsnamen. Te 3 uren begon het concert met de voordracht van de Sonate (E minor) van A. G. Ritter, laatstelijk organist van de kathedraal te Maagdeburg, door den heer Rudolph J. Loman, organist van de Hollandsche kerk alhier en zoon van den Amsterdamschen hoogleraar van dien naam. De heer Johannes Wolff volgde met Vieuxtemps' Adagio, 3ième concert (viool solo). Daarna zong de heer Johannes Messchaert de Aria Religiosa van Stradella, en speelde de heer Joseph Hollman de aria voor violoncel solo van J. S. Bach. De heer Loman speelde verder een stuk van Alex Guilmant en het Chorus Magnus Hosannah van Dubois, de heer Wolff de "Andante" van Mendelssohn en de heer Hollman de "Rêverie" van Schumann, terwijl de heer Messchaert twee aria's van Händel zong, een uit het Dettinger Te Deum en een uit Susanna.
   De muziek klonk zeer schoon in de groote oude kerk. Men zou nauwelijks kunnen zeggen wat het meest roem verdiende, het heerlijke orgelspel van den heer Loman, de forsche stem van den heer Messchaert, voor wien zelfs deze groote ruimte niet te veel scheen en die, niettegenstaande hij pas over zee was gekomen, even frisch en krachtig zong alsof hij eenige dagen te voren rust had genoten, of het heerlijke geluid dat de heeren Hollman en Wolff aan hunne instrumenten wisten te ontlokken. Men moest zich geweld aandoen om geene teekenen van bijval te geven, die natuurlijk in de kerk niet op hunne plaats waren. Dat iedereen welvoldaan huiswaarts keerde behoeft nauwelijks gezegd te worden, evenmin dat de gezant namens alle tegenwoordigen sprak, toen hij den welwillenden medewerkers voor hunne belangelooze diensten voor het goede doel hartelijk dank zegde.
   Laat ons hopen, dat bij het opmaken der rekening zal blijken, dat het concert eene flinke som ten bate van het Koning Willem Fonds heeft opgebracht, dit zou zeker het hoogste loon zijn voor de medewerkers en niet het minst voor den predikant, ds. A. D. Adama van Scheltema, en voor den kerkeraad, die zich voor het welslagen van dit concert zoovele moeiten en kosten getroost hebben.
          

Inline afbeelding 1

Alg. Hbl. 15 april 1926. Ralph Norris begeleidde.


Inline afbeelding 2

Algemeen Handelsblad.   22 nov 1938.

Algemeen Handelsblad 7 jan 1913   ?   ?   ?   ?

      Inline afbeelding 3


In 1913 *) leed de [Nederlandsche] Kolonie een groot verlies door het heengaan van Sir Lawrence Alma Tadema, die het portret van Ds. Adama van Scheltema had geschilderd en aan den Kerkeraad had aangeboden, dat, na eerst op de "Homes" te Charlton te hebben gehangen, verplaatst is naar de Kerkekamer. Dit schilderij heeft de Kerkeraad afgestaan voor de tentoonstelling van Sir Alma Tadema's werken na zijn dood in Burlington House gehouden (waarvoor de dominee als wederdienst een Season Ticket voor de tentoonstelling kreeg !). De Royal Academy zoo bekend aan hem, aangenaam bekend, door de interieurs en portretten die er van den landgenoot-kunstenaar-kolonievriend A. van Anrooy altijd zeer de aandacht trokken.
  Sir Lawrence werd bijgezet in St. Paul's Cathedral in Juni 1913
**), bij welke plechtigheid de dominee en zijn vrouw tegenwoordig waren.
      ---[ ** Tadema overleed 25 juni 1912 en werd bijgezet op 5 juli 1912. Slordigheidje van B. de la Faille.]---
Sir Alma Tadema had in vroeger jaren zelfs deelgenomen aan de debatavonden in de Hollandsche Vereeniging en de foto's van zijn werken daar cadeau gedaan ter versiering. In zijn artistieke woning, waarin allereerst trof een buste van den kunstenaar, en de massief koperen trap, de echt-Hollandsche kamer van Mevrouw Tadema, en de beroemde vleugel waarin tientallen artisten hun namen in 't snarenbord hadden gegraveerd, ontving de kunstenaar geregeld zijn vereerders en kennissen - waaronder hij ook den dominee van de Hollandsche Kerk rekende. Hij was een zéér intiem vriend van Ds. Scheltema geweest. Dit prachtige huis is in veiling gebracht. Zoo verdween met den beroemden landgenoot ook een "sight-seeing" plaats van Londen voor de Hollandsche toeristen.
      
  H. Baart de la Faille-Wichers Hoeth, 1933.

Inline afbeelding 1    Inline afbeelding 1

Toen in 1901 het huwelijk van H.M. Koningin Wilhelmina met Hertog Hendrik van Mecklenburg Schwerin gesloten werd, hebben de Hollanders in Londen aan H.M. een eetservies aangeboden "in grondtoon van prachtig oranje met door Alma Tadema ontworpen bloemfestoenen in de vaderlandsche kleuren, roode rozen, lelietjes van dalen en vergeet-mij-nieten . . . " schrijft de Heer Reyneke van Stuwe in zijn "Geschiedenis van de Nederlandsche Vereeniging" bij haar 50-jarig bestaan.
Keramiekmuseum Princessehof, Leeuwarden.

Inline afbeelding 2
Dankdienst geboorte Beatrix, 1000 Nederlanders togen 4 febr 1938 naar de Dutch Church.
Hulton Getty Picture Collection.

Inline afbeelding 2   Inline afbeelding 5

1. Interior view of Austin Friars showing congregation listening to a sermon, 1910, Robert Randoll. De tekening is niet per ongeluk in r/l verwisseling weergegeven, zie de signatuur, dus we zien de preekstoel hier aan de zuidmuur. Het orgel hangt uiteraard nog steeds aan de oostmuur.
London Metropolitan Archives. Catalogue no. v9030669.
2. Zo zag het interieur van de Dutch Church er uit waar Wilhelmina in de vijf maanden tot de verwoesting op 16 oct. 1940 de diensten bijwoonde en bad voor de bevrijding van haar land, van haar burgers, met wie ze in Londen directer contact had dan in Nederland. Gedwongen door de situatie, zeker, maar ze schiep gelegenheid voor ontmoetingen en moedigde het voeren van gesprekken aan.
  Er is electrische verlichting te zien. De preekstoel is weer eens verbouwd en het orgel hangt achterin. De preekstoel is eronder geplaatst, voor de avondmaalstafel. Het orgelfront van l’Anson gebruikt in de panelen het patroon van de lambrizering maar verder kan ik er weinig positiefs over zeggen. De foto toont de godsdienstoefening in de Dutch Church waarin uiting werd gegeven aan blijdschap vanwege het prinselijk huwelijk.  De Sumatra Post 13 febr 1937.

1940            

Inline afbeelding 4
Bataviaasch nieuwsblad 21 oct 1940. –  Door en landmijn getroffen? Inderdaad, die hing aan een parachute.

“In October 1940 the Church was destroyed during the London Blitz. But the Dutch services continued almost without interruption in the Church of St Mary near Berkeley Square in the West End, which functioned as a focus for the Dutch refugee community throughout the war”.

Inline afbeelding 3

“May 19 [drukfout], 1941. Queen Wilhelmina at Services in bombed church, London, England: Prince Bernhard (saluting) and members of the Dutch Cabinet greet the arrival of Queen Wilhelmina at the ruins of the Dutch Church at Austin Friars for the services held on the first anniversary of the German invasion of Holland. The service in the bombed out church was organized by the Netherlands Day of Freedom Committee”. May 19 moet zijn May 10, vgl Fotocollectie Anefo / RVD Londen Nummer archiefinventaris 2.24.01.02 Bestanddeelnummer 935-1679 &c &c.
    Koningin Wilhelmina tijdens het spelen van het volkslied bij de eerste herdenkingsbijeenkomst van de Duitse inval in Nederland bij de verwoeste Dutch Church op 10 mei 1941. Achter haar leden van het oorlogskabinet, waaronder links Gerbrandy. Midden, evenals de andere militairen saluerend, J. Th. Furstner en prins Bernhard. De man met de paraplu is Paul Rijkens, tijdens de oorlog in Londen president-commissaris van het in Londen verschijnende blad Vrij Nederland, lid van de Buitengewone Raad van Advies van de Nederlandse Regering in ballingschap en voorzitter van een Nederlandse Studiegroep voor wederopbouwvraagstukken.De herdenking heeft jaarlijks plaatsgevonden, in 1942 en 1943 (in de regen!) op 10 mei precies, in 1944 op 11 mei.
Foto : Pix Photos London, Nationaal Archief/Fotocollectie Anefo, licentie CC-BY.
Nummer archiefinventaris 2.24.01.04, bestanddeelnummer 900-0371.

Inline afbeelding 2

This shows the service being held in the ruins of bombed Austin Friars to mark the first anniversary of the German invasion of Holland, 10 mei 1941. Parts of the ruined church now make up part of the new built Dutch Church (1954).
    British Towns and Villages Publishing, Copyright 2002-2016©JevStar Ltd.
    Het uiterlijk aanschijn van de herbouwde kerk brak in aesthetisch opzicht wel heel erg met het verleden. Het inwendige kwam er beter af. De akoestiek schijnt weinig onder te doen voor die van voor 1949, toen Jo Vincent en Anthon van der Horst en anderen er grammofoonopnamen lieten maken.

Uit : 'Eenzaam maar niet alleen' door Wilhelmina, koningin der Nederlanden 1880-1962. Ten Have, 1959.

Mijn radioredevoeringen spraken uiteraard niet alleen van de nieuwe tijd. Ze beoogden ook het Nederlandse volk te inspireren tot en te stijven in zijn verzet tegen de dwingeland en het op de hoogte te houden van het oorlogsbeleid der regering. Daarnevens deed ik in mijn radioredevoeringen het mijne om mijn land- en rijksgenoten in hun geestelijke strijd bij te staan en bracht ik daarin telkenmale hulde aan degenen, die hun leven voor de grote zaak hadden gegeven.
    Wetend dat het kerstfeest in ballingschap ieder moeilijk zou vallen, deed ik wat ik kon om tegemoet te komen aan het grote heimwee. Voor onze omgeving, de ministers, de vice-president van de Raad van State, de directeur van het Kabinet, bereidde ik een Nederlandse kerstboom voor op Eaton Square en op Stubbings gaf ik een Engels kerstfeest voor onze Engelse dienstbaren en de Engelse families die door bombardementen getroffen waren en dank zij de eigenares van Stubbings aldaar een gastvrij onderdak genoten. Hoe anders is de Engelse viering dan de onze!
    In 1940 kon men nog alles krijgen wat voor de kerstviering nodig is. Ieder volgend jaar werd dit minder, tot in 1944 het zelfs uiterst moeilijk was enkele kaarsen te bemachtigen. Na die eerste kerstviering besloot ik geen Engels feest meer te geven en onze viering in uiterst beperkte kring te houden. Bernhard en ik waren ieder jaar tegenwoordig bij de kerstboom voor onze zeelieden in hun grote tehuis in Londen. Ook Sint-Nicolaas liet ik in Stubbings niet onopgemerkt voorbijgaan. Tot het laatst toe gelukte het mij te strooien, maar langzamerhand moest ik daarvoor wel tot de wonderlijkste grabbel mijn toevlucht nemen. En onder dit strooien zongen wij dan in koor de ons allen zo vertrouwde Nederlandse liedjes. In zulke dagen misten wij Juliana wel bijzonder en bij haar was dat hetzelfde.
    Had het jaar 1940 voor mij in het teken gestaan van diepe bekommernis over Nederland, het jaar 1941 bracht wat dit betreft helaas geen opluchting. Het ene sombere bericht na het andere kwam uit het vaderland bij mij binnen. Duidelijk tekende zich hierin de begeerte van de bezetter af om onze beproefde nationale instellingen en levensregels te nazificeren en daardoor om te brengen en elk protest om des gewetens wil in gevangenissen en kampen te smoren.
    Bange zorg vervulde mij ten aanzien van het lot onzer Joodse medeburgers, die steeds venijniger door de vijand werden bejegend. Het nieuwe jaar kenmerkte zich door grote bedrijvigheid op de verschillende fronten, maar zonder dat deze ons enig perspectief gaf op een naderende bevrijding.
    Het aantal Engelandvaarders dat overkwam, nam allengs toe. Daarnevens kwamen, als reeds aangeduid, steeds meer personen over, die belast waren met het overbrengen van boodschappen uit het vaderland, waardoor wij ons een voorstelling konden maken hoe benard de toestand thuis geworden was. In de eerste helft van maart vernam ik van een vrij talrijke groep Engelandvaarders, dat kort tevoren in Amsterdam een staking was geweest uit protest tegen de maatregelen van de nazi's tegen onze Joodse landgenoten; enkelen uit deze groep waren zelf ter plaatse toen het werk werd neergelegd. Langzaam kroop die winter de tijd voorbij. De eerste verjaardag van Juliana in Canada, zóver van ons, was een moeilijke dag. Dat was de dertigste april overigens ook de volgende jaren.
    Op 10 mei had de eerste herdenking van de verraderlijke overval plaats op de puinhopen van onze oude historische kerk in Austin Friars, die tot op haar fundamenten door de bombardementen vernield was. Dit was een indrukwekkend ogenblik; al overvleugelde voor mij de gedachte aan al het lijden dat men daar aan de overzijde der zee doorstond en nog doorstaan zoude, bij verre de indruk van hetgeen om mij heen gebeurde. Ook de latere jaren kwam men op de tiende mei op deze plaats samen. Ik was daar die latere keren niet bij tegenwoordig, omdat ik er de voorkeur aan gaf mij per radio tot allen thuis te richten en, zij het uit de verte, deze smartelijke datum met hen te gedenken.
    Zo werd het 22 juni, de dag waarop de Duitsers zich keerden tegen hun vrienden en helpers de Russen, even onverwacht als zij zich indertijd op ons land wierpen. Dit bericht veroorzaakte grote vreugde onder de bondgenoten en niet minder bij mij. Ik herinner mij nog de vreugdevolle, bijna jubelende rede van Churchill waarin hij de nieuwe bondgenoten als zodanig verwelkomde.


JOHANNES MESSCHAERT 1857-1922

De families Alma, Mesdag, Tadema en Messchaert waren onderling door huwelijken vermaagschapt.

~~~~~~~ ~~~~~~ ~~~~~ ~~~~ ~~~ ~~~~ ~~~~~ ~~~~~~ ~~~~~~~


ALMA

Adrianus Alma (*Amsterdam 4 sept 1806, † Santpoort 5 juni 1888) ? Amsterdam 3 dec 1836 Ybeltje Stelwagen (*Workum 16 juni 1816, † Amsterdam 22 oct 1880)

Kinderen uit dit huwelijk :
- Cornelia Margaretha (1837-1852)
- Sjoukje (1839-1896)
- Johanna Jacoba (1841-1858)
- Petrus (1843-1891)
- Laurens Adrianus (1848-1888)
- Johannes Jacobus (1853-1870)
- Cornelia Margaretha (1856-1941)
- Johanna Jacoba (1860-1935) ? Johannes Martinus Messchaert, de zanger.
Met dit echtpaar correspondeerden de Tadema's.

Een oudere broer van Adrianus Alma *1806 was Laurens Alma (*Amsterdam 6 sept 1802, † Amsterdam 5 apr 1876) ? Bolsward 26 sept 1830 Engeltje Brouwer (*Bolsward 6 febr 1807, † Amsterdam 17 sept 1847).

De ouders van Laurens en Adrianus Alma : Petrus Adrianus Alma (1770-1831) en Cornelia Margaretha van Hulst (1771-1831) waren doopsgezind.

 

Inline afbeelding 2

Johannes Messchaert en Johanna Alma (coll. Suus Messchaert-Heering).

~~~~~~~ ~~~~~~ ~~~~~ ~~~~ ~~~ ~~~~ ~~~~~ ~~~~~~ ~~~~~~~


MESDAG

Dirk Wopkes Brouwer, goudsmid (*Workum 12 jan 1769, † Bolsward 21 dec 1825) ? Marijke Bouwman (*1773, † Bolsward 18 dec 1802)
Kinderen uit dit huwelijk :
- Artje [Dirks] (*Workum 13 aug 1798, † Makkum 22 oct 1831) ? Bolsward 17 oct 1824 Pieter Jeltes Tadema (*Bolsward 31 mei 1797, † Leeuwarden 8 sept 1840),
- Wopke ? Bolsward 21 mei 1826 Dieuwke Mesdag (*Bolsward 5 febr 1803, † Bolsward 19 juli 1865)
- Henderikus ? Sara Cremer

Dirk Wopkes Brouwer (*Workum 12 jan 1769, † Bolsward 21 dec 1825) ?? Remelia (Riemke) Mesdag (*Bolsward 17 apr 1782, † 22 juni 1815)
Kinderen uit dit huwelijk :
- Engeltje Brouwer (1807-1847) ? Laurens Alma
- Hinke [Dirks] (*Bolsward 15 mrt 1809, † Antwerpen 3 jan 1863) ? Menaldumadeel 8 nov 1832 Pieter Jeltes Tadema (*Bolsward 31 mei 1797, † Leeuwarden 8 sept 1840)
- Julia (*Bolsward 21 mei 1813, † Leeuwarden 12 apr 1853) ? Pieter Adama (1807-1888)

Een broer van bovengenoemde Riemke *1782 en Dieuwke *1803 was Claas Mesdag (*3 apr 1795, † Groningen 4 febr 1881). Claas Mesdag (doopsgezind) was stijfselfabriceur, koopman, graanhandelaar en bankier. Hij richtte de Bank Mesdag & Zonen N.V. op. Zijn zonen Hendrik Willem Mesdag en Taco werden kunstschilder, hij is 9 mei 1825 getrouwd met Johanna Willemina van Giffen (*Groningen 28 febr 1802, † Groningen 4 maart 1835). Uit dit huwelijk :
Hendrik Willem Mesdag (*Groningen 23 febr 1831, † den Haag 10 juli 1915), bankier, schilder en collectionneur, Laan van Meerdervoort 177, ? Groningen 23 apr 1856 Sientje van Houten (Groningen 23 dec 1834 - den Haag 20 mrt 1909).
Inline afbeelding 1      

Toen de vader van Sientje van Houten in 1866 overleed erfde zij een ruim kapitaal waarmee de wens van haar echtgenoot Hendrik Willem Mesdag in vervulling kon gaan. Hij kon nu, 35 jaar oud, kiezen voor het schildersvak, en ging in de leer bij Alma Tadema (artistiek, maar vooral zakelijk).
   In 1881 schilderde Sientje mee aan het Panorama Mesdag, ze deed het dorp Scheveningen en de binnenhaven (Scheen 1981). Mesdag portretteerde haar terwijl ze daarmee bezig was. In het Panorama zelf is zij, zittend voor haar schildersezel onder een witte parasol, afgebeeld.
https://www.haagshistorischmuseum.nl/wandelpunt/sientje-van-houten-mesdag-een-kunstamazone

~~~~~~~ ~~~~~~ ~~~~~ ~~~~ ~~~ ~~~~ ~~~~~ ~~~~~~ ~~~~~~~


TADEMA

Pieter Jeltes Tadema (*Bolsward 31 mei 1797, † Leeuwarden 8 sept 1840) ? (Menaldumadeel 17 oct 1824) Artje [Dirks] Brouwer (*Workum 13 aug 1798, † Makkum 22 okt 1831)
Kinderen uit dit eerste huwelijk :
- Dirk (1825-1884)
- Jelte Zacharias (1827-?)
- Wopke (1829-?)
- Marijke (1831-1832)

Pieter Jeltes Tadema *1797 ? ✕(Dronrijp 8 nov 1832) Hinke [Dirks] Brouwer *Bolsward 15 mrt 1809, † Antwerpen 3 jan 1863.

Inline afbeelding 3
Leeuwarder Courant 20 nov 1832

Kinderen uit dit tweede huwelijk :
- Henricus Antonius van Ringh Tadema (*Dronrijp 31 dec 1833, † Dronrijp 16 apr 1836)
- Lourens Alma Tadema (*Dronrijp 8 jan 1836, † Wiesbaden 25 juni 1912), de schilder
- Artje Brouwer Tadema (*Leeuwarden 27 apr 1839, † Mayaguez, Puerto Rico, 22 mrt 1875) ? 1873 Hermann Rodeck, lithograaf van Duitse afkomst.

Inline afbeelding 2
Leeuwarder Courant 19 apr 1836

      Inline afbeelding 2         Inline afbeelding 1                  Inline afbeelding 1

Artje Brouwer Tadema, twee foto's.
1.  Joseph Dupont : Artje Brouwer Tadema, assise, de trois-quarts avant 1860 épreuve sur papier albuminé à partir d'un négatif verre au collodion, contrecollée sur carton H. 0.1 ; L. 0.06 Musée d'Orsay, Paris, France ©photo musée d'Orsay / rmn   Album de photographies de famille du peintre Lawrence Alma-Tadema. De foto is van voor 1860.
2.  J. M. de Terreforte : Artje Rodeck (née Brouwer Tadema), en buste, de trois-quarts en 1874 épreuve sur papier albuminé à partir d'un négatif verre au collodion, contrecollée sur carton H. 0.1 ; L. 0.06 Musée d'Orsay, Paris, France
©droit réservé - photo musée d'Orsay / rmn. Lieu d'activité : Porto Rico vers 1874.

3.  Anna Alma Tadema. Wikipedia © Public Domain.

Inline afbeelding 2      Inline afbeelding 5

1. Anna, geschilderd door haar vader, 1883. 2.  Anna, zelfportret. Wikipedia © Public Domain.

Inline afbeelding 1

Lawrence Alma Tadema met zijn dochters Anna en Laurence in strandstoelen op het strand van Scheveningen.
[00025] Collectie Panorama Mesdag.

Uit "Rodeck / née Brouwer Tadema" blijkt dat het museum niet wist, en ook niet kón weten, dat Brouwer haar tweede voornaam was en niet haar eerste achternaam, anders gezegd het eerste lid van een dubbele achternaam.
   Het gaat hier om een vernoeming, bedoeld om de nagedachtenis van een overledene met zijn of haar naam als aandenken te laten voortleven ; maar het paste minder goed in een streven naar versteviging van de stamboom door continuIteit, omdat buitenstaanders Brouwer Tadema voor een dubbele achternaam zouden houden, en dan zou Tadema er af kunnen 'slijten'. Johan de Vroe (1717-1774) trouwde in 1746 met Anna Maria ten Hagen, dochter van Jacob ten Hagen en Neeltje Bijl. Hun zoon Govert (1762-1859) nam eerst de naam De Vroe Bijl aan, later gewijzigd naar Bijl de Vroe; die laatste familienaam werd vervolgens door zijn nageslacht gevoerd, waarbij 'Bijl' weleens wegviel.
   Herhaling werd vooral bij de voornaam van stamhouders wel toegepast – in mijn eigen voorouders Willem - Dirk - Willem - Dirk - Willem, bij Haasse Willem - Willem - Willem - Willem - Willem. Wat Pieter Jeltes Tadema, die als notaris geweten moet hebben dat hij de wet overtrad, ertoe dreef de kinderen uit zijn tweede huwelijk niet-rechtsgeldige namen te geven en daarmee een wankele identiteit te bezorgen, is moeilijk te begrijpen – denk eens aan de problemen die bij het afwikkelen van een erfenis kunnen ontstaan. Het vemengen van familienamen is ook in tegenspraak met
      Door jou kan onze stamboom blijven groeien.
      door jou blijft ons geslacht nog voortbestaan,
      jij laat de naam – de naam van de FAMILIE,
      al weer een generatie verder gaan.
                              (Geboortedichtjes, Marianne Busser en Ron Schröder)

~~~~~~~ ~~~~~~ ~~~~~ ~~~~ ~~~ ~~~~ ~~~~~ ~~~~~~ ~~~~~~~


Johannes Martinus Messchaert DATA  *Hoorn 22 aug 1857, † Zürich 9 sept 1922. Zoon van Pieter Messchaert (*Hoorn 15 juni 1818, † Hoorn 26 febr 1892) en Maria Schouman (*Dordrecht 6 nov 1824, † Hoorn 6 maart 1897). Ze waren doopsgezind. Pieter had een ijzerwarenhandel en woonde Breed 26. Johan kreeg als kind viool-, zang- en pianolessen. Richtte 1870 met zijn vriend Adriaan Brouwer de ‘Jeugdige Muziekvereeniging Oefening’ op, die onder Johans leiding haar eerste uitvoering gaf.
   Bezocht van sept 1871 tot juli 1873 de Rijks-H.B.S. in Hoorn. Dat was geen succes. Kon in Arnhem bij de firma van Zoest, in bloemen en zaden, als leerjongen aan de slag. Op aanraden van H. A. Meijroos en met goedkeuring van zijn vader verliep dat anders. Messchaert sr kende Meijroos van het muziekgezelschap Sappho dat laatstgenoemde in Hoorn had opgericht en waarvan senior 33 jaar president is geweest. Junior werd bij Meijroos in huis opgenomen en kreeg vioolles van hem. Nog in 1873 kreeg hij een plaats als 2e violist in het concert-orkest St. Caecilia en het orkest van de Duitse opera in Arnhem, beide o.l.v. Meijroos, en werd bovendien lid van de Arnhemsche Zangvereeniging Euphonia, waar zijn stem opviel en hij goede vocale adviezen kreeg. Bij de bloemist kan een insectenbeet of -steek in de keel of het werken met verf of een bestrijdingsmiddel de oorzaak van zijn latere keelklachten geweest zijn. Een daar opgewekte allergie behoort ook tot de mogelijkheden.
   Meijroos liet hem de bassolo zingen in Der Rose Pilgerfahrt van Schumann, in 1876 in de Elias van Mendelssohn. Messchaert besloot beroepszanger te worden en ging in 1877 naar het Conservatorium in Keulen. Hij wierp zich op lied- en oratoriumzang, viool, harmonie- en compositieleer. In 1878 naar Dr. Hoch's Konservatorium Frankfort/Main (o.a. les van Julius Stockhausen). In 1879 naar de Königliche Musikschule München.
   Bezocht zomer 1881 zijn ouders in Hoorn, kreeg aansluitend uitnodiging van Daniël de Lange om te zingen in het Amsterdamsch A Capella Koor. Eerste contacten met Julius Röntgen. Verhuisde 9 jan 1882 naar Amsterdam, Vijzelstraat 59. Leraar Amsterdamse Toonkunstmuziekschool. 1884 directeur van Liedertafel Euterpe (in oct 1894 ontslag genomen). Werd 1884 hoofdleraar Conservatorium Amsterdam dat hij mede had opgericht. In deze jaren gaf hij vele concerten. Trad op als solist, als dirigent, als korist bij Daniel de Lange.
   Huwde 30 juli 1885 Johanna Jacoba Alma (Jo, *Amsterdam 27 dec 1860, † Zürich 16 aug 1935), dochter van Adrianus Alma (*Amsterdam 4 sept 1806, † Santpoort 5 juni 1888) en Ybeltje Stelwagen (*Workum 16 juni 1816, † Amsterdam 22 oct 1880). Stond ingeschreven per sept 1885 op Vondelstraat 8, Amsterdam (met zijn vrouw bij zijn schoonvader en zwager in huis). Op 10 mei 1886 werd de tweeling Maria en Elisabeth (Els en Mieke) geboren. 16 sept 1892 verhuisde het gezin naar Plantage Parklaan 14.
   In juni 1896 richtte JM een Vocaal Quartet op met Aaltje Noordewier, Cato Loman en Johan Rogmans. In nov 1897 hield hij er weer mee op. Kranten meldden dat 19 nov 1897 in Wenen de diagnose 'Kehlkopf-Catarrh" gesteld was. JM zei alles af en ging naar huis. Afspraken in jan 1898 in Wenen hoopte hij weer te kunnen nakomen. In A'dam, aan de Vondelstraat 51 liet JM een huis bouwen dat hij Villa Johanna doopte en 15 febr 1899 betrok. Dit pand, ontworpen door architect van Arkel, staat als Huize Johanna op de lijst Monumentenzorg.
   In sept 1899 richtte JM Het Amsterdamsch A Capellakoor op dat hij na 30 repetities en 17 concerten in nov van dat jaar vaarwel zei. Daarover ontstond enige opschudding (zie verderop Polemiek I).
   In juli 1900 richtte hij het Amsterdamsch Vocaal Quartet op (Kappel, Blaauw, Tijssen, JM). Dit ensemble heeft geen enkel concert gegeven. Messchaert verliet het kwartet al in sept 1900. Wederom reuring (Polemiek II). Op 8 aug 1900 was Messschaert naar Wiesbaden verhuisd, in 1903 naar Frankfort (op medisch advies). JM was hier leraar aan het Hoch'sche Konservatorium, in 1907 mocht hij zich professor noemen. in 1911 kreeg JM een aanstelling aan de Königliche Hochschule für Musik in Charlottenburg. Het gezin ging in Berlijn wonen.
   Intussen maakte hij vele concertreizen door heel Europa, daarnaast stond iedere winter een tournee door NL met Röntgen op het programma, evenals de jaarlijkse MP bij Mengelberg en de zomerrecitals in Wenen. Maar steeds vaker moest hij door physieke klachten concerten afzeggen en in 1917 kwam het einde met de laatste MP in Amsterdam bij Mengelberg. Hij verhuisde in 1919 uit de Duitse chaos naar Zürich, waar hij vanaf 1920 met een aanstelling bij het Konservatorium für Musik ook financieel weer vaste grond onder de voeten kreeg.
   Op 9 sept 1922 is Johannes Martinus Messchaert in Zürich overleden aan complicaties bij een blindedarmoperatie. Gecremeerd, de urn is bijgezet op Friedhof Sihlfeld, Zürich.

Messchaert wordt kortheidshalve soms met M. of JM aangeduid, Julius Röntgen met JR.


Pieter Messchaert (*Hoorn 15 juni 1818, † Hoorn 26 febr 1892) ? Dordrecht 13 apr 1848 Maria Schouman (*Dordrecht 6 nov 1824, † Hoorn 6 maart 1897, d.v. Aplonius Schouman en Sophia de Koningh
          Kinderen uit dit huwelijk :
- Nicolaas Aplonius, *Hoorn 17 febr 1851, † Den Haag 19 mrt 1899
- Pieter Johannes, *Hoorn 14 apr 1854, † Hoorn 18 mrt 1919
- Johannes Martinus, *Hoorn 22 aug 1857, ? Amsterdam 1885 Johanna Jacoba Alma, † Zürixh 9 sept 1922

Inline afbeelding 1      

Nieuwe Hoornsche Courant, 8 juli 1885.

 

Het woonhuis Vondelstraat 8 moest in 1928 wijken voor de bouw van het grote A.M.V.J.-gebouw, hoek Leidseboschje. Röntgen p. 212 schrijft 1920.

Johanna en Johannes verloofden zich op 22 maart 1885 en gingen op 4 juli 1885 in ondertrouw. Na de receptie op 10 juli 1885 ging Messchaert met het koor van Daniel de Lange naar Londen. Ook Catharina Rennes ging als koorlid mee. Het huwelijk vond op 30 juli 1885 in Amsterdam plaats.

Inline afbeelding 3
Coll. Johan Messchaert, nummer toegang 1509, inventarisnummer AIV2, Westfries Archief Hoorn.

Johannes Martinus Messchaert (*Hoorn 22 aug 1857, † Zürich 9 sept 1922) ? Amsterdam 30 juli 1885 Johanna Jacoba Alma (*Amsterdam 27 dec 1860, † Zürich 16 aug 1935), d.v. Adrianus Alma en Iebeltje (Ybeltje) Stelwagen. Ze hadden twee dochters, een tweeling, die ongehuwd zijn gebleven.
  Bernard Zweers componeerde een lied "Ter eere van het engagement van Joh. Messchaert en Johanna Alma 1885".

Zie Mieke Canneman, Johannes Messschaert (1969) WFO S 1968, no. 36, pp. 77-95. Deze auteur noemt twee à capella ensembles van Daniël de Lange waaraan Messchaert zijn medewerking verleende en wel voor de jaren 1881 en 1891. De datering van het bestaan van de vier ad hoc à capella ensembles van De Lange is 1881, 1885 (tournee Londen), 1892/93 (tournee Wenen), 1894 Londen.

Messchaert was in Londen :
met het Amsterdamsch a Capella Koor o.l.v. Daniel de Lange in 1885 (in de Royal Albert Hall), 1891 medewerking benefiet-concert in the Dutch Church, 1894 met koor Daniel de Lange in Queen's Hall, 1895 recital met Röntgen en op bezoek bij Tadema, 1897 solist in Bach's Hohe Messe in Queen's Hall met Joachim op viool, 1899 met Röntgen in St. James's Hall, 1903 in Beethoven IX in St. James's Hall.

Inline afbeelding 5
Foto uit 1912  —  Westfries Archief Beeldbank Hoorn, Johan Messchaert foto-L0288

– Pieter Messchaert *1818 was winkelier in ijzerwaren aan het Breed 36 te Hoorn.
– Zijn zoon Jo Messchaert tekende graag. Hij speelde viool, piano en orgel. Zijn moeder (Maria Schouman) kwam uit een Dordts geslacht dat schilders had voortgebracht. In het Westfries Archief zijn wat tekeningetjes van zijn hand te zien. De belangstelling van Messchaert voor Tadema en zijn kunst laat zich raden. Tadema was van huis uit met (orgel)muziek grootgebracht. Zo past dat alles in en bij elkaar.

Messchaert sr. is 33 jaar lang president geweest van de roemrijke Hoornse muziekvereniging Sappho, destijds bestaande uit een mannenkoor en een eigen orkest. Op deze wijze gaf vader vorm aan zijn muzikale interesse.
In Pieter Post, Geschiedenis van het doopsgezinde kerklied (1793-1973) valt te lezen dat er in 1842 onvrede bestond binnen de doopgezinde kerk over het gezangenboek. Er werd een nieuwe bundel samengesteld en diaken Messchaert, ijzerkoopman, lid van de KvK, voorzitter van Sappho en vader van JM reageerde terzake in een brief aan de commissie.

Het koor Sappho, in 1851 opgericht als Liedertafel door Hendrik Arnold Meijroos, is thans een gemengde zangvereniging en behoort tot de oudste zangkoren van het land. Het heeft een eigen (klein) orkest gehad. Het oude Sappho organiseerde zangconcoursen. In de jury zaten :

                         De mannenzangvereeniging Sappho, te Hoorn, zal
             21 Aug., 17 Sept., 8 en 29 Oct. e. k. een nationalen wedstrijd
                        doen houden in drie afdeelingen :
Inline afbeelding 3
      Inline afbeelding 1

                1. Algemeen Handelsblad 14 juli 1882. — 2. Kwartaalblad Vereniging Oud Hoorn 1991.
Meijroos schreef zijn naam dus niet als Meyroos, zoals (te) vaak te lezen is. Vermeld mag ook worden dat Aaltje Reddingius (*1868) haar pianospel o.a. bij Meijroos zover had ontwikkeld, dat ze in 1886 op het conservatorium in Amsterdam direkt bij De Pauw terecht kon. Aaltje Reddingius (na 11 juli 1893 Aaltje Nassau Noordewier-Reddingius) is bij hem blijven doorstuderen, ook toen de zangstudie hoofdzaak was geworden. Zij heeft het tot het vierde pianoconcert van Beethoven gebracht ! De begeleiding van de liederen die zij zelf of met haar leerlingen instudeerde, heeft zij tot op hoge leeftijd zelf op zich kunnen nemen. Vele kopstukken uit die tijd beheersten meerdere instrumenten. Kort nadat Aaltje bij de Pauw was begonnen koos ze voor zang als hoofdvak. Messchaert werd haar leraar.

Inline afbeelding 2
1702-17_21 DTB Hoorn 21. Gereformeerde lidmatenlijst, 1827-1864, Westfries Archief.

Rudolf Loman, Daniel de Lange en Johannes Messchaert werkten samen in het kerkgebouw der Ev. Luth. Gemeente Amsterdam, bij vermoedelijk het eerste optreden van het in 1881 opgerichte a cappellakoor [A. Spoel = Arnold Spoel]. Het programma bestond geheel uit oude meesters, Obrecht, Sweelinck, Lassus, souterliedekens :

De uitvoering werd ingeleid door de heer R u d.  L o m a n, die verdienstelijk op het orgel de 'Fantasie en Fuga in G-mol van J. S. Bach speelde ; de zangstukken werden voorgedragen door de dames W i l h e l m i n a  G i p s  en  C. F. T i m m e r s, sopranen, C. E s s e r, K. G r i e p e k h o v e n  en  C. V e l t m a n, alt ; de heeren R. v a n  B r u c k en J. J. R o g m a n s, tenoren, en J. M. M e s s c h a e r t, A. [Arnold] S p o e l, bassen. Hunne taak werd met liefde vervuld en de indruk dien het meerendeel der werken maakte, was diep en laat schoone herinneringen na. [...]
Men kon van harte D a n i ë l  d e  L a n g e  toejuichen en zijne medewerkers, inzonderheid Mej. G i p s en den baszanger M e s s c h a e r t, die het leeuwendeel in het succes van de uitvoering hadden door hun schoon geluid en artistieke voordracht.
   De heer  d e  L a n g e  leidde met vaste en geoefende hand, met geestdrift en blijkbare ingenomenheid dit fraaie concert, maar ook de uitvoerende krachten warwn voor haar taak berekend. Goede opvatting paarde zich aan eenheid bij het invallen, aan kracht en schakeering ; de zorgvuldige uitspraak, dit zwakke punt in menig groot en klein koor, maakte het gedrukt programma overbodig. [...]

          Algemeen Handelsblad 3 oct 1881

In Felix Meritis werd het Brederoofeest geopend. O.a. mej. J. Alma en den heer Messchaert (aan de piano) verleenden hun medewerking.

Inline afbeelding 1
Delftsche courant 1 april 1885


        C a t h a r i n a   v a n   R e n n e s
                            (2 augustus 1858 - 23 november 1940)

Messchaert en van Rennes

[ – Kortheidshalve worden Van Rennes en Messchaert hier en daar afgekort tot Renn en Mess of CvR en JM ]
[ – Van Rennes werd door mensen die haar niet kenden vaak met de klemtoon op 'Ren' aangesproken. Daarom ondertekende ze in corrrespondentie om pijnlijkheden bij een ontmoeting te voorkomen met C. van Rennès.

Catharina van Rennes werd 4 aug 1858 geboren als dochter van Jan van Rennes, koopman, en Marianna Josepha de Jong, Mariaplaats E 439 in Utrecht. Catootje ging naar de bewaarschool aan de Springweg vlakbij, waar haar mooie zuivere stemmetje al spoedig opviel. Daarna kwam ze op de Marnixschool, nu rijksmonument, even verderop aan de Springweg. Cato was niet verlegen, had ook de drang zich te uiten. Zo maakte ze van elastiekjes en stukjes hout een harpje, verzon er een verhaaltje bij en droeg het voor in de klas. Juf Maria Wefers Bettink pakte het harpje af maar vond het toch wel zo bijzonder dat ze het teruggaf. “De componiste heeft haar voor deze geste later schitterend beloond, door haar bij haar 25-jarig jubileum de fraaie cantate toe te wijden, die met omgewerkten tekst werd uitgegeven onder den titel De schoonste Feestdag, en die tot het allerbeste behoort, wat zij geschreven heeft”. De juf liet Cato voorzingen bij Cornelis Coenen (1838-1913) violist, kapelmeester, zangmeester aan een hogere klas van de school. Dat was een dusdanig succes dat Cato in 1870 op de zangschool van Van Schaik mocht, maar al spoedig naar de muziekschool van Richard Hol promoveerde. Allengs werd haar talent in klein bestek buiten het ouderlijk huis 'officieel' bekend.
   In juli 1884 zat Messchaert in de examencommissie eerstegraadsbevoegdheid zangonderricht. Catharina van Rennes was een van de candidaten. Ze zong o.m. het liedje 'De eerste kus', waarin tot teleurstelling van menig jurylid het poëtisch moment beschreven wordt waarop de zon bij het eerste morgenkrieken de aarde kust, maar ze maakte er veel indruk mee, erg veel indruk. Volgens schrijfster Marjan Berk stal Messschaert na afloop een kusje van de geëxamineerde Catharina, tersluiks in de gang, en zei haar zacht : "Dit is beter dan die zonsopgang van jou!" Hij liet haar achter met een hartje dat razend tegen de baleinen van haar korset sloeg. Als het waar is begon toen een relatie op afstand die voor Cath. toch wel tragisch genoemd kan worden. Maar als het niet in haar Gedenkbladen staat is het een verzinsel.
  De Gedenkbladen aan mijn muzikale opvoeding gewijd (1885) moeten in het NMI liggen. Navraag bij zowel het NMI als bij de KB heeft niets opgeleverd.

- In juli 1885 zongen Johan en Catharina samen bij Daniel de Lange in de concertreeks van zijn koor (die zich tot in Londen uitstrekte). De tournee nam de hele maand juli van dat jaar in beslag.
         Op 30 juli 1885 huwde Messchaert Johanna Alma.
– 15 sept 1885 brief van Rennes aan Messchaert. Catharina vraagt om zanglessen, zoals afgesproken in Londen.
– Catharina krijgt nu iedere dinsdag zangles van Messchaert.
– 6 juni 1886 brief van Rennes aan Mess waarin ze Mess probeert te overreden niet naar het buitenland te vertrekken.
– 18 maart 1887 brief van Renn. aan Mess. Ze vraagt of ze boven haar pas gecomponeerde liederen (uit te geven bij de Alg. Muziekh.) ‘Herrn Joh. Messchaert Hochachtungsvoll gewidmet’ mag schrijven.
– In juni 1887 kwam Abschiedsklänge in de handel.

Inline afbeelding 1
Inline afbeelding 2
          Arnhemsche courant 10 maart 1883
      Inline afbeelding 4
          Algemeen Handelsblad 21 jan 1891

Inline afbeelding 3
          Leeuwarder courant 7 maart 1888   -   Kunstnieuws
     

Stemgebruik, techniek en voordracht van Catharina zullen veel overeenkomst met die van Messchaert gehad hebben. Waar Messchaert zowel liederen als oratorium zong en soms in een opera optrad, voelde van Rennes zich, ook als componiste, vooral tot de liedkunst aangetrokken, met een duidelijke voorkeur voor het kinderlied. Liever nog dan concerteren gaf zij opvoedkundige zanglessen, waarbij ze Dalcroze (euritmie), solfège, improvisatie betrok. Haar didactiek sloot levenslessen in, Dat verklaart de dankbaarheid die haar bij haar jubileum ten deel viel. Juliana en Jo Vincent hebben les van haar gehad.


J. D. C. van Dokkum schreef Mannen en Vrouwen van Beteekenis. Levens- en Karakterschetsen, Catharina van Rennes, 1917. Van Dokkum heeft onder de naam Freia veel teksten voor Van Rennès geschreven.
    Vanaf blz 16 in het boekje van Van Dokkum staat het deel uit de 'Gedenkbladen' van Rennes dat Berk heeft overgenomen in haar boekje vanaf blz 36. De Gedenkbladen aan mijn muzikale opvoeding gewijd (1885) moeten in het NMI liggen. Navraag bij zowel het NMI als bij de KB heeft niets opgeleverd.

                C o m p o s i t i e s    v a n   C a t h a r i n a    v a n    R e n n e s
                          die mogelijk samenhangen met de relatie Messchaert – van Rennes

 
——————————
         Abschiedsklänge -- 3 Lieder für eine tiefe Stimme, Opus 7.
         Herrn Joh. Messchaert hochachtungsvoll gewidmet.
         De Algemeene Muziekhandel Amsterdam, 1887.
Op.  7  no  1    Wohl waren es Tage der Sonne.  1887. Tekst : Emanuel von Geibel (1815-1884).
Op.  7  no  2     Viel Vögel sind geflogen.  1887. Tekst : Robert Hamerling (1830-1889).
Op.  7  no  3     Einst wohnte süsse Ruh.  1887. Tekst : Christian Ludwig [von] Reissig (1784-1847).
——————————
Op. 13 no 7     Lebewohl, lebe wohl, mein Lieb ! 1890. Opgedragen aan Agatha Snellen, kinderboekenschrijfster (Utrecht 1862-1948). Tekst : J. L. Uhland (1787-1862). Staat in de bundel  Im Freien, 8 Duette für Sopran und Alt. Frankfurt a/M., Steyl & Thomas.
——————————
         Zwei Lieder für eine tiefe Singstimme mit Pianofortebegleitung. 1892. De Alg. Muz.h. Amst.
         opgedragen aan Betsy Eyken-Sluyters, een altzangeres..
Op. 19 no  1     Wenn dein ich denk.  Georg Freiherr von Dyherrn (1848-1878).  1892.
Op. 19 no  2      Ein Lebewohl.  1892.   Tekstdichter onbekend.
——————————
         Zwei ernste Lieder für eine tiefe Stimme, op 43.  Uitg. Haagsche Boekhandel en Uitgevers-maatschappij c 1899.        Autogr gesgneerd oct. 1894.
Op. 43 no  1     Schlichtes Lied.  1894.   Tekst van U. B.
Op. 43 no  2     Leidesahnung.  1894.   Tekst Emil Claar (1842-1930).
——————————
Op. 55 no 1   Dorpskinderdans. 1907. In de bundel Zon en Zang op. 55 no 1. Woorden van W. F. Gouwe, Deutsche Übersetzung von C. C. V. Uitg. Jac. van Rennes en Südd. Musikverlag G.m.b.H., Strassburg i. E.. De bundel is aan “COR VÔUTE in vriendschap opgedragen 28 Aug. 1907”. Maar nr 4 van de bundel is "Voor Julius Róntgen op 9 mei 1905". In dezelfde bundel is de Dorpskinderdans niet aan Messchaert opgedragen, hoewel Rennes in haar brief van 22 juni 1906 Messchaert (nogmaals?) om toestemming tot opdragen vroeg. In het Alg. Hbl. had S. Z. al maanden eerder geschreven :

KUNST EN WETENSCHAPPEN Messchaert-Röntgen  —  In mijn bericht over den liederenavond, gisteren gegeven in de kleine zaal van het Concertgebouw, had ik van de Instantaneetjes nog afzonderlijk moeten vermelden een "Dorpskinderen-dans', nog niet gedrukt en door Catharina van Rennes aan Messchaert opgedragen. Een alleraardigst instantaneetje : de kinderen dansen om den lindeboom, in zonneglans ; de pastoor blijft toeven en knikt ze toe ; het keffertje keft er de voetjes aan en danst met den kringelrei rond. W. F. Gouwe schreef de versjes, die, in melodie en rhythme, een ècht Rennesje zijn geworden. Messchaert heeft 't tweemaal gezongen.   S. Z.
          Algemeen Handelsblad 1 feb 1906.          S. Z. is Sibmacher Zijnen.

Uitgever Jac. van Rennes ging kennelijk niet altijd even zorgvuldig te werk. Of zit er iets anders achter ? Eigenaardig is ook dat de pianopartij van het aan pianist Röntgen opgedragen lied niets, helemaal niets extra's voor de pianist bevat om zich even mee te onderscheiden.
——————————

Inline afbeelding 1
    

De eerste zin van dit knipseltje klopt natuurlijk niet. Rennes had al eerder liederen voor volwassenen geschreven.

 


Caecilia 15 juli 1894.


L i e d t e k s t e n 

 Tekst : Emanuel Geibel, Mädchenlieder Nr. 3. Het gedicht heeft geen titel. Muziek Cath. van Rennes op. 7 N°1.

Wohl waren es Tage der Sonne,
Die Bäume blühten im Mai,
Dein Blick sprach Liebeswonne -
Das ist vorbei.
mm Verblüht sind lange die Bäume,
Der Herbst ist kommen geschwind ;
Die Träume, die schönen Träume
Verweht der Wind.


• Viel Vögel sind geflogen   Op. 7 N°2.
Tekst : Robert Hamerling (1830-1889), Muziek : Cath. van Rennes

Viel Träume

Viel Vögel sind geflogen,
Viel Blumen sind verblüht,
Viel Wolken sind gezogen,
Viel Sterne sind verglüht ;

mm m
m

Vo
m Fels aus Waldesbronnen
Sind Wasser viel geschäumt :
Viel Träume sind zerronnen,
Die du, mein Herz, geträumt.


• Einst wohnte süsse Ruh    Op. 7 N°3.
Gedicht : Christian Ludwig [von] Reissig (1783-1822), muziek : Cath. van Rennes.

An die ferne Geliebte

Einst wohnten süße Ruh’ und gold’ner Frieden
In meiner Brust;
Nun mischt sich Wehmut, ach! seit wir geschieden,
In jede Lust.

  Stets mahn’ es flehend deine schöne Seele,
Was Liebe spricht:
“Ach Freund! den ich aus einer Welt erwähle,
Vergiß mein nicht!”
Der Trennung Stunde hör’ ich immer hallen
So dumpf und hohl,
Mir tönt im Abendlied der Nachtigallen
Dein Lebewohl!

  Wenn sanft ein Lüftchen deine Locken kräuselt
Im Mondenlicht;
Das ist mein Geist, der flehend dich umsäuselt:
“Vergiß mein nicht!”
Wohin ich wandle, schwebt vor meinen Blicken
Dein holdes Bild,
Das mir mit banger Sehnsucht und Entzücken
Den Busen füllt.
  Wirst du im Vollmondschein dich nach mir sehnen,
Wie Zephyrs Weh’n
Wird dir’s melodisch durch die Lüfte tönen:
“Auf Wiederseh’n!”


Van Rennes maakte daarvan (voordrachtsaanwijzingen toegevoegd TK) :
[Wehmüthig.] Einst wohnten süße Ruh und goldner Frieden in meiner Brust. Nun mischt sich Wehmuth, nun mischt sich Wehmuth, ach ! seit wir geschieden, in jede Lust. – [belebter] Wohin ich wandle schwebt vor meinen Blicken dein holdes Bild, dein holdes Bild. Das mir mit banger Sehnsucht und Entzücken den Busen füllt. –  [dim. e rit.] Der Trennung Stunde hör' ich immer hallen so dumpf und hohl, so dumpf und hohl, [poco stringendo] mir tönt im Lied der Nachtigallen dein Lebewohl, dein [rit.] Lebewohl ! – tussenspel piano [ben cantando e espress.]  [Wie im Traume - un poco più lento] Einst wohnten süsse Ruh und goldner Frieden in meiner Brust. Nun mischt sich Wehmuth, nun mischt sich Wehmuth seit wir geschieden, [rit.] in jede Lust.

– In maart 1888 zong Messchaert uit Abschiedsklänge het lied Einst wohnte süsse Ruh.

Van Rennes heeft ook muziek geschreven op de onderstaande teksten. Für eine tiefe Stimme, (zelf was ze sopraan, dus) voor Messchaert, uitgegeven 1890 bij Steyl & Thomas, Frankfurt am Main.
Uitgegeven 1892 bij de Algemeene Muziekhandel Zwei Lieder für eine tiefe Sangstimme mit Pianofortebegleitung.

Lebewohl, lebe wohl, mein Lieb ! op. 13 nr 2 (Tekst Ludwig Uhland)

Lebewohl, lebe wohl, mein Lieb !
Muß noch heute scheiden.
Einen Kuß, einen Kuß, mir gib !
Muß dich ewig meiden.

Eine Blüt', eine Blüt' mir brich
Von dem Baum im Garten !
Keine Frucht, keine Frucht für mich !
Darf sie nicht erwarten.

  

Wenn dein ich denk' op. 19


Wenn dein ich denk', dann sinn' ich oft
in träumerischen Gang :
weiß nicht, was ich von dir gehofft,
weiß nicht, warum mir bang.

Weiß eines nur, seitdem ich schied,
von deinem Reiz bezwungen :

du hast mit deinem Zauberlied
dich in mein Herz gesungen.

   

vervolg


Und immerdar erklingt nun leis',
die Seele mir berückend,
geheimnißvoll die holde Weis',
erinn'rungsvoll beglückend.

Denn seit dem Tag, an dem ich schied,
von ew'ger Lieb' bezwungen :
Hör' ich, auch, nur dein Zauberlied
tief in mein Herz gesungen.

Van Rennes heeft een korte zangcarrière gehad. Hoogtepunt daaruit was naar haar eigen gevoelen het solistisch optreden in de St Albert Hall. Hieronder de foto van het koor van Daniel de Lange dat in 1885 in Londen concerteerde in de Royal Albert Hall. Cath. van Rennes debuteerde tijdens dit concert met een solo. Tijdens deze reis bezochten ze Tadema in zijn woning en vroeg Catharina na een ontvangst op 28 Cornwall Road, Bayswater, of Messchaert haar als zangleerling wilde aannemen voor een uur per keer, zoals te lezen is in één van de brieven van Cath. aan Johan.
Inline afbeelding 1
Westfries Archief Beeldbank Hoorn Johan Messchaert foto 17144.

Inline afbeelding 2
Westfries Archief Beeldbank Hoorn, Johan Messchaert foto 16944
Het a-Capellakoor van Daniël de Lange te Londen in 1885. De dames zijn: Wilhelmina Gips, Cath. van Rennes, Cateau Esser en Christine Veltman. De heren zijn: T. Jebak (tenor), F. Sendries (bas), Johannes M. Messchaert (staande, 4e v.l.), J. J. Rogmans (tenor) en Daniël de Lange. Van Rennes staat op de achterste rij geheel rechts, Messchaert op de achterste rij derde van rechts. [Gips en v Rennes waren sopranen, Esser en Veltman alten [Haarlem's Dagblad 18 juli 1885]. De namen die aan boven- en onderzijde op de foto zijn bijgeschreven zijn deels foutief en hier weggelaten.
Het Special bij Kwartaalblad Vereniging Oud-Hoorn 2009:4 geeft een verbeterde namenlijst die m.i. nog niet 100% zekerheid geeft.

Inline afbeelding 2
Algemeen Handelsblad 15 juni 1887.

Inline afbeelding 6    Inline afbeelding 1
Het titelblad van de zesde druk (1890) van Abschiedsklänge op. 7. |  Idem van Instantaneetjes Heft I op. 38. ‘Voor Coba Tholen’. Coll TK.

Inline afbeelding 7

Jong-Holland, op. 4, ‘Den Heer Daniël de Lange
hoogachtend opgedragen ’. Coll TK.
    

Herfstgeneurie is opus 35 van Cath. van Rennes. Tekst Willem Kloos. J. J. Witsen is de vader van Willem Arnold Witsen. Kloos was een vriend van Willem Arnold. W. B. Tholen was een goede vriend van Willem Arnold Witsen, in dbnl staan brieven van Tholen aan Witsen te lezen. Van Rennes verkeerde in die kringen ; ze kende ook Henriëtte Bakels-van Wulfften Palthe, de vrouw van de schilder en Tholens biograaf Reinier Bakels.
Zie hier de brieven.
Jacoba Suzanna Muller (Coba, 1843-1918) ? 1886 de schilder Willem Bastiaan Tholen (1860-1931). Coba is geboren en overleden in den Haag. Tussentijds heeft ze in Ede gewoond. Door zijn vriendschap met Willem Arnoldus Witsen werd Tholen regelmatig uitgenodigd op het buiten van diens familie, de Ewijkshoeve in Lage Vuursche. Daar leerde hij de zeventien jaar oudere Coba Muller kennen, met wie hij in 1886 trouwde.
Link naar site over W. B. Tholen.
Willem Arnold Witsen werd geboren in 1860. Hij behoorde tot een welgestelde Amsterdamse familie. Zijn vader en grootvader hadden carrière gemaakt in de handel. Kunst en cultuur waren belangrijk in het gezin Witsen. Willem groeide op met muziek, literatuur en beeldende kunst en wist al jong dat hij schilder wilde worden. Na het gymnasium ging hij studeren aan de Rijksacademie in Amsterdam.
   Tholen en Muller gingen wonen op de bovenverdieping van een villa tussen Den Haag en Scheveningen. Beneden hen woonde het gezin van de griffier van de Tweede Kamer, mr. Bram Arntzenius, met zes kleine kinderen en zijn tweede vrouw, Jacoba Witsen, een zus van Willem. Kloos en Witsen waren bevriend.

Instantaneetje is een term uit de beginjaren der fotografie, het woord betekent momentopname, kiekje.
   CvR heeft het pseudoniem Carina van Etheca gebruikt in haar autografen. Diverse voorbeelden zijn bekend. Ich bringe dir was mit.../Melodie van Mevrouw "Poppy" / Begeleiding van Catharina van Etheca. Etheca / ethecae, grieks/ivriet leenwoord = galerij, portiek. Is het een plaats- of streeknaam ? Het eiland Ithaca ?

Uit het Feestnummer uitgegeven ter gelegenheid van 40jarig bestaan van Bel Canto, het huisorgaan van Catharina van Rennes, in 1927 :

Inline afbeelding 1

Hieronder de tekening die Willem Bastiaan Tholen voor het feestnummer van de vrijvrouwe van Etheca gemaakt heeft. "Heel Nederland is vandaag zoo blij !" aan C. van Rennes.

Inline afbeelding 5

Feestgave voor Catharina van Rennes 1887 – 1927. Samengesteld onder leiding van J. D. C. van Dokkum en gedrukt ter drukkerij "VADA" te Wageningen, april 1927. Coll TK en EK / Foto EK.

Opdrachten
CvR gaf veel van haar composities een opdracht mee. Onder de vereerden bevonden zich

M. en W. J. Wefers Bettink
Willem Mengelberg
J. J. Witsen
Coba Tholen
Joh. Messchaert
Cor Voûte
Julius Röntgen
Moeder Eekhoorn
H. Mijnlieff
C. Kappijne vd Cappello
Tilly Koenen
J. de Koningh
Jeroen de Vaal
Princes Juliana
Daniël de Lange
Anna Fles
Hanna van Besken

  C. v. d. Steur-van Maerlant
Annie Bergsma
Tineke Neuman
Mia Everts-Pierson
Kocky
Aya
Willy
Klein-Eefje
Mijn Vogezenkind
Mijn Zorgenvrouwtje
Coosje en Mea
Eva Korina van der Steur
Astra
Onze Hollandsche Jongens
A. J. de Jong Schouwenburg-Parker
Cécile Frenkel-de Jong van Beek en Donk

  Bestuur Nederlandsche Vrouwenclub Amsterdam.

Aan Haar die mij den avond van 20 Mei wijdde / tot een der schoonste mijns levens / 9 Juni 1894.

Sem Dresden / en zijn voortreffelijk Madrigaal-Koor.

Aan mijn Kleine Religieuse / ons aller steunende engel / ter herinnering aan een mooi moment in Etheca / van Haar To / Oudejaar 1904.

Opgedragen aan mijn trouwen Beiaardier: J. A. H. Wagenaar.

Voor 't jonge Röntgen-Moedertje en Pappaatje!


Cécile de Jong v. B. en D. (1866-1944) heeft in 1897 de onovertroffen feministische roman Hilda van Suylenburg geschreven. Tijdens haar eerste huwelijk met Adriaan Goekoop woonde ze in het Catshuis. Haar zuster Elisabeth was met Alphons Diepenbrock getrouwd. Voor de wet, want Diepenbrock was katholiek. Drama's.

Inline afbeelding 2       Inline afbeelding 3

catawiki.be

M U Z I K A L E   K R O N I E K .
LAATSTE MUZIEKAVOND VAN MESSCHAERT EN RÖNTGEN

   Zaterdag ll. had de laatste der drie muziekavonden plaats, waarop Messchaert en Röntgen aan de muziekliefhebbers de gelegenheid verschaften velerlei gezang en klavierwerken te bewonderen, die op andere programma's moeilijk een plaats zouden kunnen vinden.
   Het rijke programma bevatte drie liederen van Mendelssohn „Nacht, Winter- en Frühlingslied” ; twee liederen van Schumann „Schöne Wiege” en „Löwenbraut” ; vier liederen van Brahms, „Der Tod, Wie wandelten, Es Schauen en Meerfahrt” ; als laatste nummer zong Messchaert liederen van Nederlandsche componisten, t. w. „Einst wohnte” van Rennes, „Es war ein alter König” van Coster, „Ein einsames Grab” van Coenen, „Der zürnende Barde” van De Lange en „Gloeiend gesmeed” van Pysel.

      Het nieuws van den dag : kleine courant 29 maart 1888

Gênant, zo'n programma, nergens een afwisseling met een pianosolo van Röntgen.

- 15 maart 1889 concerteerden M en vR samen in Zaandam, in het solokwartet bij Samson van Händel.
Inline afbeelding 7
Het nieuws van den dag 9 maart 1889

– Vanaf c. 1880 gaf de uitnemende pianiste Marie Wybrandi regelmatig eigen concerten, vaak met medewerking van Messchaert, Rogmans, Cath. van Rennes, Timner, Ysaÿe, von Possart en anderen.
– In juni 1892 bedankte van Rennes ervoor als collega-docent naast Messchaert te komen werken.

Inline afbeelding 8   Bataviaasch nieuwsblad 21 juni 1892

– 29 oct 1902 brief van Messchaert aan v Rennes, vanuit Wiesbaden. Hij schrijft graag Instantaneetjes op zijn programma te willen zetten (in de programmering had Stumpff een stevige vinger in de pap) en vraagt wat de componiste daar van denkt. Messchaert is ze gaan zingen, tekent Rennes aan, en hoe !

Inline afbeelding 9
Het nieuws van den dag 31 jan 1906

Uit een recensie :

Inline afbeelding 1     Inline afbeelding 3
 Algemeen Handelsblad 1 febr 1906                                         Haarlem's Dagblad 6 april 1910

Catharina heeft geen lange periode als soliste opgetreden. Maar zij was niet vergeten, er werd nog wel om haar gevraagd. Haar antwoord over ‘vermakelijke publiekheden’ is Carina op haar molen. Met Anton Tierre is Anton Tierie bedoeld.

    
          Bijlage van de Bredasche courant 23 febr 1917.———— Algemeen Handelsblad 14 febr 1917

– 22 juni 1906 gelukkige bedankbrief van Rennes aan Messchaert. Hij zingt ook haar Dansende Kinder.
– 4 juni 1910 brief van Rennes aan Messchaert n.a.v. het interview met haar in NRC van M. J. Brusse. Ze bedankt Mess voor zijn prachtig hartelijk woord ('. . .ik heb altijd van binnen van je gehouden - en ik houd nòg van je. Voilà ! . . .'). Ze hebben elkaar een paar maanden daarvoor in Rome ontmoet.
– In sept 1913 vertelde Aaltje Noordewier-Reddingius in een interview, dat Messchaert haar tijdens de zanglessen Nederlandse liederen liet zingen, o.a. van C. van Rennes.
– Tijdens de onthulling van het Messchaertmonument in Hoorn mei 1930 zong een kinderkoor het lied Zingen van Catharina van Rennes.
– Op 25 nov 1940 stond het overlijden van Catharina van Rennes op 83-j. leeftijd in de kranten. De onderkop in de Hoornsche Courant en het Dagblad van West-Friesland luidde Leerlinge van Messchaert. Ze is begraven op de 3e Alg. Begraafplaats in Utrecht. Ook bij die gelegenheid is de betekenis van de schuilnaam waarmee ze haar manuscripten soms signeerde, Carina van Ethaca, niet naar boven gekomen.

En thans kom ik tot de verschillende werken, waarvan ik hierboven sprak. In de eerste plaats vermeld ik het verschijnen van drie liederen voor lage stem, getiteld "Abschiedsklänge", in muziek gezet door Cath. van Rennes. In deze drie liederen kan men, evan als in de werkjes, vroeger door Mej. van Rennes uitgegeven, de bijzonder natuurlijke, muzikale begaving van de componiste bewonderen. Melodie en harmonie vloeien als vanzelf, met grooten eenvoud worden de tekstwoorden geïllustreerd, terwijl de harmonie in de begeleiding de toelichting der melodie vertegenwoordigt. In 't algemeen vind ik slechts woorden van lof voor deze jonge dame-componiste ; zij schrijft zooals het haar uit het hart vloeit, zonder pogingen aan te wenden om door vreemde en gezochte melodie- of harmoniewendingen zichzelve en hare compositiën een aanstreek van valsche belangrijkheid te willen geven. De compositiën behouden daardoor een naief karakter, dat haar zeer goed kleedt. [...]
   Met vertrouwen beveel ik deze liederen allen aan, die gaarne in een' schoonen vorm, een lieve gedachte wenschen te genieten.

    Uit een recensie van Daniël de Lange in  Het nieuws van den dag : kleine courant 21 juli 1887.


~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ .

 

——————————C O R R E S P O N D E N T I E

 

tussen Joh. Messchaert en Cath. van Rennes. Onderstaande brieven / kaarten zijn bewaard in het Westfries Archief.
Coll Johan Messchaert, nummer toegang 1509, inventarisnummer AII244, Westfries Archief Hoorn.


Utrecht 15 Sept 1885

Waarde Heer Messchaert.
"Wacht er mee tot half September" klonk het uit uw mond voor de deur van no. 28 Cornwall Road Bayswater. Ik heb mijn ongeduld bedwongen tot dat tijdstip – maar nu is 't half Sept et . . . me voilà. Daar ben ik nu voor een uur ! maar ik ben zoo brutaal er 2 condities bij te maken.
    1°   Uw genereuze houding die ge tegenover mij aannaamt in m'n examentijd, heeft me destijds zeer gestreeld. Maar . . . als ik wist dat u 't nu weer over dezelfde boeg zoudt wenden, zou ik mij zoodanig bezwaard gevoelen, dat ik mij bepaald het genoegen zou ontzeggen onder uw leiding te komen — en dat zou me zeer spijten, meneer Messchaert ! U moet me dus beloven geregeld per kwartaal uw nota te zenden, mag ik daar op rekenen ?
   2°   Moet u zich voorstellen alsof u een élève kreegt, die nog geheel ongecultiveerd is, en mij, ik bid het u, van den grond af laten beginnen. Hoe meer ik in m'n Kunst doordring, hoemeer ik tot de conclusie kom, dat ik . . ja , door moeder Natuur en vader Hol wel op zekere hoogte ben gebracht, maar feitelijk theoretisch en systematisch bitter weinig van de zangkunst af weet. Voor mij, die van grondig houd, is dat een dagelijks terugkeerende grief. Daarbij kent u mijn stemgebreken, en 'k ben overtuigd dat die alleen te overwinnen zijn (if so) door nauwgezette studie van toonvorming enz. enz.
   Als er iemand is die mij op dat gebied wat goeds kan leeren, is U het, daar ben ik van overtuigd, en o, ik heb zoo'n hoop dat het u gelukken mag ! Geen moeite zal mij te veel, geen studie te droog zijn, dat beloof ik U vooruit.
    Nu verzoek ik u vriendelijk mij eens te willen melden, wanneer u mij zoude kunnen afwachten. 's Woensdags kan ik absoluut niet en ook niet 's Zaturdags voor 12. Van de andere dagen is de een meer, de andere minder geschikt, maar dat laat zich allicht arrangeeren. Ik begrijp, dat U veel moeilijker tijd zult kunnen vinden dan ik, maar als 't kon had ik graag dat u mij keuze geeft over uw beschikbaren tijd, dat zal veel op en neergeschrijf voorkomen. U begrijpt wel dat ik met het oog op den donkeren wintertijd liefst voór tafel les hadde, maar . . . kan 't niet anders, à la bonne heure.

Met vriendelijke groeten ook aan uw lief vrouwken, steeds

Cath. van Rennes

Zondag 6 Juni 1886

Ik wil eens van een rustig Zondagsuurtje gebruik maken om te zeggen wat ik al 3 dagen op mijn hart heb, maar waarvoor ik tot nu toe geene kalme oogenblikjes vinden kon.
   Eerst en vooral moet ik eens naar 't jonge moedertje informeeren. De laatste berichten daaromtrent waren zoo weinig opgewekt. Ik mag nu toch hoop ik aannemen dat de bloemetjes weer buiten staan ? Anders had ik het dunkt me wel eens van U gehoord. Maar in alle geval ‘t zij de berichten gunstiger of ongunstiger moeten luiden, zoudt U me zeer veel genoegen doen met een een klein woordje daaromtrent per briefkaart.
  Ik heb al bij kennissen uit Amst. er naar geïnformeerd maar die waren niet op de hoogte en ik ben er toch heusch zoo benieuwd naar.

En nu eens een woordje over dat akelige München. Hoor eens meneer, daar gebeurt niets van ! Die akelige moffen nemen ons altijd maar af wat we goeds hebben ; ik kan er kwaad onder worden.
   Ik doe 'n beroep op uw nationaliteitsgevoel. Was ik een Cresus, ik zou mijn schrijven vergezeld doen gaan van een offerte, die de brillante Münchensche positie zoodanig overtrof, dat een vader van tweelingen (wien de geldelijke questie zeker niet geheel koud kan laten) er geheel van overbluft zou staan.
    Maar eilacie ! Ik ben maar een arme muzikante die zichzelven niet eens de weelde permitteeren kan in de zomermaanden van uwe zoo gewaardeerde lessen te genieten.
   Ik kan voor u nooit iets anders doen dan U, voor wie 't maar aanhooren wil, tot de zangonderwijzer te proclameeren, en uw voortreffelijke methode in mij op te nemen, om ze ten nutte der zingende menschheid te verwerken, in de hoop de banier der ware zangkunst een weinig hooger te heffen in ons Holland.
   Ik heb U eens over de toestand van 't zangonderwijs in Holland hooren praten, en U hooren uiteen zetten wat ge uzelven tot taak stelde. Wat gaf mij dat een riem onder 't hart en wat was ik er toen trotsch op 'uw élève' te heeten. Waar moet het nu met al die schoone droomen heen, als U het 'land waar de kleiaardappelen groeien' den rug toe keert ?
   Moet de vorige toestand dan weer terugkeeren ? Het getal werkelijk ernstig strevende kunstenaars in ons vaderland zal dan alweer kleiner worden ? (Hoe is 't ! klopt uw nationale hartader niet ?) En uw arme tweelingen ! Die onschuldige spruiten van een Hollandschen vader en een Hollandsche moeder zullen in den vreemde groot gebracht worden ?
Vader ! verzin eer gij begint !!! —
    In ernst meneer, al wordt er door het helaas ! laksche Nederland misschien niet genoeg op aangedrongen, laat de werkelijk diepe vereering en waardeering van degenen die Messchaert werkelijk als zanger en onderwijzer beoordeelen kunnen, U doen besluiten om weldra uit te roepen :
"Ik blijf !"    die tijding zal rechtaf gelukkig maken
Uw U zeer toegenegen Cato van Rennes

Utrecht    Maandag morgen                [niet gedateerd, 1886 of 1887]

Geachte Leermeester

Vóór alles moet mij een woord van dank uit de pen voor het groots genot dat u mij Zaturdag avond deed smaken. Wat klonk uw stem bizonder vol en mooi, en hoe heerlijk om zoó liederen te hooren zingen. [CvR en anderen schrijven soms zóo. éen of zoó, eén e.d.]
   Het komt niet in me op een verslag en détail te geven ; misschien voegt mij tegenover m'n meester niet eens een oordeel, maar toch waag ik het er op te zeggen dat mij bezonder frappeerde : Abendempfindung dat u zoo perfect in de stijl zongt, zoo sober en zoo warm. Dan ook vooral Meeresstille. Dat was een heerlijke creatie. Het lied was mij tot dusverre altijd voorbij gegaan, sans me faire chaud ni froid, maar nu ken ik het. Wat 'n stemming in zoo weinig maten muziek. Het was een muzikale openbaring voor mij. En met die geniale Dithyrambe hebt u me letterlijk van m'n plaats gezongen. Ware ik Jupiter, ik had u na dat lied werkelijk die Schale gereicht.
   En dan dat vreeselijke : Wer nie sein Brot mit Thränen ass ! *) Wat was dat ook heerlijk. En wat werd u toch voortreffelijk begeleid. Als ik maar eens alleen denk aan die Heinzelmännchen ! (die ik tusschen twee haakjes nu niet te lang vond)
         *) uit Goethe, Wilhelm Meisters Lehrjahre. CvR gebruikt de ß niet, maar schrijft ss of sz.
De avond was me veel te gauw om, en ik verlang al naar den 28sten Januari.   ——
    En nu het hinkende paard achteraan. Gepasseerde Dinsdag kwam ik reeds niezende en kuchende uit Amst: Daaruit ontwikkelde zich, in den bus versterkt door natte voeten en in den sopraan door 'n afgewaaide hoed in een windhoos, een zoo hevige verkoudheid dat ik Vrijdag naar bed moest. Alle huisgenooten zeiden toen zeer expressivo : Je zult nu toch hoop ik morgen niet naar Amst: gaan ?? Maar u weet hoe ik mij op uw soiree gespitst had . . . enfin, ik ging toch, nog wel met 't plan Zondag er aan te knoopen. Dat arme Veilchen !
    Zondag ben ik vroeg naar huis gegaan, meteen onder de wol, eskulapen werden geraadpleegd en 't oordeel luidt : Geen toon zingen, wilt ge geen groot kwaad aan uw stem doen. De noodigste lessen geven, verder zwijgen. Schweigen ! Verstehst du was das heiszt ?
   Op gevaar af dus, om met het einde van 't kwartaal weer een spiegelgevecht te moeten voeren met m'n hooggeachte mentor, moet ik voor Dinsdag absolutie vragen. De hemel geve dat het hoesten ophoude, of ik kan van de week nog geen noot studeeren. Dat het mij 't meeste spijt kunt ge wel denken. Enfin ! een mensch moet wat hebben voor z'n pekelzonden.    Ik had m'n moeders raad moeten volgen en stichtelijk thuis moeten blijven Zaturdag. Und alle Schuld rächt sich auf Erden !

Met hartelijke groeten aan Jo en een zoentje voor Humpie en Dumpie blijf ik uit diepte van ellende
uw toeg :   Cato van Rennes

18 maart 1887

Alweer 'n brief ! 'n officieele Brief !
Aan de Weled. Heer Joh. Messchaert.
Zanger en Huisvader te Amsterdam.
Hooggeachte Heer

. . . Neen hoor ! Die officieele toon gaat mij - weinig officieel persoon - toch niet goed af, ik zal maar liever alle deftigheid laten varen en er 'n gewoon vriendschappelijk praatje van maken. De zaak is deze :
   Nevensgaande liederen hebben hun ontstaan te danken aan een zwaarmoedige bui van de ondergeteekende, die net zoo goed haar zwarten tijd heeft gehad als ieder ander. Ik zeg het er maar bij, want anders zult u misschien als zoovele anderen niet willen gelooven dat zulke ernstige en droefgeestige liederen uit mijn vagabundische pen vloeiden - - of misschien zult gij het wel gelooven omdat ge geloof ik, wel wat dieper kijkt dan den oppervlakte.

Na deze filosofische inleiding kom ik tot het punt.
   De Algemeene Muziekhandel zal zich bezondigen aan de uitgaven van genoemde liederen, en zie – nu zou ik het zoo erg prettig vinden als ik boven aan het titelblad mocht plaatsen
          Herrn Johs Messchaert hochachtungsvoll gewidmet.
"Uwer waardig" acht ik de liederen niet, want mijn schrijfwijze verheft zich niet boven 't eenvoudige melodieuze - doch einfach omdat mijn talenten niet hooger gaan. Toch hoop ik dat ge mijn bundeltje de eer niet ontzeggen zult onder uw vlag te zeilen. En ik zal het niet alleen een 'cachet' achten, maar ook een bewijs van vriendschappelijkheid dat ik op hoogen prijs zal stellen. Wilt U de liederen dus eens inzien ? Aanstaande Dinsdag zal ik uw antwoord dan wel vernemen want ik begrijp wel, dat U het te druk hebt van om zulke "officieele" brieven schriftelijk te beantwoorden.
   In de hoop op 'n gunstig gevolg van mijn schrijven – ofschoon ik hoegenaamd geen pressie op uw besluit wensch uit te oefenen – noem ik mij met vriendelijke groeten en 'n kus voor 't vrouwtje
Uw U toeg.

Catharina van Rennes

Voorkant

Inline afbeelding 1
Coll Johan Messchaert, nummer toegang 1509, inventarisnummer AII244, Westfries Archief Hoorn.


22 Juni 1906      Achterkant

Mensch ! Wat maak je me gelukkig !! Daar lig ik te bed met Influenza, mopperig en down, en daar brengt de post me je briefkaart die me niet alleen bevestigt wat Röntgen me al door z'n vrouw had laten zeggen, maar die buitendien me de verrassing brengt, dat mijn Dansende Kinders in 5 plaatsen zullen weerklinken ! Ik ben er al half beter van en kom - al zou de doctor uit z'n vel springen - 31 Jan in Am. 'k Heb nl. evenals verleden jaar - twee abonnementen voor jullie soirées genomen (dank zij de gentlemanlike Heer Stumpff !).
    Weet je wel' toen ik die Dans schreef (dat mijn heimelijkste gedachte was : 'O! als Messchaert die nu 's zingen wou !!' maar ik waagde 't niet je lastig te vallen nu je de Instantjes al op je program had. Maar de Röntgen's waren er eens zóo ontvlamd voor dat ik hen plus pouvoir gaf en . . . met 'n schitterend resultaat, dat moet ik zeggen. Mag ik nu niet omdat je 't zingt, maar omdat ik van 't begin af aan jou dacht bij dit typisch Hollandsch (gedichtje ! dingetje) er voor schrijven : Onzen Hollandschen zanger Joh: Messchaert opgedragen ? Ik hoop dat je me die eer bewijst !
    Wees met vrouw en kinderen hartelijk gegroet van haar die brandt van nieuwsgierigheid en suf is van
          Influenza           nl.                     je Cath. van Rennes

29 Oct 1908   Messchaert aan Rennès

          Voorkant

Inline afbeelding 2
Coll Johan Messchaert, nummer toegang 1509, inventarisnummer AII244, Westfries Archief Hoorn.

Catharina schreef voorop deze briefkaart : “Het betrof de Instantaneetjes Heft II beginnend : Biddend Kindje.
En hij zòng ze ! in 1902. en hoe ?! en creëerde óók bij die gelegenheid : De Dorpskinderdans
De hééle bundel achteréén had 'n stormachtig succès !
Wat 'n gelukkige avond was dit voor mij !
En hoe spéélde Röntgen ze ! onvergelijkelijk”.

          Achterkant

Wiesbaden 29. 10. 1908
Luisenplatz 7. I.

Zeer waarde Vriendin,

Ik had zoo gaarne de Instantaneetjes eens op mijn liederavonden gebracht, maar eerstens wilde de heer Stumpff Schubert Löwe Brahms Schumann avonden hebben en tweedens hoorde ik van anderen de meening dat het gek zou staan als zoo'n grooten man die fijne liedjes zou voordragen in 't publiek en die beter in een vrouwenavond passen. Hoe denkt de componiste zelf daarover ? Ik had mijzelf al wijsgemaakt, dat ik ze juist heel goed kon zingen en verbeeld[d]e mij zelfs den rechten toon ervoor te hebben gevonden.
    Wij zouden 't eens en petit comité moeten probeeren ; maar deel mij eerst eens uw opinie mede. "Allerdings" : wie mij, as 't God blieft, 16 December den Barbier hoort zingen zal denken : "die kan toch de instantaneetjes niet zingen !"
1000 groeten van ons 4en   Joh. Messchaert

 ❤

4 Juni 1910

Wel m'n waarde vriend, wat was dàt 'n verrassing. Zoo'n krachtig, hartelijk woord !
Het deed me goed. Want - ofschoon je me vroeger dikwijls troefde, ik heb altijd van binnen van je gehouden – en ik houd nòg van je. Voilà.
    Weliswaar ben ik niet 25 jaar getrouwd met m'n school, eerder 23 – maar dat doet er niet toe.

Wat je broer heeft gehoord is waarschijnlijk wat ànders n.l. dat ik, nadat ik 50 jaar ben geworden, mij eindelijk en ten langen leste tot prooi heb gemaakt van 'n echt interviewer de Heer Brusse (schrijver van Boefje) die mij in 3 avonden léeg zat te pompen op de meest vernuftige krantenmanier, en nu zijn indrukken neerlegde in 'n 4 tal feuilletons van de Rotterdammer.
    Toen ik in Rome was, vertelde ik Jo al dat ze "in aantocht waren". Nu zijn ze er en enkele kranten namen er fragmenten of 'n resumée van over. Dat bracht de menschen aan 't praten en nu circuleeren er enkele legendes over Catootje, waarvan er éen ook het Messchaert quartet bereikte. Ik dacht dat je die artikelen opgezonden kreegt, zooals Jo mij - meen ik - vertelde. Is dit zoo, dan wéet je dit allemaal. Is 't niet zoo, dan wil ze jullie met plezier eens ter lezing zenden. Je bent dan dus ineens van me 'op de hoogte' (als ge dat al niet bent).
    Laat een van de Kroonprinsessen 's Cato 'n briefkaartje schrijven of je de lezing wenscht. Maar bedenk : Het is mijn vitam, ik moet het dus vast en zeker terug hebben !
   Ik kom 't dan maar zelf halen op 5 Juni ; dan ben 'k één dag in München op weg naar Oberammergau. Ben jullie er dan ? 'k Zou 't dol aardig vinden dan jullie invitatie om Rome eens te kunnen accepteren voor 1 of 2 uur. Ik ben dan met Hanna Verbena die zich bij Emil Gutman wil introduceeren. Je zoudt haar meteen ook óók 's kunnen hooren als je wilde.
Hoor ik 's even hoe de opinies over een en ander zijn ? Ik mòet geenszins hoor, want ik wil mij zelf weer 's overtuigen of ik al dat geld in Italië niet voor niets heb uitgegeven voor je !!!   Dag lieve mensch
                               je Cato v Rennes


~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ . ~ .

 

        Litt.
M. J. Brusse, Onder de menschen. Interview met Cath. v. Rennes -- NRC 1910 -- in 4 afleveringen.
J. D. C. van Dokkum, Mannen en Vrouwen van Beteekenis, 1937.

___________________________________________________

             EEN   RAAR   BOEKJE
___________________________________________________
Marjan Berk schreef in 2015 een boekje, Madonnakindje, over Cath. van Rennes. Ze was bepaald niet gelukkig in haar keuze van twee assistenten, een accountant en een archivaris, die het nodige speurwerk zouden verrichten maar lapwerk hebben geleverd. De transcripties van de brieven van CvR bevatten grove fouten en weglatingen. (De originele brieven zijn hierboven weergegeven). Erger, de simpelste feiten worden verkeerd of verdraaid weergegeven. Insinuaties vervangen onderzoeksresultaten. Veel is verzonnen. Het vierdelig interview-feuilleton van Brusse (1910) is vrijwel in zijn geheel overgeschreven en vult de helft van het boek. Ook Van Dokkum (1917) levert de nodige bijdragen.
   Van Dokkum plaatst in zijn boekje Mannen en Vrouwen van Beteekenis. Levens- en Karakterschetsen, 1917 – hfdst. Cath. van Rennes – delen uit "Gedenkbladen aan mijn muzikale opvoeding gewijd", geschreven door CvR 1885 ; niet gedrukt. Daarin beschrijft Catharina o.a. haar examen eerstegraadsbevoegdheid zangonderricht in 1884. Berk neemt deze passage over en laat daarna ongegeneerd haar fantasie de vrije loopt. Ze voegt een passage toe die beschrijft hoe Messchaert v. Rennes na het afgenomen examen in de gang bij haar middel pakt en op haar wang kust. Echter : van Rennes werd evenals de voorgaande kandidate naar huis gestuurd met de mededeling dat de uitslag schriftelijk zou worden toegezonden. Er was geen sprake van op de gang wachten. Daarnaast begaat Berk de fout uit naam van v. Rennes te schrijven : "Daar hij [Mess] iets kleiner is dan ik [Rennes] ...". Zie de foto van het koor van Daniel de Lange waarop beiden afgebeeld staan. Messchaert was langer dan Rennes. Het hele Berkboekje is een aanfluiting, Messchaert en van Rennes worden gebruikt om een boekje te verkopen, “een liefdevolle biografische schets” volgens de achterflap.
    Zo'n nep-biografie heeft CvR niet verdiend. Messchaert en zijn vrouw ook niet. Een aantal zaken wordt hier rechtgezet. Een totaalcorrectie is onbegonnen werk.

Op blz 124 van Berk leest men : Cor vist een papier uit zijn map: Hier! Zes liederen heeft Catharina gecomponeerd, op tekst van ene Georg van Dijkern*. "Für eine Tiefe Stimme". "Herrn John Messchaert Hochachtungsvoll gewidmet!"
Van de zes zijn de laatste drie onder de titel "Abschied" geschreven. En waarvan het eerste van die drie de titel "Wenn dein ich denk!", nummer twee "Ein Lebewohl", en het laatste van de drie "Liebesleid" is getiteld. Nou, ik vind dat, in de context van die keurige brieven die ze schrijft behoorlijk compromitterend. Zo rechtstreeks als de pest!


Wel wel.
Drie liederen van Cath. v Rennes zijn onder de verzameltitel Abschiedsklänge (niks 'Abschied') uitgegeven in 1887 bij de Alg. Muziekhandel, 'Herrn Joh. Messchaert Hochachtungsvoll gewidmet'. De tekstdichter van het lied Lebewohl is niet aangegeven (vele dichters schreven een Lebewohl!, Uhland, Chamisso, Mörike), de tekst van Wenn dein ich denk' is van Georg Freiherr von Dyherrn*, en van Liebesleid is de dichter niet bekend, mogelijk is het CvR zelf.

 

Inline afbeelding 4       

"De datum van de brief, 15 september 1885 roept veel vragen op. Messchaert is op 30 juli van datzelfde jaar getrouwd met Johanna Jacoba Alma, met wie hij al vijf jaar is verloofd", aldus Berk in Madonnakindje.

Giftiger paars heeft de laptop niet ter beschikking.

 

Wat voor vragen zouden Berk en secondanten, gedrieën om de tafel deze schokkende feiten besmoezend, wel door het hoofd spelen ? "Vijf jaar verloofd" —

 

 

 

 

 

Coll Johan Messchaert, nummer toegang 1509, inventarisnummer AIV2, Westfries Archief Hoorn.


Berk en haar deskundigen insinueren op blz 133 :
'Het vreemde van deze liederen is dat ze verdwenen zijn ! Zijn ze verdonkeremaand door de familie van Johan Messchaert ? Vond Johan ze zelf té compromitterend ? Hoe het ook zij, ze zijn van de aardbodem verdwenen. De uitgave van de Algemene Muziekhandel, waarover Catharina vertelt, is ook nergens te traceren.'
   Pardon ? Er is hier niet eens hàlf onderzoekswerk geleverd ; de liederen worden op een hoop gegooid, de kranten uit die tijd zijn niet geraadpleegd. Zo kan men in Het Vaderland van 6 juli 1931 lezen dat Lebewohl van Cath. v. Rennes bij het afscheid en vertrek van Ds. G. Hulsman uit den Haag naar de N.H. Gem. te Drempt gezongen is. Dat lied was gewoon beschikbaar. Lebewohl was ook als duet te koop, in de bundel Im Freien, gegraveerd bij Jac. van Rennes te Utrecht, gedrukt z.j. bij de Süddeutscher Musikverlag G.M.B.H. Strassburg 1/E. De glazenier heette Geüer of Geyer.
Resumerend :
- Abschiedsklänge, 'Herrn Joh. Messchaert Hochachtungsvoll gewidmet', is in 1887 uitgegeven bij de Algemeene. Muziekhandel. Exemplaren liggen in bibliotheken en zijn op de tweedehandsmarkt te koop.
Het ware beter dat het boekje van Berk verdonkeremaand werd. Compromitterend is het zeker. Voor Berk c.s.


Inline afbeelding 1

Zwei ernste Lieder für eine tiefe Stimme, Op 43.   Coll TK.
N° 1  Schlichtes Lied. Tekst van U. B.         N° 2  Leidesahnung. Tekstdichter onbekend.

's Gravenhage, Haagsche Boekhandel- en Uitgevers-Maatschappij, uitgave ca. 1899. Datering op ms in NMI oct. 1894.

Schlichtes Lied is in het archief van NMI als autograaf aanwezig. Het opusnummer 43 kan gedateerd worden rond 1899 (in vergelijking met andere uitgaven van dezelfde uitgeverij).


Inline afbeelding 1


Inline afbeelding 3
NMI

 

No 1. Schlichtes Lied.

Tekst : U. B.
Muziek : Cath. van Rennes.

 

No 2. Leidesahnung.

Tekst : Emil Claar (1842-1930)      
Muziek : Cath. van Rennes.


Sieh mich nicht so traurig an,

reich mir den letzten Strauss.

Muss nun bald von dannen gahn,

und dann ist 's aus.

Lass uns beid' im letzten Kuss

tauschen nun den Scheidegruss.

Wohl für eine Ewigkeit,

ach so weit.

Sieh mich nicht so traurig an,

reich mir den letzten Strauss ;

Muss nun bald von dannen gahn,

und dann ist 's aus.

  Mir summt im Herzen ein leises Lied

Mir summt im Herzen ein leises Lied,
Ich wag' es nicht zu beginnen,
Es ist zu traurig.

Und ein Gedanke mich durchzieht,
Ich wag' nicht ihm nachzusinnen,
Er ist zu schaurig.

Eine plötzliche Ahnung jedoch,
Die möchte wissen :
Ich werde beides noch
Erleben müssen !

 

In 1892 werden bij de Alg. Muziekhandel uitgegeven Zwei Lieder für eine tiefe Sangstimme mit Pianofortebegleitung van Cath. v Rennes. Het zijn Wenn dein ich denken Ein Lebewohl.
Johan vond de liederen niet te compromitterend, hij zong in 1888 Einst wohnte, een van de drie liederen uit Abschiedsklänge, uitgegeven in 1892. Hij moet dan uit een handschrift gezongen hebben.


Uitgave van Zwei Lieder in 1892
Inline afbeelding 6
Caecilia 15 nov 1892

en in 1912 zelfs in Batavia beschikbaar :
Inline afbeelding 8
Bataviaasch nieuwsblad 28 sept 1912

Liederenavond Jo Vincent

De Nederlandse Concertdirectie Beek vergastte Leeuwarden op een liederenavond van Jo Vincent. Deze zangeres vertegenwoordigt onder onze nationale vocalisten een begrip, zij is een klasse op zichzelf en dankt dat aan de zeldzame combinatie van een prachtig geluid, aangeboren muzikaliteit en - wat weer wat anders is - muzikale intelligentie. Om tot de super-klasse te behoren moeten deze drie factoren aanwezig zijn. Met twee ervan kan men de Olympus een heel eind opklauteren, maar de top wordt niet bereikt. Jo Vincent is met het klimmen der jaren anders gaan zingen, minder uiterlijk, meer gerijpt. Het gaat niet in de eerste plaats meer om de mooie klank, ook niet om de bravour, maar om de sfeer, de stemming, de achtergrond van een lied. Zo moet vroeger Messchaert gezongen hebben toen hij bijna geen stem meer had. Prachtige voorbeelden van deze hogeschool der zangkunst waren het trieste "Wehmut" van Schubert en het verstilde "Le jet d'eau" van Debussy.' Volkomen in tegenstelling tot deze liederen stond de cyclus "Liederen uit de kinderkamer" van Moussorgsky. Dit was bijna geen zingen meer, maar stond op de grens van voordrachtskunst. De muziek en de stem werden totaal ondergeschikt gemaakt aan de inhoud en al verstond niemand een woord van de Russische tekst, ieder scènetje stond tastbaar vóór je. En het grote van deze kunst is, dat ze bereikt wordt met ogenschijnlijk zulke geringe middelen. Een kleine intonatie, een sober gebaar - et voilà ! Een paar aardige liederen van Rudolf Mengelberg en een paar mooie van Wouter Paap besloten de avond. Daarna nog - als homage aan Friesland - één couplet van de Widzesang fan it Sémanswiif van T. E. Halbertsma en op verzoek het Zonnelied van Catharina van Rennes, met als gevolg een laaiend enthousiasme. Vincent kent haar pappenheimers. Emmy van Eden begeleidde goed, correct, braaf ! Er waren mooie bloemen en veel - en te veelvuldig - applaus.

          R. J. S.      Leeuwarder courant : hoofdblad van Friesland 25 febr 1949.




Inline afbeelding 1      Inline afbeelding 1
1. Johan en Jo in 1885. Foto M. Büttinghausen.  Coll Johan Messchaert, nummer toegang 1509, inventarisnummer FIV 5-1, Westfries Archief Hoorn. 2. Ontwerpschildering van de Villa Johanna, Vondelstraat 51, Amsterdam, door de architect Gerrit van Arkel voor cliënt in spe Messchaert gemaakt met pen & inkt en waterverf. Westfries Museum Hoorn, Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, objectnr 06892.

Inline afbeelding 1
Foto EK

De villa werd door Messchaert naar zijn vrouw genoemd.

Inline afbeelding 1
Aangenomen te Wien / ontvangen teAmsterdam den 30/... 1896 ten 7/.. u. des namiddags.
( R P ) / Messchaert adresse / Röntgen / Baerlestraat 13 / Amsterdam
Können Sie Wien Griegabend mit mir wirken siebenten oder zwölften Dezember Honorar fünfhundert Gulden Sie würden mich glücklich machen / Grieg.

Westfries Archief, Hoorn. Johan Messchaert. Nummer toegang 1509, inventarisnummer AII103.

De bas-bariton Johannes (Johan) Messchaert (zoon van doopsgezinde ouders) was in Europa een beroemd lied- en oratoriumzanger. Opera heeft hij zelden gezongen. Hij heeft in Londen en St. Petersburg geconcerteerd, maar heeft nooit naar New York willen oversteken. Evenmin stond hij toe dat geluidsopnamen van zijn liedvertolkingen gemaakt werden. Hij studeerde in Keulen, Frankfurt en München. speelde viool in de Arnhemse Philharmonie onder Meyroos. Eerste grote optredens Elias van Mendelssohn bij Meyroos in Arnhem en 3 juni 1878 bij een kerkdienst in de Hooglandse Kerk te Leiden t.g.v. het overlijden van Koningin Sophie. Julius Stockhausen gaf in het seizoen sept 1878-79 de finishing touch aan zijn stem.
   Op 9 jan 1882 verhuisde hij van Hoorn naar Amsterdam, voor het muziekleven aldaar en terwille van een snellere verbinding met het buitenland. Ging wonen Vijzelstraat 59.
Messchaert huwde 30 juli 1885 Johanna Jacoba Alma, alt, een leerling van hem. Woonde in Vondelstraat 8 bij schoonvader Adrianus Alma en diens zoon Petrus. Daar werd 10 mei 1886 hun tweeling Maria en Elisabeth geboren. Het huis bestaat niet meer. Ze verhuisden 16 sept 1892 naar Plantage Parklaan 14. In 1898 gaf Messchaert aan Gerrit van Arkel opdracht een villa te bouwen aan de Vondelstraat 51. De koop van de grond geschiedde op 15 maart 1898, de aanbesteding op 7 april d.a.v. Per 15 febr 1899 betrok het gezin de smalle maar hoge en diepe vrijstaande monumentale villa. Messchaert noemde het huis naar zijn vrouw Johanna. Het was een fraai pand met bescheiden Jugendstil-elementen. Het huis bestaat nog en is rijksmonument onder de naam Huize Johanna. In de scheidingsruimte tussen nr. 49 en 51 is een foeilelijk, gelukkig laag bouwsel verrezen. Aan de rechterkant zijn tuin en tussenpad nog vrij. In het gebouw nr 53/55/57 uit 1877 heeft Pieter Kint, de vader van Cor Kint, van 1935 tot 1940 zijn laatste dagen gesleten.

Inline afbeelding 2    Inline afbeelding 1    Inline afbeelding 3
1. Johanna Jacoba Messchaert-Alma.   Foto J.B. Rottmayer, Berchtesgaden ca 1900. Westfries Archief Beeldbank Hoorn, Johannes Messchaert, Nummer toegang 1509, inventarisnummer FIV 8-27. 2. oudere, en 3. recentere foto van Vondelstraat 51. panoramio.com/photo/84754510

Inline afbeelding 1
Vroege art-nouveau schilderingen hoog op de voorgevel, vandalen kunnen er niet bij. Links gestileerde zonnebloemen, rechts een schildpad- of visachtig wezen. Foto uit 2013.  panoramio.com/photo/84754509

Inline afbeelding 5
Inline afbeelding 6
Archief van het Bevolkingsregister: afgedane collectie of overgenomen delen 1892-1920: NL-SAA-30310110, Stadsarchief Amsterdam.

Inline afbeelding 1
Vooraanzicht van Villa Johanna. Betrekkelijk recente foto. De tuin is niet meer wat hij geweest is.
Foto Marcel de Groot.

Inline afbeelding 1         Inline afbeelding 2
1. Het nieuws van den dag : kleine courant 27 jan 1899.   2. Het nieuws van den dag : kleine courant 6 feb 1899.

Huize Johanna is een van Van Arkels meest geslaagde ontwerpen, in niet-exuberante Jugendstil.

Inline afbeelding 1
Messchaert achter de vleugel.
Westfries Archief Beeldbank Hoorn, Johan Messchaert foto-16931

    
Hoog aan de wand domineert Johannes Brahms. Naast Messchaert hangt een portretfoto van vrouw en dochters. Op de ezel staat een ets naar Expectations van Lawrence Alma Tadema, een neef van Messchaerts vrouw Johanna Jacoba Alma. De ets is mogelijk gemaakt door Löwenstam naar het bekende schilderij opus 304.   Public domain. 
De vaak opgegeven maten 26.02 inch (66.1 cm) x 17.72 inch (45 cm) slaan op een ingekorte afbeelding van Expectations die op internet in omloop is (jawel ! wat bij de Nachtwacht kan, kan toch ook bij Expectations ?).

In werkelijkheid is de verhouding hoogte--breedte ca 12:23. Paul-Adolphe Rajon (1843–1888) heeft voor Tadema tenminste twee etsen van een schilderij gemaakt, The Bath (An antique Custom), A Roman Emperor opus 88 en de gravure On the steps of the Capitol (A Garland Seller) op. 132. A Roman Emperor op. 117 wordt ook aan Blanchard toegeschreven. Op 24 jan 1875 schreef Tadema aan Vosmaer "Sijthoff asked me for the address of a good etcher. [...] I immediately mentioned Rajon to him who is certainly the best of all". Maar Löwenstam en Blanchard maakten veel meer etsen voor Tadema. Löwenstam (‘Lowen’) kwam zo vaak bij Tadema over de vloer dat hij zijn hart verloor aan diens kindermeisje Alice Search. Ze trouwden 1 jan 1879. Expectations is reeds door de titel een passend huwelijksgeschenk. Messchaert tekende graag. Misschien waagde hij zich ook wel eens aan het penseel. Het idee de ets, in passe-partout en lijst op een ezel te plaatsen moet als vanzelf bij hem opgekomen zijn. Het schilderij is olie op doek. Laura (Alma Tadema's echtgenote) schreef 24 april 1886 aan haar "Dear Cousin Jo" (excerpten uit de hieronder afgebeelde brief) :

I did not write at once after you were married as I was waiting to do so until our wedding present was ready to be sent to you - and it never has been ready until now - for as you know we were away from London for nearly eight months. I was ill abroad, and since I came back to England I have not been well, and had to go to the sea-side. It is an etching which we send, and we hope you will like it, and will find a place on your walls for it. [...] Liszt has been to London lately, as I daresay you know - he came to see us at Grove End where we have a little studio - our new house is not ready yet - but we hope to go into it next winter. [...] Please remember us very cordially to your husband, and with love to you, believe me dear Jo, ever your affectionate cousin Laura T.A.T.

Inline afbeelding 1Inline afbeelding 1
Westfries Archief, Hoorn. Johan Messchaert. Nummer toegang 1509, inventarisnummer AII5.

Inline afbeelding 3    

 

 

 

 

 

 

Inline afbeelding 2

     Westfries Archief Beeldbank Hoorn, Johan Messchaert foto-16929                    Foto EK

Johan werd lid van het fabuleuze vocaal octet van Daniel de Lange. Zijn oudste broer Nico werd wiskundeleraar, de andere, Piet, werd compagnon van zijn vader in de ijzerhandel aan het Breed in Hoorn, "Gereedschappen en Materialen". In 1900 nodigde koningin Wilhelmina Messchaert uit voor een optreden aan het Hof met Mengelberg aan de vleugel.
    Het Hollandse klimaat vond hij slecht voor zijn toch al matige gezondheid. Geplaagd door keelaandoeningen, galstenen, een nierprobleem en maar wellicht ook om andere redenen, verliet hij zijn pasgebouwde villa en verhuisde in 1900 naar Wiesbaden, in 1902 naar Frankfurt, waar hij leraar aan het Hoch'sche Konservatorium werd, 1911-1919 Conservatorium Berlijn. Verkocht zijn Amsterdamse villa op 13 jan 1919 en vestigde zich in Zürich. Was bevriend met Brahms en Grieg die hem graag begeleidden. Brahms droeg de Vier ernste Gesänge aan hem op.

Het Amsterdamsch Vocaal Kwartet    —    1 8 9 6 - 1 8 9 7

Nadat hij van 1884 tot 1894 het mannenzangkoor Euterpe op hoog niveau had gebracht, nam Messchaert ontslag. In juni 1896 richtte hij een Vocaal Quartet op, waarin zijn leerlingen Aaltje Noordewier, Cato Loman, Johan Rogmans en Messchaert zelf participeerden. Aaltje Nassau Reddingius huwde op 11 juli 1893 Michiel Noordewier.

Inline afbeelding 1
Vocaal Quartet : Johannes Messchaert, Aaltje Noordewier-Reddingius, Johannes Rogmans en Cato Loman, foto 1896-97.
Westfries Archief Beeldbank Hoorn, Johan Messchaert foto-L296.

Abraham D. Loman jr, broer van Rudolf en Cato Loman, schreef muziek bij Lied uit Dichterdroom van C. van Rennes. Opgedragen aan Johannes Messchaert. Uitgave Alsbach 1899. Zangstem en piano.

Voor de maand mei 1896 heeft Messchaert vrijwel al zijn concerten moeten afzeggen wegens ziekte (galstenen). In juni komt de volgende aankondiging :

Inline afbeelding 1

          De Telegraaf 13 juni 1896

    

Inline afbeelding 3
          De Telegraaf 6 juli 1896

Inline afbeelding 4
          Rotterdamsch nieuwsblad 1 aug 1896

Inline afbeelding 11    Inline afbeelding 9
Het nieuws van den dag : kleine courant 29 nov 1897.        Het nieuws van den dag : kleine courant 30 dec 1897.

Messchaert was al een tijdje ziek voordat deze mededeling in de krant kwam. Noordewier, Loman en Rogmans hebben, volgens de berichtgeving, in onderling overleg het kwartet ontbonden. Na de ontbinding van het kwartet namen de optredens van het duo Messchaert-Röngen - uiteraard - in aantal toe, althans, de aankondiging ervan. M. zei dikwijls af.
Steeds weer verschenen berichtjes als : Johannes Messchaert bevindt zich, na zijn verblijf in het zuiden, volgens buitenlandsche bladen thans geheel hersteld te Baden-Baden, bij wijze van ‘nakuur’.  Enkhuizer Courant 19 mei 1897.

De kwartetconcerten trokken enthousiast publiek en lovende recensies tot nov 1897. Maar op 27 nov 1897 trad Messchaert terug als leider en werd het kwartet "ontbonden". Het is gissen naar het waarom. Het ensemble heeft slechts 1½ jaar bestaan. In de kranten stond dat de opheffing geen verband hield met M's zwak gestel. Maar dat zijn gezondheid niet optimaal was, was genoegzaam bekend, die mededeling was niet geloofwaardig. Waarom dan toch gedaan ? Was er een andere reden ?
1°  Na het vertrek van Messchaert konden de overige drie zangers met een andere bas-bariton de concerten voortzetten, zoals gebruikelijk is bij vocale- en strijkkwarteten. Is de cellist ziek, vertrekt hij naar het buitenland of gaat hij dood, dan wordt het kwartet niet opgeheven maar zoekt een andere cellist en gaat 'gewoon' door, desnoods na enige aanpassing op korte termijn in de programmering, eventueel naamsverandering als het kwartet de naam van de primarius draagt. Waarom is dat hier niet gebeurd ?
2°  Wie had de zakelijke leiding ? Was Messchaert de werkgever en de andere drie zijn werknemers ? Op de achtergrond stond een organisatie, het concertbureau van de Alg. Muz.h. Wie betaalde wie ?

Inline afbeelding 1
Inline afbeelding 2

Middelburgsche courant 19 nov 1897

Inline afbeelding 2

Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant 1 dec 1897

Inline afbeelding 3

Rotterdamsch nieuwsblad 3 dec 1897

    

Inline afbeelding 1

Arnhemsche courant 20 nov 1897

Inline afbeelding 2 
Algemeen Handelsblad 27 nov 1897

Inline afbeelding 1

Het nieuws van den dag : kleine courant 22 nov 1897

Kortom, op 19 nov 1897 is het Kehlkopf Catarrh (overmatige slijmvorming op de stembanden), een dag later verkoudheid, en op 3 dec 1897 is Messchaert "zoo gezond als ooit". Die tientallen jaarlijkse strottenhoofdaandoeningen die toenamen in tal en last tot Messchaert het zingen in 1917 moest opgeven staan niet op zichzelf maar moeten een dieper liggende oorzaak hebben. Geloofwaardiger dan een allergie is dat Messchaert last had van een traag werkende schildklier. Bij deze aandoening horen o.a. de volgende symptomen :
- gewichtstoename
- haaruitval ; Messchaert was snel kalend
- opgezet gezicht, opzwelling van de hals
- gezwollen ogen ; zie de foto's

Inline afbeelding 3   Inline afbeelding 5   Inline afbeelding 2

- hese stem ; vooral Röntgen schrijft in zijn brieven vaak over de heesheid van Messchaerts stem
- overgevoeligheid voor kou ; Messchaert schrijft in zijn brieven naar huis vaak over kou en wind
- herhaaldelijk optredende infecties ; Messchaert was vaak verkouden, had last van luchtweginfecties
- wie een traag werkende schildklier heeft kan vroeg of laat ook door galstenen geplaagd worden

Inline afbeelding 2  Inline afbeelding 6  Inline afbeelding 4

1) Westfries Archief Beeldbank Hoorn, Johan Messchaert foto 16867.  2) Neêrlands Mannen en Vrouwen der Toonkunst, Uitgevers Maatschappij "Caecilia" Amsterdam, ca 1912.  3) Johannes Martinus Messchaert (1857-1922). Zanger en zangpedagoog, Jan Veth, 1903. Objectnummer SK-A-2124, Rijksmuseum Amsterdam.  4) Westfries Archief Beeldbank Hoorn, Johan Messchaert foto 16872.  5) Onze Musici, Portretten en Biografieën, Nijgh & van Ditmar, 1898. 6) Westfries Archief Beeldbank Hoorn, Johan Messchaert foto 4886.

Het verschijnsel Hypothyreoïdie (traag werkende schildklier) was in 1900 nog niet onderkend. Pas in de jaren '30 van de vorige eeuw begon men de werking van de schildklier systematisch te onderzoeken. Geconstateerd werd dat deze klier verband hield met de hormoonhuishouding. Daarvóór, al rond 1890, nam men de schildklier weg bij dieren (geiten, honden) maar kon geen verklaring vinden voor de nare gevolgen van de verwijdering. Mocht Messchaert last hebben gehad van een te traag werkende schildklier dan wist men dat in zijn tijd nog niet te diagnosticeren. Daarbij komt dat de klachten van de patiënt vaag zijn en medici zelfs nu nog moeite hebben om tot een diagnose te komen.

Inline afbeelding 1  

Nadezjda Kroepskaja, al vanaf 1894 vriendin van Lenin, werd onder de bolsjewisten wegens haar uitpuilende ogen met de codenaam 'de Vis' vereerd. Dat haar lichaamsbouw iets met het functioneren van haar schildklier te maken had, werd toen al vermoed.

Meer weten ? Kijk bij ‘hypothyreoïdie’ en ‘axolotl’.

 

 

Nadezda Kroepskaja / Nadezhda Krupskaya leefde van 1869 tot 1939.
Postzegel uit ca 1964.

Foto van rook76 op depositphotos


In mei 1905 heeft Messchaert niet kunnen werken vanwege Gallensteine Kolik, aldus een aantekening in zijn agenda.

In de kranten (helaas onze voornaamste bron) staat dat Messchaert de muziekkeuze bepaalde van zijn vocale kwartetten en liederavonden. Zeker. Hij werd als leider betiteld. Goed. Er wordt geschreven dat hij de repetitiën leidde. Hij was de leidsman. Tuurlijk. Maar daarmee zijn dieper borende vragen niet beantwoord. Speelde De Algemeene Muziekhandel hierbij een rol en zo ja, welke ?
– De Algemeene Muziekhandel, geopend in 1883 [niet -\'84] was gevestigd Spui 2 Amsterdam, v/h Stumpff en Koning. (Stumpff had in de jaren 1850 al een muziekhandel), runde een ‘Concert Bureau’. "Agentschap der voornaamste buitenlandsche agenten. Regelen gecombineerde kunstreizen. Sluiten engagementen met binnen- en buitenlandsche agenten". Advertentie in Onze Musici, Portretten en Biografieën, R'dam, Nijgh & van Ditmar 1898, 312 pp.
– De Nieuwe Muziekhandel, geopend in 1896, was gevestigd Leidschestraat 46 Amsterdam, later ander pand in dezelfde straat. Ook deze muziekhandel dreef een 'concertbureau'.
Men verzorgde publiciteit, deed de kaartverkoop en dat ze als impresariaat optraden en contracten afsloten met artisten en zalen, is niet geheel uit te sluiten.

Het succes van de jaarlijkse Messchaert-Röntgenavond in de Kleine Zaal was zó overweldigend - de stoelen waren niet aan te slepen - dat er ruimte moest komen voor meer, veel meer zelfs. Aan het begin van het seizoen 1897/98 waren er in de Grote Zaal voor het eerst drie Messchaert-Röntgenavonden achter elkaar. [...]
   Bij Messchaert was de goede conditie van zijn stem echter allesbehalve vanzelfsprekend. Hoewel het met hem nooit zo ver is gekomen als met zijn leraar Stockhausen, die soms op concerten maar een paar liederen kon zingen, werd hij in toenemende mate geplaagd door heesheid en ondraaglijke slijmvorming. [...]
   De Messchaert-Röntgenavonden golden als volmaakte presentaties van de liedkunst. Ze hadden al vroeg een legendarische status en muziekjournalisten en publicisten bleven in later jaren benadrukken hoe bijzonder die concerten toch waren geweest, zelfs lang na Messchaerts én Röntgens dood.
   Messchaert zou ook nog in 1918 onder Mengelberg de Christuspartij in Bachs Matthäus-Passion zingen, maar was door stemproblemen verhinderd. Enigszins verlegen makend is de aankondiging in de NRC van 9 februari 1917 avondeditie voor een concert in de Nutszaal te Rotterdam op 3 maart 1917 van Messchaert en de pianist Anton Verhey. Het duo zou Schumanns Dichterliebe en Mahlers Kindertotenlieder uitvoeren. Nota bene! Het concert werd afgelast omdat Messchaert van de Duitse autoriteiten niet mocht reizen (NRC 26 februari 1917 avondeditie).

          Jurjen Maria Vis Gaudeamus Het leven van Julius Röntgen (1855-1932). Componist en musicus. Diss. 2007.

Inline afbeelding 6Enkhuizer Courant 19 mei 1897
Inline afbeelding 7
Arnhemsche courant 16 nov 1907

     Inline afbeelding 1
Arnhemsche courant 20 nov 1897
Inline afbeelding 3
Soerabaijasch handelsblad 23 nov 1897
Verslagje van een concert in Groningen.
     Inline afbeelding 4
De Telegraaf 26 nov 1897

Inline afbeelding 2
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant 1 dec 1897



O n z a l i g e   p o l e m i e k e n   I    —    1 8 9 9

In 1899 richtte De Nieuwe Muziekhandel te Amsterdam (opgericht in 1896) Het Amsterdamsch A Capella-Koor op. De Nwe Muz.h. had een "concertbureau" dat concerten organiseerde en als impresario optrad. Messchaert werd aangezocht of liet zich aanzoeken om de leiding van het koor op zich te nemen. Na 30 repetities en 17 succesvolle concerten nam hij half october van dat jaar ontslag. Dat veroorzaakte wel enige opschudding in de muzikale wereld en daarbuiten. Messchaert zette zijn goede naam in de waagschaal.

Inline afbeelding 2
Foto 1899.  Westfries Archief Beeldbank Hoorn, Johan Messchaert foto-L297.

Inline afbeelding 5          Het nieuws van den dag : kleine courant 16 aug 1899     

Berichten en Mededeelingen

BINNENLAND

Amsterdam. -- De eerste negen concerten welke door "Het Amsterdamsch a Cappella-koor", onder leiding van den heer Joh. Messchaert, zullen worden gegeven, zijn aldus vastgesteld :

10 Sept.   Hoorn
17 Sept.   Amsterdam (Luthersche Nieuwe kerk)
20 Sept.   Haarlem
21 Sept.   Leiden
23 Sept.   Amsterdam (Concertgebouw)
29 Sept.   Rotterdam
30 Sept.   's Gravenhage
   4 Oct.     Arnhem
   5 Oct.     Deventer


      Weekblad voor Muziek 9 sept 1899


In het Weekblad voor Muziek 30 sept 1899 bekritiseerde Hugo Nolthenius de programmasamenstelling van het concert op 23 sept (overladen), de zuiverheid van de a capella koorzang, en de vreemde gewoonte van Messchaert sommige stukken tweemaal achterelkaar te laten zingen, waardoor de onzuiverheid extra aan het licht kwam. Immers, als het stuk een halve toon gezakt was en meteen herhaald werd, zakte het nog een halve toon verder omlaag. Resultaat : een hele toon verschil tussen begin en slot. Nolthenius besloot niettemin zijn veel te lange recensie met de woorden

Inline afbeelding 8   Weekblad voor Muziek 30 sept 1899

Inline afbeelding 20
Algemeen Handelsblad 19 oct 1899
 


's Gravenhage. — Messchaert treedt hier Maandag a.s. op met zijn a Cappella koor
in de Remonstrantsche kerk.
Weekblad voor Muziek 30 sept 1899


1 Februari a.s. hoopt Messchaert met zijn
a Cappella Koor in Leipzig in het Gewandhaus op te treden.
Weekblad voor Muziek 21 oct 1899

Inline afbeelding 21
Algemeen Handelsblad 21 oct 1899
   

Inline afbeelding 22
Algemeen Handelsblad 23 oct 1899

Inline afbeelding 23
Leeuwarder courant 27 oct 1899.   Op 1 februari 1900 zou het koor in Leipzig hebben moeten zingen.
     

Amsterdam. — Wegens ongesteldheid van den heer Joh. Messchaert is de Toonkunst-soirée van 28 October tot nader op te geven datum uitgesteld. De eerste soirée vindt nu plaats op 18 November.
Weekblad voor Muziek 28 oct 1899


De heer  M e s s c h a e r t  is afgetreden als leider van het Amsterdamsche A-Capella-Koor.
Vermoedelijk zal ontbinding van het koor nu wel volgen.

Haagsche courant 28 oct 1899


Inline afbeelding 25
Arnhemsche courant 31 oct 1899


   —   Woensdagavond jl. (1 Nov.) had te Amsterdam een vergadering plaats van het «A m s t e r d a m s c h   a   C a p e l l a - k o o r». In deze vergadering werden de leden in kennis gesteld met een schrijven van den heer Messchaert, waarin deze afscheid neemt van het koor en zich als leider terugtrekt. Hierna werd besloten dat de leden pogingen in 't werk zouden stellen, het «Amsterd. a Cap.-koor» in stand te houden en een waardig opvolger voor den heer M. te vinden.
   Tevens werd 't hun duidelijk, dat de heer M. geheel eigenmachtig het concert in het Gewandhaus te Leipzig had afgeschreven, zonder met de leden van het koor hierover te confereeren.
   Deze eigendunkelijke handelwijze, gevoegd bij phrasen, als zou het koor zich toch nooit aan de hooggestelde financieele en artistieke eischen van den heer Messchaert kunnen voldoen, is oorzaak, dat de stemming van de leden van het koor ten opzichte van hun gewezen dirigent niet rooskleurig kan zijn.
   Een voorstel van een der leden, om openlijk tegen de handelwijze van den heer Messchaert te protesteeren, werd echter met algemeene stemmen afgewezen.

   Arnhemsche courant 4 nov 1899

                                                                            
Messchaert's  à  Cappellakoor.

Op verzoek van den heer Messchaert die er op prijs stelt dat ook de lezers van het W. v. M. zijn zienswijze zullen kennen, omtrent het ontbinden van zijn à cappellakoor, wordt hier overgenomen wat de Arnhemsche Courant van hem bevat als antwoord op eenige door dat blad gedane mededeelingen.
.
Mijnheer de Redacteur !
.
Het schijnt dat men van mijn ongesteldheid en daarna van mijn afwezigheid misbruik maakte om ongestoord onware en onwaardige berichten te verspreiden. | Ik moet dit opmaken uit een gezwollen en zeker niet onpartijdig bericht in uw blad, hetwelk mij naar Wiesbaden werd gezonden. | Om hierop en op dergelijke berichten uitvoerig te antwoorden, zal, hoop ik, overbodig zijn, en ik vraag u dan ook slechts gastvrijheid voor het volgende :
  "Ofschoon het bericht in de Arnh. Ct. van "eigendunkelijke handelwijze" en "phrasen" spreekt, ben ik zoo vrij te veklaren dat ik als directeur van het AaCK bedankt heb, omdat het, na rijkelijke voorbereiding (ik geloof 30 repetities) en na voldoenden proeftijd (meer dan 17 concerten) niet aan de eischen heeft kunnen beantwoorden, die ik mijzelf gesteld heb, en  die  onze  kunst  het  recht  heeft  te  verwachten.

     Pogingen om een der hoofdgebreken te verbeteren waren vruchteloos.
   De verhouding tusschen mij en de leden van het Koor is tot de laatste seconde voortreffelijk geweest en eerst toen ik bedankt had en niet meer in hun midden was, schijnt de stemming 'minder rooskleurig' geworden te zijn. Voor dat ik bedankte, waren de leden zelf van meening, dat er zeer veel haperde.
   De verslagen in de kranten hadden, behoudens enkele uitzonderingen, heel wat aanmerkingen te maken ; en thans, nu ik weiger om naar het buitenland te trekken met een koor, dat niet aan zijn eigen eischen en niet aan de mijne en dus ook wel niet aan de eischen van de eerste kunstinrichtingen van het buitenland kan voldoen, thans noemt men dat "phrasen" zonder te zeggen wat dan wel de reden is.
  Wat mijn "eigendunkelijke handelwijze" omtrent Leipzig betreft, zoo acht ik het beneden mij om ongemotiveerde verdachtmakingen te bespreken. Heeft iemand ook maar het geringste aan te merken hieromtrent, hij melde zich eerlijk en openlijk. "Dem kann geholfen werden".
  Het Nederlandsche publiek ware reeds lang op de goede hoogte geweest, indien niet het voorstel tot openlijk protest met algemeene stemmen "afgewezen" was geworden, zooals het berichtje heel deftig zegt".

              Weekblad voor Muziek 18 nov 1899

————————————                                                                             ————————————

INGEZONDEN.
(van ingezonden stukken wordt de kopie niet teruggegeven.)

Mijnheer de Redacteur !

Mij werd het nummer uwer courant van Donderdag j.l. toegezonden (den onbekenden afzender daarvoor mijn dank), waardoor ik in de gelegenheid was kennis te nemen van het daarin voorkomende schrijven des heeren Joh. Messchaert. 't Doet mij leed, dat genoemde heer gemeend heeft zijn aftreden te moeten motiveeren op deze wijze -- een wijze, die mij dwingt tot een woord van protest, waarvoor ik u beleefd verzoek in uw blad mij de gelegenheid te willen geven. 't Spijt mij heel erg den heer M. onaangenaam te moeten zijn -- maar ik vind geen aanleiding om te zwijgen, waar de heer M. zich niet ontzien heeft op het Amsterdamsch a Cappella-koor, waartoe ik de eer heb te behooren, een blaam te werpen, om zich le beau rôle te verzekeren. Ontegenzeggelijk zou het schrijven van den heer M. kunnen dienen om den goeden dunk, die het publiek van hem heeft als conscientieus kunstenaar, te verhoogen 1*), -- indien het niet mogelijk ware te bewijzen dat hier wel degelijk sprake moet zijn van "phrasen". -- Het door den heer M. gewraakte bericht schijnt mij nog zoo heel "onwaar en onwaardig" niet ! Opdat ieder belangstellende kunne weten,  wie  in deze quaestie verantwoordelijk is, zal ik zoo beknopt mogelijk de geschiedenis van het koor mededeelen. In Augustus heeft de heer M. het koor van 18 personen saamgelezen uit een minstens tweemaal zoo groot adspiranten. Het koor heeft een maand lang dagelijks gerepeteerd, zonder dat de heer M. een woord repte van minder gunstige bezetting van een der partijen. Op de repetitiën verklaarde de heer M. herhaaldelijk, dat "men nog nimmer zoo'n ensemble gehoord had" -- een verklaring, die voor ons zeer veel waarde had, daar de heer M. bij de laatste repetitiën (in de kerk) zich herhaaldelijk in het schip begaf, om beter te kunnen oordeelen. Na de eerste uitvoering in Hoorn verklaarde de heer M. zich voor het geheele koor "gelukkig !"
   Na de eerste uitvoering in Amsterdam werd door eenige critici de opmerking gemaakt, dat de bezetting van één der partijen verbetering behoefde : ik moet er evenwel bijvoegen, dat, waar de heer M. spreekt van "heel wat aanmerkingen" der verslaggevers, deze voor het grootste deel betrekking hadden op de leiding, b.v. op de samenstelling van het programma, de tempi, de voordracht, de herhalingen, enz. De algemeene indruk was : bewondering voor wat het koor praesteerde. Na de tweede uitvoering in Amsterdam werden bijna geen aanmerkingen op het koor meer gemaakt. De heer Dan. de Lange schreef o.a. : "slechts een kleine verandering is noodig om van dit koor een wereldberoemde  groep te maken." Na de laatste uitvoering in Utrecht (de laatste van een vermoeiende reeks van  negen  concerten in  zes  dagen) verklaarde het "Weekblad voor Muziek", dat het koor "de groote verwachtingen die men er van had, verre overtroffen" heeft, en ook de heer M. verklaarde zich  zeer tevreden !
  
Uit dit een en ander kan men zich een oordeel vormen over het beweren van den heer M., dat "na zóóveel repetitiën en uitvoeringen" geen verbetering was gekomen. Ongeveer 14 dagen vóór het laatste concert deelde de heer M. in Deventer zeer verheugd aan het koor mede, dat het Gewandhaus-bestuur te Leipzig de gestelde voorwaarden geaccepteerd had, en het daar te geven concert zou dienen als uitgangspunt voor eene tournée in Duitschland. De samenstelling van het koor scheen dus  toen  nog geen bezwaar te zijn. De heer M. werd ongesteld. — Spoedig daarna verscheen in een aantal bladen tegelijkertijd een bericht "uit de beste bron", dat, "om aan de vele ware en onware berichten over het koor een einde te maken" — de grootste
onwaarheid verkondigde. --
Is den heer M. die "beste bron" bekend ? Eenige leden van -het koor brachten den heer M. een bezoek en vernamen bij die gelegenheid dat ZEd. er liever "af" wilde. Ik wil mij nog eens bedenken of ik de redenen, die de heer M. opgaf voor de noodzakelijkheid van het kiezen van een anderen dirigent zal openbaar maken. Alleen moet ik bekennen, dat ik zeer verbaasd ben, dat de heer Messchaert plotseling zoo'n respect voor aanmerkingen in dagbladen heeft gekregen.

    


Eenige dagen later lazen wij in de courant, dat de heer M. bedankt had en ook het concert in Leipzig had afgeschreven! Dat de heer M. werkelijk voornemens was met het koor naar Leipzig te gaan, kan blijken uit het feit, dat ZEd. pogingen heeft aangewend om van een concert in Rotterdam op dienzelfden datum ontslagen te worden.Toen dat geweigerd werd en de heer M. met de handen in 't haar zat, wat te doen : met het koor medegaan naar Leipzig en de kans te loopen niet meer in Rotterdam gevraagd te worden, of zijne moreele verplichting jegens het koor eenvoudig te ontkennen en Leipzig af te schrijven, kwam daar als een reddende engel de gedachte aan het onvoldoende van die ééne partij -- en de heer M. schreef af ! Als in dit blad is gesproken van "eigendunkelijke handelingen" omtrent Leipzig, is dit m.i. volkomen juist. Vast staat, dat het koor is uitgenoodigd aan het adres van den  heer M., en dat deze de onderhandelingen gevoerd heeft.


-- Maar even vast staat, dat, eenmaal de voorwaarden door het koor geaccepteerd zijnde, de heer M. niet het recht had Leipzig af te schrijven, zonder het koor te raadplegen Hij heeft niet het recht achttien kunstenaars te behandelen als speelgoed, als men er genoeg van heeft, -- te minder, omdat de heer M. geweigerd heeft in zekere nauwere relatie tot de belangen van het koor te treden. Men vergete niet, dat de heer M. in Duitschland wel als  zanger  naam heeft, maar niet als  dirigent, zoodat men veilig kan aannemen, dat het koor niet alleen is uitgenodigd, omdat de heer M. dirigent was, -- zooals deze schijnt te meenen.
   De Amsterdamsche à Cappella-zang was in Leipzig genoeg bekend door de concerten van het vroegere koor onder den heer de Lange -- en ik twijfel er niet aan, of ook onder een anderen dirigent zou het koor naar Leipzig gegaan zijn. De eventueele reizen naar het buitenland zijn voor het koor aanleiding geweest, om zich voor repetitiën en uitvoeringen aanzienlijke opofferingen te getroosten ; ook de heer M. heeft van den beginne aan steeds daarop aangestuurd -- 't is dan ook allertreurigst te ervaren, met welk een waarlijk niet te benijden gemakkelijkheid deze zijne verantwoordelijkheid van zich afschuift. Hiermede zal ik moeten eindigen, daar ik werkelijk vrees te veel plaatsruimte te zullen innemen ; mocht evenwel het bovenstaande den heer M. niet overtuigd hebben dat hij, als  samensteller en leider  van het koor voor alles verantwoordelijk is, en dat niemand, die met de geschiedenis van het koor bekend is, maar een oogenblijk gelooven kan, dat de door Z.Ed. opgegeven reden de  ware  is, dan heb ik nog wel het een en ander, wat ten minste ieder onbevooroordeeld lezer overtuigen kan !

Mijn hartelijken dank voor de plaatsing. Uw dw. OTTO DE NOBEL. A'dam, 19-11-'99.

Den bladen, die het artikel des heeren Messchaert opnamen, verzoek ik beleefd ook dit schrijven te willen plaatsen.

1*) Tot mijne verwondering heb ik echter in de verschillende qualificaties van dit optreden bemerkt, dat de heer M. het tegenovergestelde heeft bereikt, van wat hij bedoelde.
         Arnhemsche courant 21 nov 1899



Nach 1900 begann der Abstieg. "The Dutch lieder and oratorio baritone was DFD's idol. He made very few records, however, he was considered the greatest at the end of the 19th Century and anyone who really wanted to learn lieder technique from the greatest of his generation went to him to study". Opera-L Archives.




Inline afbeelding 28
           Tubantia 18 nov 1899

O n z a l i g e   p o l e m i e k e n   II    —    1 9 0 0

Inline afbeelding 6
Arnhemschencourantn17njulin1900

Inline afbeelding 8
Tubantia 22 aug 1900

Inline afbeelding 10
Arnhemsche courant 5 sept 1900

    

Inline afbeelding 7
Arnhemschencourantn24njulin1900

Inline afbeelding 9
Het nieuws van den dag : kleine courant 27 aug 1900

Inline afbeelding 11
Rotterdamsch nieuwsblad 6 sept 1900

De N. R. C. die aanneemt dat „men niet zonder leedwezen en met bevreemding het plotseling afbestel zal hebben vernomen”, schrijft naar aanleiding dezer aangelegenheid o. a. :

          Het Amsterdamsche Vocaal-kwartet.

Men zal zich herinneren dat geruchten in omloop zijn geweest over de vestiging van een nieuw vocaal-kwartet. Inderdaad hadden zich op initiatief van den heer Messchaert met hem de dames Kappel en Blaauw en de heer Jos. Tijssen vereenigd. Later kwamen berichten van uitstel der uitvoeringen, waarvan de eerste te Hoorn anders reeds zou hebben plaats gehad, en nu komt het stellige bericht, door den heer Messchaert geautoriseerd, dat er van de geheele zaak niets komt, wegens de bezwaren door den heer Tijssen in den weg gelegd.

Inline afbeelding 2
          
          Weekblad voor Muziek 22 sept 1900

    

Inline afbeelding 3

Nolthenius vermijdt het de kernvragen van de zaak aan te roeren :
  1. Heeft Messchaert Tijssen gevraagd voor zijn vocaal kwartet ? Dat is meer dan verwonderlijk omdat Tijssen als operatenor stimmlich welhaast zeker moeilijk ingepast zou kunnen worden in het repertoire dat Messchaert uitvoerde. Dat risico moet M van te voren onderkend hebben. En inderdaad, weten wij nu, heeft de impresario van de Alg. Muz.h. Tijssen naar voren geschoven en gecontracteerd i.p.v. Rogmans, wat meer voor de hand zou hebben gelegen. Heeft M Tijssen een hak willen zetten door niet te protesteren en te hopen op een échec ? Dat geloof ik niet, trouwens, dan stelt zich de vraag naar het waarom en die is niet te beantwoorden.
  2. Heeft de impresario (wie was dat eigenlijk?) Tijssen aan Messchaert opgedrongen ? Dat is minder onwaarschijnlijk dan het lijkt. 'Koppelverkoop' van solisten en eigenmachtig optreden van impresarios komt ook heden ten dage voor. M had zich vóór de oprichting terug kunnen trekken, maar heeft dat niet gedaan en een contract getekend. Vreemd. Naast het gezegde Cherchez la femme moet Cherchez l'argent niet vergeten worden. Was M in mei veel geld kwijtgeraakt ? M en Röntgen speculeerden. Impresariaten hebben i.h.a. weinig met kunst en des te meer met groot geld te schaften. "De bekende impresario 'kolonel' Mapleson heeft  J e a n  d e  R e s z k e  voor een kunstreis door Amerika (40 voorstellingen) een millioen francs geboden. De beroemde zanger heeft echter geweigerd" (De Sumatra Post 19 feb 1902).

Messchaert schrijft nu een erg onverstandig ingezonden stuk in het Muz. Wbl.

INGEZONDEN.

(Buiten verantwoordelijkheid der Redactie.)

Zeer geachte heer Nolthenius.

Gisteren avond ontving ik het Utr. Dagblad waarvoor mijnen hartelijken dank. Hoewel ik mij, vooral in het belang der schuldige personen voorgenomen had te zwijgen en mijn meening slechts te uiten wanneer het hoogstnoodzakelijk zou zijn, zoo meen ik thans, nu de zaak publiek in de bladen behandeld wordt, eenige inlichting verschuldigd te zijn.  Vooreerst de bemerking dat het nieuwe vocaal kwartet  n i e t  op mijn initiatief wordt opgericht. Integendeel heeft het de "Algem. Muziekhandel" veel overreding gekost, om mij tot de leiding en medewerking te bewegen ; hoofdzakelijk ook omdat de "Algem. Muziekhandel" per se Tijssen en niet Rogmans wilde nemen. Wat de heer Tijssen bewogen heeft, of misschien beter gezegd : hoe de heer Tijssen bewogen werd om plotseling zijn contract te verbreken, zal misschien later, wanneer de zaak rechtskundig behandeld wordt, duidelijk worden. Om het contract met de "Alg. Muziekhandel" te kunnen verbreken, moest de heer Tijssen een geval van farce majeure stellen. In aanmerking kwam alleen : ziekte. Maar dan kon hij ook elders niet zingen, zonder in handen te vallen van zijn contractant. Dus de schuld moest gegeven worden aan het k w a r t e t zingen, aan het "kleuren en aanpassen" aan de andere stemmen, aan de stemvorming die van hem verlangd werd en wat al meer ! De slotsom was, dat de leider van het kwartet : Messchaert, druk bezig was om de stem van den heer Tijssen te bederven ! Voorwaar, geen halve maatregel ! En dit was dan eindelijk reden genoeg, om contractbreuk te plegen.
    Ik zeg : eindelijk, want de man die zich leende, een Doctor, om een dergelijk attest te schrijven, moest tot driemaal geforceerd worden om het attest zóó in te richten, dat het eenigszins rechtsgeldig zoude kunnen schijnen, daar het tweemaal door de "Alg. Muziekhandel" werd afgewezen, als zijnde nog niet erg genoeg. Dus alleen om het contract te kunnen verbreken, heeft de heer Tijssen misbruik moeten maken van een Doctor, en deze wederom van zijn positie. Ik hoop in de gelegenheid te worden gesteld om te bewijzen, dat de door den heer Tijssen geraadpleegde keel-specialist weinig van zangkunst of -kunde weet, en zelfs in zijn eigen vak nog veel schijnt te kunnen leeren, en dat de geraadpleegde zangonderwijzeressen, waarvan de courant spreekt, hetzelfde verwijt treft. Tot twistgeschrijf in de couranten zal ik mij moeilijk leenen, en ik zal slechts genoegen nemen met bewijzen van weerszijde.
   Ik zal hebben te bewijzen, dat ik van den heer T. niets anders gevergd heb, dan hetgeen ik van iedereen zou kunnen vergen en zou kunnen verlangen ; maar dat hij, bij zijn groote muzikaliteit en, au fond, zeer gunstige stemmiddelen absoluut onbekend is gebleven met de allereerste beginselen der zangkunst, waardoor hij zijn stem alleen onder zeer beperkte condities kan gebruiken en dan nog alleen in het forte.
    Er zal moeten bewezen worden of de leider van een kwartet te veel eischt, wanneer hij verlangt dat een zanger vocalen en consonanten kan zingen, en zich niet tevreden kan stellen wanneer de zanger geen a, geen o, geen u etc. kan zingen en geheele tekstgedeelten moeten veranderd worden, omdat slechts e en i bruikbaar zijn. Enzovoorts, want het is hier de plaats niet, om in détails te treden. Van "hoogere zangtechniek" zwijg ik geheel. Vooreerst bestaat er geen lage, hooge of hoogere techniek, en ten tweede zou voor personen die er werkelijk iets van weten, de lage techniek juist de allerhoogste zijn. Voorts zal ik hebben te bewijzen, dat de aanmerkingen die ik maakte slechts in het belang en ten gunste van des heeren Tijssen stem waren en dat het alleen aan zijn zeer sterke constitutie ligt, indien de stem niet reeds geleden heeft door de tegenwoordige wijze van zingen die onnatuurlijk en geforceerd is, en die geen modulatie in klank en kleur, en niet de minste lenigheid in aanzet en beweging toelaat. Men noemt dit dan individualiteit en beweert, dat men in de opera zijn stem anders moet vormen dan ergens anders ! Dit alles heeft de heer Tijssen zelf ingezien en gevoeld, en vroeg mij derhalve, na ongeveer een week studeeren of ik dacht dat het toch wel gaan zou ; waarop ik zonder schroom antwoordde, dat ik er niet aan twijfelde, omdat de verandering ten goede reeds in zoo korten tijd zeer merkbaar was. De heer Tijssen heeft, gelijk ik later hoorde, herhaaldelijk betuigd dat de repetities hem zoo bizonder prettig en leerzaam waren, en zeide twee dagen vóór het zenden van zijn ontslag : "ik wou, dat ik zoo een paar jaar kon studeeren".
    Dit vernam ik eerst na ontvangst van zijn bedankbrief, waarin hij mij ook zijn grooten spijt te kennen gaf en zijn dankbaarheid uitsprak voor de ontvangen wenken, enz. Er moet dus in die paar dagen, dat wij geen repetities hadden een groote ommekeer plaats gegrepen hebben, welker oorzaak wel vermoed wordt maar waarover ik geen oordeel kan vellen. Indien de heer Tijssen tot ons gekomen was en zijn vrees had te kennen gegeven, dat zijn gebreken bij het kwartetzingen in volle naaktheid voor den dag zouden komen, en dat hij daarvoor wellicht schade zou kunnen doen aan zijn naam als operazanger, of dat hij vreesde dat hij de vergelijking die men natuurlijk met Rogmans als zanger zoude maken niet zou kunnen doorstaan enz. Òf : dat de directeur der Ned. Opera hem niet missen kon of wilde Òf : dat de repetities van kwartet èn opera hem te veel waren, dan had ik zulks kunnen begrijpen. Maar nu juist het eenige onware motief gebruikt wordt als wapen, en zulks in de dagbladen verspreid wordt, meende ik u van een en ander mededeling te moeten doen.

Met vriendelijke groet, Uw Joh. Messchaert.
Rhein-Hotel, Wiesbaden, 20 September 1900.

          Weekblad voor Muziek 22 sept 1900

Inline afbeelding 6    

Inline afbeelding 7

          Algemeen Handelsblad 25 sept 1900


Het nieuw vocaal quartet.
Naar aanleiding van hetgeen wij uit het W. v. M. overnamen ontvangen wij van den heer  J o s. T ij s s e n  het volgende schrijven. Onze lezers zullen bemerken dat de heer T. daarin détails aanhaalt die door ons niet waren overgenomen.

   “Evenals de heer Messchaert wil ik mij niet tot twistgeschrijf in de couranten leenen, noch hier de talrijke onjuistheden uit zijn brief aan den heer Nolthenius*) stuk voor stuk aantoonen. Alléén wil ik het publiek dat door den heer Messchaert ingelicht wordt, de zaak van mijn kant duidelijk maken.
   Hoe de heer Messchaert zich den ondergeteekende die (volgens hem) absoluut onbekend is gebleven met de eerste beginselen der zangkunst, waardoor hij zijn stem alleen onder zeer beperkte condities kan gebruiken en dan nog alleen in het forte, door den Alg. Muziekh. heeft laten opdringen voor het nieuwe vocaal quartet, is mij een raadsel.
   Wel weet ik dat de heer Messchaert op concerten waar ik medewerkte mij meermalen zijn ingenomenheid met mijn zang te kennen gaf en mij in zijn brief van 2 Juli jl. schrijft, dat hij ieder van ons (de medewerkenden van het quartet) verdienstelijk genoeg vindt en alleen maar een proef wil nemen of onze vier stemmen een gewenscht klankensemble zullen vormen”.

*
) Hugo Nolthenius was 1895-1910 hoofdredacteur van het Weekblad voor Muziek.

            Algemeen Handelsblad 27 sept 1900

J O S   T I J S S E N

Nu moet nodig Jos Tijssen, over wie Messchaert zo te keer gaat, eens voorgesteld worden.
   Josef (Jos) Tijssen (1871-1923) was in zijn tijd een van Nederlands belangrijkste heldentenoren. Naast de grote rollen in dat genre van Siegmund tot Siegfried en van Don José tot Raoul de Nangis en Faust werkte Tijssen ook mee aan de Nederlandse creaties van Simon van Milligens Darthula (1902), Richard Hols Floris V (1892), Daniël de Langes Lioba (1906) en Julius Röntgen's Agnete (1914). Van Tijssens stem bestaan enkele zeldzame G&T opnamen uit 1904. Hij studeerde in Roermond piano, viool en orgel, aan het Brussels Conservatorium piano, contrapunt en compositie. In 1890 solorepetitor en 2e kapelmeester bij Het Hollandsch Opera-Gezelschap (Parkschouwburg Amsterdam), later bij de Nederlandsche Opera. Stem ontdekt, zangles bij Cornelie van Zanten. Maakte naam door onvoorbereid in te vallen als Evangelist in een Matthäus Passion o.l.v. Daniel de Lange. Operadebuut 11 oct 1890 met Leuthold in Wilhelm Tell van Rossini.
   Zong eerst kleine lyrische partijen, maar was al spoedig rijp voor het zwaardere werk in Tannhäuser, Hugenoten, Faust (Gounod, afwisselend met Jacques Urlus !), Roméo, Mignon, Hérodiade, Meistersinger, Bohème, Fidelio, Lohengrin, Carmen. In 1904 trad Tijssen tijdens de Bayreuther Festspiele op in zijn glansrol van Walter von der Vogelweide in ‘Tannhäuser’, die hij in Nederland in bijna tien producties zong. Zijn verdere loopbaan bleef succesvol.
    Er bestaan van Jos Tijssen enkele zeer zeldzame opnames gemaakt voor G&T in april 1904 te Hamburg. Siegmunds Winterstürme wichen dem Wonnemond uit Die Walküre, Fanget an uit Die Meistersinger en een duet uit Faust met Max Lohfing. Het Faust-fragment onthult een nobele in de Franse school en dus getrainde heldentenor van het type waartoe ook Ernest van Dyck, Jean De Reszke en Jacques Urlus behoorden. Dat zijn allen stemmen met een karakteristiek, geparfumeerd timbre en een licht nasale klank. Zie hier.

Inline afbeelding 13            Inline afbeelding 13
          Haagsche courant 28 sept 1900                                                      Josef Tijssen. De Kunst 20 mei 1909

————————————                                                                                      ————————————

Tot heden heb ik gewacht met een enkel woord te zeggen naar aanleiding van een onjuiste opmerking in de Amsterdamsche Courant van 18 Oct. l.l., eerste blad, omdat ik vooraf den Heer Tijssen nogmaals wilde hooren in de partij van Walther Stolzing*). Daar de indruk, dien ik van dien zanger ontving, door het tweede hooren bevestigd werd, herhaal ik de woorden, die ik schreef en die luiden :
       dat de heer Tijssen met den zang van dezen partij een afdoend antwoord gegeven heeft
            op Messchaert's ongegronde beschuldiging, dat deze zanger niet zingen kan
.

De Amsterdamsche Courant laat de volgende opmerking volgen :
   Rectificatie. — Wij hebben onder de critiek des Heeren Barend Kwast de opmerking gemaakt, dat hij ten opzichte van de bewering : "Sommigen beweren, dat de Heer Tijssen met den zang van deze partij een afdoend antwoord gegeven heeft op Messchaert's ongegronde beschuldiging, dat deze zanger niet zingen kon", gezegd, dat de Heer Kwast hier op praatjes "scheen" af te gaan. De Heer Kwast deelt ons mede dat hij niet op praatjes afging, want dat de Heer Daniel de Lange dit in Het Nieuws van den Dag verklaarde. De Heer Kwast meende, dat wij na deze mededeeling de door ons gebezigde uitdrukking wel terug zouden willen nemen.
   Wij doen dit met genoegen, en hadden de opmerking zeker niet gemaakt, indien de Heer Kwast van Daniel de Lange in plaats van "sommigen" had gesproken Sommigen staat gelijk met "Men" en men maakt wel eens praatjes.

                 Daniel de Lange in Het nieuws van den dag van 26 oct 1900 *Wagner, Meistersinger.

————————————                                                                             ————————————

INGEZONDEN.
m
(Buiten verantwoordelijkheid der Redactie).
m
Amsterdam, 25 September 1900.
m
Aan de Redactie van het Weekblad voor Muziek.
m
Mijnheer de Redacteur !
m
Naar aanleiding van het in uw blad ingezonden stuk van den heer Joh. Messchaert, verzoek ik u beleefd het volgende te willen plaatsen. Evenals de heer Messchaert wil ik mij niet tot twistgeschrijf in de couranten leenen, noch hier de talrijke onjuistheden uit zijn brief aan den heer Nolthenius stuk voor stuk aantoonen. Alléén wil ik het publiek dat door den heer Messchaert ingelicht wordt, de zaak van mijn kant duidelijk maken. Hoe den heer Messchaert zich den ondergeteekende, die, volgens hem, absoluut onbekend is gebleven met de eerste beginselen der zangkunst waardoor hij zijn stem alleen onder zeer beperkte condities kan gebruiken en dan nog alleen in forte, door de Algem. Muziekh. heeft laten opdringen voor het Nieuwe Vocaal-Kwartet, is mij een raadsel. Wel weet ik dat de heer Messchaert op concerten waar ik medewerkte mij meermalen zijn ingenomenheid met mijn zang te kennen gaf en mij in zijn brief van 2 Juli l.l. schrijft, dat hij ieder van ons (de medewerkenden van het kwartet) verdienstelijk genoeg vindt en alleen maar een proef wil nemen of onze vier stemmen een gewenscht klankensemble zullen vormen. Dat er bij mij nooit vrees bestaan heeft, dat mijn gebreken bij het kwartetzingen in volle naaktheid voor den dag zouden komen, heb ik onder meer bewezen bij de uitvoering van Mozart's Requiem door "Toonkunst" alhier, waar ik met de dames Noordewier-Reddingius, de Haan-Manifarges en den heer Messchaert kwartet zong (getuige het eenstemmig oordeel der pers.) Na ongeveer een week repeteeren onder leiding van den heer Messchaert, begon ik te twijfelen of de manier van zingen welke ik moest volgen, wel gunstig zou werken op mijn orgaan en daarom vroeg ik den heer Messchaert of hij wel dacht dat het gaan zou.
 
m
m
Dat mijn sterke constitutie, die volgens den heer Messchaert de oorzaak is van het behoud mijner stem ondanks het onnatuurlijke geforceerde zingen wat ik volgens den heer Messchaert deed, de wijze van vocalisatie, enz., bleek ten volle toen ik na eenige weken gerepeteerd te hebben totaal schor werd, het timbre van mijn stem herhaaldelijk oversloeg, verschijnselen welke zich bij mij vroeger nooit hebben voorgedaan. Dat de repetities van meesterwerken in een aangenaam gezelschap mij bizonder prettig en leerzaam waren, zal ieder muzikaal mensch begrijpen en dat men van een man als de heer Messchaert, een meester op gebied van dictie en declamatie, veel kan leeren en hem voor de in die richting ontvangen wenken zijn dankbaarheid uitspreekt is niet minder begrijpelijk, evenals het te kennen geven van mijn spijt over het staken van eene onderneming die aan ieder der medewerkenden belangrijk finantieel voordeel bood. Toen ik nu merkte dat mijn stem ernstig gevaar liep, liet ik mij door een doctor-specialiteit onderzoeken, die mij daarop voorloopig voorschreef eenige dagen de repetities van het vocaal-kwartet niet te volgen omdat mijne stembanden geïrriteerd waren. De directie van de Algem. Muziekh. kon mij evenwel op dat voorloopig attest geen ontslag van contract geven, waarop ik mij eenige dagen later opnieuw liet onderzoeken, ditmaal door twee doctoren. Beiden achtten het noodzakelijk voor mij, het medewerken in het vocaal-kwartet te staken, omdat dit nadeelig was voor mijn stem. De termen waarin deze attesten vervat waren schenen evenwel niet rechtsgeldig te zijn, althans de directie van de Algem. Muziekh. verlangde van mij een attest in anderen vorm, hetgeen ik ook verstrekte na opnieuw nauwkeurig onderzocht te zijn geworden en waarop door de directie van de Algem. Muziekh. de door mij verzochte ontbinding van het tusschen ons loopende contract toegestaan werd.
   U dank zeggende voor de opname.
   UEd. dw. dienaar
   Jos. TIJSSEN Jr.

Weekblad voor Muziek 29 sept 1900


————————————                                                                             ————————————

Op mijn [Nolthenius’, TK] schrijven omtrent het vocaal-kwartet van Messchaert, in het U. D. van l.l. Maandag voor 8 dagen en overgenomen in het vorig nummer van het Weekblad reageert de Amsterdamsche correspondent van de N. R. Ct. met het volgende : *1)

   “Het blijkt mij (daaruit) dat de heer Nolthenius het niet mogelijk acht, dat een zanger, die zich eenmaal naar eene bepaalde methode technisch gevormd heeft, bezwaar zou kunnen ondervinden van het studeeren naar eene andere, zij 't ook betere methode, een bezwaar in dien zin, dat hij zich tijdelijk aan de uitoefening zijner kunst in het openbaar zou moeten onttrekken (de heer T. zich stellende onder leiding van den heer Messchaert moet tegelijkertijd zijne verplichtingen jegens de Nederlandsche Opera nakomen). Ik wil er mij alleen toe bepalen te verklaren, dat ik op dit punt met den heer N. ten eenenmale van gevoelen verschil. Dat ik mij op lichtvaardige wijze tot tolk gemaakt zou hebben van het beweren, dat des heeren Tijssens organen reeds lijdende zijn tengevolge van de oefeningen bij den heer Messchaert -- is eene vriendelijke veronderstelling, waarvan de heer N. de rechtvaardiging wil hebben gezocht, bloot in zijn ongeloof aan het bestaan van een van deskundige zijde afkomstig attest. Zou het niet op zijn weg hebben gelegen dit punt eerst te onderzoeken ? De lofrede die de heer N. verder houdt op kunst van zingen van Messchaert, is niet anders dan een echo op hetgeen ik zelf in het bewuste stukje schreef en door mij ontelbare malen ten aanzien van Messchaerts kunst getuigd is.    "Messchaert is een meesterzanger, wiens kunst in volmaaktheid hare wedergade zoekt", schreef ik. Ik wil daar nog bijgevoegen, dat ik geen zanger ken, wiens kunst van zingen technisch zoo volkomen en tegelijk zoo natuurlijk is. Hem hoorende denkt men aan geen "school" ; nergens treedt naar voren de methode, naar welke hij de natuur heeft trachten te hulp te komen of gebreken heeft leeren corrigeeren. En indien het mogelijk ware, zou door het gebeurde, dat ons hier bezighoudt, mijn achting voor Messchaert, als artist, nog zijn gestegen. Het vocaal kwartet stond onder zijne leiding en in een hoog besef van verantwoordelijkheid jegens de kunst, die hem tot een harer hoogepriesters uitverkoor, stelde hij aan zijne partners de hoogste eischen. Het moet, dunkt mij, duidelijk zijn, dat het niet was Messchaert kleineeren, toen wij als mogelijk onderstelden, dat hij van den heer T. te veel verlangd kan hebben, verlangd wat de heer T. niet kon geven. En ook op den heer Tijssen kan het voorgevallene geen ongunstig licht werpen, waar deze uit zelfkennis zich terugtrok.”
    *1) Het wordt hier geplaatst, als de onaangename kwestie in het ingezonden stuk van den heer T. mede betreffende. 
Ik voel mij verplicht hierbij even aan te teekenen dat ik niet in twijfel heb getrokken hetgeen de Amst. correspondent omtrent het bedoeld attest als feit heeft medegedeeld, maar dat ik het lichtvaardig vond en nog steeds vind, van iemand die zich met zaken als deze bezig houdt, Messchaert te verdenken van een zanger, en in een opzicht als dit en onder omstandigheden als deze te veel te verlangen, ook al getuigt een geneesheer, dat des heeren T. organen reeds lijdende zijn tengevolge van de oefeningen bij den heer M. Iets dergelijks is niet, en zeker zoo maar niet te constateeren, en men moet of geen verstand van zingen hebben of zoo naïef zijn in de onfeilbaarheid van onze hedendaagsche geneeskunst en in ieder van hare dienaren voetstoots vertrouwen te stellen om zich op zoo'n attest te willen beroepen. Wezenlijk, oorzaken zijn dikwijls ontzachlijk moeilijk te constateeren en in het onderhavig geval zijn de omstandigheden zoo ingewikkeld, dat een bezadigd beoefenaar der wetenschap hoogstens tot een "ik vermoed" of een "ik geloof" zou zijn gekomen en het verklaren van een "dat is" m. a. w. het uitspreken van een anathema voor een bedenkelijke brutaliteit moet houden.
   --- Dat de heer T. ter bereiking van zijn doel zulk attest verkreeg en er een vormelijk gebruik van heeft gemaakt is weer geheel iets anders, en houd ik geheel buiten het veld mijner beschouwingen ; te eer daar ik de beide kunstenaars te zeer acht om hun gedragingen in een persoonlijke kwestie zooals dit geval is, aan eenige beoordeling mijnerzijds te onderwerpen. Deze kwestie gaat ons ook in zekeren zin niet aan.
   Het eenige motief dat mij noopte de zaak ter sprake te brengen, is het beweren in de N. R. C. dat Messchaert van zijn tenor wel te veel kan verlangd hebben. Ik denk geen oogenblik aan boos opzet, maar voor deskundigen bevat dit beweren onder de bekende omstandigheden voor den kunstenaar Messchaert iets beleedigends, *2) dat ik niet zoo maar, en in ons voorname dagblad geuit wilde hebben. Aan het motief der verplichtingen jegens de Ned. Opera, door mij als een factor van belang beschouwd, hecht de correspondent nu toch ook wel meer gewicht. In het aanhalen (eerste alinea) van hetgeen ik niet mogelijk acht, is de schrijver niet geheel correct, maar daarover moge de belangstellende lezer door vergelijking der verschillende stukjes zelf oordelen.
           HUGO NOLTHENIUS.

*2) Mij dunkt uit het schrijven van den heer M. zelven, blijkt het duidelijk dat ook hij over de zaak zoo denkt.
Weekblad voor Muziek 29 sept 1900

————————————                                                                             ————————————

 

Inline afbeelding 25               

Inline afbeelding 1
Alg. Hbl. 25 sep 1900

 

Hier eindigt deze onverkwikkelijke zaak in zoverre, dat er in de pers voorzover na te gaan niets meer over te vinden is. Iemand zal ernstig op Messchaert ingesproken hebben. Hij heeft mogelijk de advocaat van Tijssen betaald. Hoe dan ook, hij kwam er mee weg.

Maar Messchaert bleek onverbeterlijk te zijn.








Soerabaijasch Handelsblad 12 dec 1900

  


Enschede

Inline afbeelding 1Inline afbeelding 2

    

m
Inline afbeelding 2

          Tubantia, 30 maart 1901

Zulk onvolwassen gedrag laat zich met een niet optimaal werkende schildklier in verband brengen. Herhaaldelijk stelde hij mensen teleur, dupeerde ze regelrecht in vele gevallen. Ook het feit dat Messchaert vaak meerdere ijzers tegelijk in het vuur hield duidt in die richting.

Uit onderstaande brief van Röntgen aan Messchaert blijkt dat beiden via tussenpersonen geld belegden, toen en nu een riskante bezigheid. Er is niets veranderd.

Amsterdam, 5 mei 95.

Lieber Johan, Gutmann ist ja großartig !
Schließlich werden wir noch von den Wiener Juden an der Börse auf Actien gegründet.
Jedenfalls ist der Curs sehr im Steigen und Gutmann speculiert auf Hausse !
Er weiß natürlich, daß wir in Rosé's Händen sind u. ich denke mir, er will uns mit seinem Anerbieten fühlen laßen, daß wir von Rosé übervortheilt werden.
Daß er aber soviel bieten kann, ist doch der Beweis, daß Rosé tüchtig dabei verdient.
Schade, daß Gutmanns Anerbieten nicht früher kam ! Du hast schon Roué für 2000 fl zugesagt ? In diesem Falle wird nicht viel mehr von ihm zu erwischen sein, auch wenn Du ihm schreibst, daß uns ‘von anderer Seite’ (er weiß natürlich gleich von wem) 3000 fl geboten sind. Jedenfalls ist es aber günstig, wenn er es zu wissen bekommt und ich glaube, Du mußt es ihm schreiben, trotz Gutmanns Bitte, seinen Antrag als ‘vertraulich’ zu behandeln.
Dieser Sorte Menschen gegenüber muß man wahrlich nicht zu rücksichtsvoll sein !
Mit Deinen anderen ‘geschäftlichen’ Vorschlägen bin ich natürlich einverstanden u. freue mich, wenn die Nördliche Tournée zu Stande kommt. Hoffentlich wird es im Norden bald ebenso gut wie in Wien. Also überliefere uns nur getrost den Wolffsrachen !!
Alles Gute für die Musikfeste wünsche ich Dir ! Ich reise morgen [.... etc.]

          Westfries Archief, Hoorn. Johan Messchaert. Nummer toegang 1509, inventarisnummer AII255.

Lichamelijk uitte zijn (veronderstelde) schildklierprobleem zich in zijn veelvuldig niet gedisponeerd zijn, in het teloorgaan van zijn vocale mogelijkheden. Hij moet daar psychisch onder geleden hebben, al is mij daarover niets bekend. In 1917 was hij gedwongen zijn carrière te beeindigen. Voor zijn laatste MP vroeg hij ƒ 1000, voor die tijd een enorm bedrag, maar in 1901 kreeg hij het ook al. M was beslist intelligent als het bijv. muziek betrof, maar deze eigenschap werd in het sociale verkeer overruled, schijnt het, door de veronderstelde omstandigheid dat zijn persoonlijkheid niet volgroeid was. Hij deed kinderlijk domme dingen. Hoe ver was zijn zelfreflectie ontwikkeld ?
    Messchaert was een groot kunstenaar, in het verkeerde lijf geboren.

M e s s c h a e r t s    s t e m p r o b l e m e n

Herhaaldelijk en hardnekkig leest men dat Messchaert een kleine stem had. Dat gold misschien minder voor het begin van zijn zangersloopbaan. Maar inderdaad heeft hij in de laatste helft van zijn carrière zijn stem moeten sparen. Hij moest zijn repertoire aanpassen. Steeds vaker zegde hij concerten af wegens verkoudheid of bronchitis of wat het dan ook was. Maar in vroeger jaren had hij veel minder of geen last van keelaandoeningen, blijkt uit diverse bronnen. Wel kampte hij met galstenen (mei 1905 alles afgezegd).
   Zo schrijft de Enkhuizer Courant van 24 april 1891 n.a.v. een concert in de Dutch Church in Londen "de forsche stem van den heer Messchaert, voor wien zelfs deze groote ruimte niet te veel scheen en die, niettegenstaande hij pas over zee was gekomen, even frisch en krachtig zong alsof hij eenige dagen te voren rust had genoten". Deze recensie is een uitzondering. Hij zal op een acoustisch voordelige plek gestaan hebben, de recensent zal wat overdreven hebben.
    De Leeuwarder courant van 11 dec 1891 schrijft “Zijne uitspraak is altoos even duidelijk. Ook in de krachtige forto's weet hij er voor te waken, dat zijn barytongeluid, overal gelijkmatig ontwikkeld, niet tot ruwheid overslaat ; hij forceert zijn stem niet, een klip, die zoo menig zanger en zangeres zoo moeilijk weet te ontwijken”.
    En nog in 1903 schrijft Het nieuws van den dag, kleine courant van 2 dec : “Op het Zaterdag in St. James Hall te Londen gegeven ‘Popular Concert’ — zoo meldt men ons — werd voor de eerste maal aldaar Busoni's Sonate in E kl. t. voor piano en viool ten gehoore gebracht, door onzen landgenoot Egon Petri en Johann Kruse, die beiden door hun uitstekend spel grooten bijval oogstten.
   Bij dezelfde gelegenheid zong de Heer Messchaert, de beroemde Amsterdamsche bariton, liederen van Löwe en Schubert, terwijl hij in antwoord op het uitbundig gejuich van zijn gehoor ook nog Schumann's ‘Twee Grenadiers’ ten beste gaf. Zij, die dit concert bijwoonden, hebben een zeldzaam genot gesmaakt. Messchaert's zuivere en krachtige stem en zijn artistieke methode deden zelfs aan de geringste détails volkomen recht wedervaren
".

Julius Röntgen (Leipzig 9 mei 1855 - Utrecht (Bilthoven) 13 sept 1932), zijn vaste begeleider (zoon van Engelbert Röntgen, de concertmeester van het Gewandhaus en Pauline Klengel, pianiste) schreef in zijn correspondentie vaak over Messchaert en diens stemproblemen. Messchaert had een zwakke gezondheid. Zijn vele verkoudheden lijken op zeker ogenblik in een chronische strottenhoofd-catarrh te zijn ontaard. In de kranten werd er met terughoudendheid over geschreven, het was een andere tijd. Niemand zou bij een uitvoerige berichtgeving gebaat zijn. Bij afzegging schreef de krant "verkoudheid". Gaandeweg werd toch bekend dat Messchaert steeds meer concerten afzegde, wat een smet zijn reputatie werd.

Inline afbeelding 1
Inline afbeelding 2
Middelburgsche courant 19 nov 1897
     Voeg daarbij dat hij aan galstenen leed, dan mag het bijna een wonder genoemd worden dat hij na deze diagnose Mengelbergs Matthäuspassion in 1917 nog gehaald heeft. Onder degenen die hij moest teleurstellen en soms in grote problemen bracht, waren grootheden als Bruch (1895), Grieg, Mahler, Röntgen, Richard Strauß (1903).

Toch nam men Messchaert zijn vele afzeggingen niet echt kwalijk, de compassie met zijn ziekelijke toestand overheerste, zoals blijkt uit een brief van de pijnlijk getroffen Bruch, die de première van zijn Moses naar de haaien zag gaan. Maar Messchaert had de rol alleen mogen aannemen als hij Bruch, die van het risico onkundig was, op het hart had gedrukt voor een understudy te zorgen, voor het geval hij zou moeten afzeggen. Messchaert grossierde in vreemde gedragingen. Ofwel besefte hij niet hoeveel schade en moeilijkheden hij velen berokkende, ofwel maakte het hem niet uit. Ik vrees het laatste.

Die galstenen speelden in mei 1905 heftig op. Voor die maand heeft hij al zijn concerten af moeten zeggen. Zie zijn kasboek en verder de kranteberichten.

                   Inline afbeelding 3
           Westfries Archief, Hoorn. Johan Messchaert.            Nummer toegang 1509, inventarisnummer BI1
  Inline afbeelding 1
De Tijd : godsdienstig-staatkundig dagblad 3 mei 1905

Inline afbeelding 4
De Telegraaf 5 mei 1905

Inline afbeelding 6
De Tijd : godsdienstig-staatkundig dagblad 5 mei 1905

Inline afbeelding 7
Arnhemsche courant 9 mei 1905

 

Inline afbeelding 5
Het nieuws van den dag : kleine courant 12 mei 1905
  Inline afbeelding 2
De Tijd : godsdienstig-staatkundig dagblad 18 mei 1905

Inline afbeelding 8
Venloosche courant 21 mei 1905


Messchaert heeft bij mijn weten nooit in Altenahr gekuurd. De vraag mag trouwens gesteld worden wie deze persberichten opgesteld heeft.

Messchaert's trefflich geschulter Bariton (von dem durch einige Zeit die schlimmsten Gerüchte verlauteten) klang frischer und voller denn je. Und ebenso hat der grosse Künstler kaum jemals früher seine bei aller Schlichtheit – oder richtiger gerade durch diese ! – so herzbezwingende Vortragskunst eindringlicher, entzückender entfaltet. [...] Den grössten Jubel erregten aber doch in dem gänzlich ausverkauften Saal die zuletzt gesungenen vier Nummern aus den "Müllerliedern", unter welchen er das allbekannte (in Wien beinahe schon abgekeierte) „Wohin ?” wiederholen musste. Dieses Kunststück hat bei uns bisher vor Messchaert nur Alice Barbi zu Wege gebracht.
       Uit 
Musikalisches Wochenblatt 31. Januar 1907

 


JULIUS  RÖNTGEN   

- Correspondentie -

– J R aan Grieg sept 1884   (Messchaert en Röntgen zijn in Vadheim, Noorwegen)
. . . ich bekam für M wenigstens ein Pferd, ich selbst ging bis zur nächsten Station zu Fuß . . .
M hielt einen Ruhetag und ich machte eine der schönsten Partieen, mit der ich wirklich nichts vergleichen kann. Gletscherthäler Ruderfahrten.


– J R aan zijn ouders dec 1885
Messchaert hat schon zugesagt wieder zu singen [den Messiah]. Von der wundervollen Wirkung des Kreuzstabes könnt Ihr Euch aber keinen Begriff machen ! Messchaert hat es aber auch gar zu schön gesungen und zwar Abends viel schöner als in der Probe. Es ist bei ihm so wechselnd.

Na het overlijden van Röntgen's eerste vrouw Amanda Maier schreef Brahms in 1894 aan J R
Der Gedanken an Sie beschäftigt mich ungemein. Wie oft wiederhole ich mir im Geiste die schönen Stunden in Ihrem Hause und sehe die liebe, liebliche Frau vor mir, die es uns Allen gar so wohl und behaglich sein ließ. Schon damals hörte ich allerdings von Freunden, daß Sie nicht ohne Sorge um ihre Gesundheit seien - aber daß diese so bald und so schrecklich ein Ende nehmen müße, dachte ich nicht und erfüllt mich für Sie mit innigster Theilnahme. Möchte ihr schönes Verhältniß zu diesen unsern gemeinsamen Freunden denn dasselbe geblieben sein, sodaß Sie wenigstens dadurch eine Linderung Ihres Schmerzes haben !
    Mit herzlichem Gruß, Ihr J. Brahms

– J R aan Prof. Engelmann 30 jan 1895
Ich hätte in Leipzig sein können, in Verbindung mit einer Reise nach Wien, die ich mit Messchaert vor hätte. Leider wurden durch Messchaert's Unwohlsein alle schönen Pläne vereitelt.

Febr 1896 - Brahms aan Clara Schumann
Freundlich und wohlthuend ist es mir Dir vom jungen Röntgen zu erzählen. Er gab gestern mit Messchaert sein zweites Concert. Beide haben überaus viel Sympathie und schönsten Erfolg. Gestern, die Dichterliebe, war ganz köstlich, namentlich aber auch von Röntgen, bei dem jeder Ton, jeder Akkord herauskam alsob gerade er mit besonderer Liebe angeschlagen würde.

– J R aan zijn tweede vrouw (Abrahamine des Amorie van der Hoeven) mrt 1898
Unser gestriges Concert war wieder großartig und der Erfolg riesig. Der Saal ganz ausverkauft. Messchaert hat herrlich gesungen, leider nur mit der allergrößten Anstrengung ; er sagte, daß es ihm zwei Jahre seines Singens gekostet habe : am Publicum hat man es - dem Beifall nach zu urteilen ! - nicht gemerkt. Nach jedem Lied aus der Winterreise der größte Jubel, paßte eigentlich nicht zu all den Jammerliedern. Messchaert sagte mir, daß er nahe dran gewesen war, aufhören zu müssen. Trotzdem hat er noch einige Lieder wiederholen müssen, und am Schluß dauerte der Applaus so lange, daß wir immer und immer wieder vorkommen mußten. Die Leute wollten noch mehr haben, aber sie bekamen diesmal nichts. Messchaert war ganz erschöpft, ich hatte tiefes Mitleid mit ihm. Ich bin sehr gespannt, ob wir unser nächstes Concert geben können - ich habe große Angst dafür !
Wenn Messchaert nicht singen kann, wird die Preghi für ihn einfallen, ein geniales Frauenzimmer und ein prächtiges Menschenkind, Sängerin ersten Ranges.


– J R aan Grieg 22 oct 1899
. . . heute sollte ich in London sein, befinde mich aber ruhig zu Hause -- es ist die alte Geschichte : M erkältet, wir mußten telegrafiren und St. James Hall steht morgen leer auf unsere Kosten !

– J R aan zijn vrouw 28 nov 1899
Unsere Concerte sind ganz glänzend, Messchaert herrlich bei Stimme, gestern ausverkaufter Saal und großartiger Enthusiasmus.

– J R aan zijn vrouw 17 jan 1900
Ich kann mit der frohen Nachricht anfangen daß es Messchaert viel besser geht und daß alle Aussicht vorhanden ist für unsere beiden nächsten Concerte.

– J R aan zijn vrouw 7 apr 1900
Es war 'mal wieder nichts mit dem Concert ! Messchaert's Heiserkeit wurde schlimmer und wir mußten uns entschließen das Concert ab zu sagen, der arme Messchaert ! Er muß nun nach Wien fahren in der ziemlich sichern Aussicht auch dort nicht singen zu können.

– J R aan zijn vrouw 6 nov 1900
Es war gestern ein großer Abend, Saal ausverkauft, unbeschreibliche Begeisterung ! Wir fingen übrigens das Concert wieder mit Ängsten an. Am Morgen war Messchaert in miserablem Zustand, es machte sich aber im Lauf des Tages und abends war er soweit hergestellt, daß er die beste Hoffnung hatte. In der Winterreise hatte er aber das Gefühl heiser zu werden und hat nur mit größter Mühe gesungen, aber eine Tasse starken Kaffee während op. 111 that geradezu Wunder.

– J R aan Oscar C. Posa aug 1901
Unsre Wienerpläne sind noch ganz im Dunkeln, M zankt sich mit den Impresariën herum -- ich gebe aber Wien nicht auf, trotz allen Agenten. Dafür ist es mir künstlerisch viel zu lieb.

– J R aan Grieg 2 dec 1904
M ist wieder herrlich bei Stimme nach einer Kur bei Dr Lahmann in Dresden.

Heinrich Lahmann † 22 Juni 1905 wandte sich ganz von der klassischen Medizin ab und strebte die Schaffung eines einheitlichen alternativen Heilsystems an, das vor allem die Hydrotherapie, die "Schwedische Heilgymnastik (Seite nicht vorhanden)", Luftbäder und gesunde Ernährung umfassen sollte. Medikamente lehnte er grundsätzlich ab. 1891 veröffentlichte er sein Buch mit dem Titel Die Diätetische Blutentmischung als Grundursache aller Krankheiten. Darin entwickelte er die Theorie, alle Krankheiten seien letztlich durch falsche Ernährung verursacht und folglich auch durch richtige Ernährung zu verhüten.
Lahmann-Sanatorium zie :

https://www.dresdner-stadtteile.de/Nordost/Page10246/Strassen_Weisser_Hirsch/Lahmann-Sanatorium/lahmann-sanatorium.html   (inmiddels onbereikbaar)
Lahmann's theorieën zie :
https://www.hygeia.de/Naturheilkunde-Lahmann  (inmiddels opgeheven)
Zie wikipedia.

– J R aan Grieg 3 oct 1906
Messchaert geht es sehr gut, die vegetarische Lebensweise scheint für ihn doch das Richtige gewesen zu sein.

– J R aan Messchaert 8 mrt 1915
Daß Du nach den herrlichen Holländischen Concerten wieder so schlechte Tage erleben mußtest ! Hoffentlich kurirt Dich deine gute Frau bis zu den Wiener Concerten so gründlich, daß Du dann wieder so schön singen kannst als hier ! Schade daß ich nicht dabei sein kann !

– J R aan Messchaert nov 1919
R schrijft M dat hij verheugd is te lezen dat de familie M in Zürich is gaan wonen. Waar ze het zeker beter zullen hebben dan in Berlijn. “Hier leben wir in einer wahren Concertfluth, Alles kommt jetzt nach Holland um Geld zu verdienen und gut zu essen”. Hij schrijft dat ook Wenen te gronde gaat. De bevolking verhongert. De kindersterfte is enorm. De Kronen en Marken zijn bijna niets waard. “Ich habe noch 8000 Kronen auf der Wiener Bank liegen, die natürlich verloren sind”.

– J R aan Messchaert 22 sept 1920
Ich wußte nicht daß Du so krank gewesen bist -- doch das ist nun glücklich vorbei -- aus Allem was Du schreibst, sehe ich ja zu meiner Freude, daß das "sentendo nuova forza" , das ich Dir in meinem letzten Briefe wünschte, wirklich eingetreten ist: "het smaakt me weer kostelijk" -- das ist doch der beste Beweis, daß die Krisis glücklich überstanden ist.

– J R aan Messchaert Sinterklaas 1920
Weet jelui, dat je oude huis in de Vondelstraat afgebroken is en daar een groot modern Hotel Atlantis gebouwd wordt ?

Brieven van Julius Röntgen. Verzameld door A. Röntgen-des Amorie van der Hoeven. 1934.

Inline afbeelding 1    

Inline afbeelding 7

              De Nieuwe Courant 13 sept 1899.

1. Vondelstraat no 8 met de tweeling voor het raam linksonder. Westfries Archief Beeldbank Hoorn, Johan Messchaert foto 16928— 2. De eerste uitvoering van het nieuwe Amsterdamsch A Capella Koor.

Inline afbeelding 8Inline afbeelding 9
Nieuwe Hoornsche Courant 23 dec 1905.

    

Inline afbeelding 10
Nieuwe Hoornsche Courant 21 april 1906.

NB: Schmidt vergelijkt Messchaert met de legendarische Julius Stockhausen, die wij in Londen bij Brahms' Requiem nog zullen ontmoeten.

---------------------------------------------------------------------------------

Inline afbeelding 1
Westfries Archief, Hoorn. Johan Messchaert. Nummer toegang 1509, inventarisnummer AII184.

Ook Mahler (“Wissen Sie, so schön wie Ihr Messchaert, singt doch keiner meine Kindertotenlieder” schreef Mahler aan Mengelberg) en Strauß (“von Ihnen meine Gesänge, besonders der Notturne unübertroffen und unübertrefflich wieder zu hören”) hebben hem begeleid. Maar hij vergat zijn vaderland niet. Elke winter maakte hij met Röntgen een tournee door Nederland.

Inline afbeelding 1
D. H. Joosten (bestuurslid, de feestredenaar), / Joh. Cramer (concertmeester), Mr. Henri Viotta, Joh. M. Messchaert (B) / J. J. Rogmans (T), Frau Elise Harmacher (S), Mej. Christine Veltman (A). Tekening van Johan Braakensiek.
Westfries Archief, Hoorn. Johan Messchaert. Nummer toegang 1509, inventarisnummer FIV 8-27.

Bij de opening van het Concertgebouw op 11 april 1888 was Messchaert de bassolist in de Negende van Beethoven. Elk voorjaar vervulde hij er onder Mengelberg de Christuspartij in de Matthäuspassion, die hij in 1884 al in de Thomaskirche vertolkt had. Tot 1917, toen hij besloot niet langer meer op te treden en in sept leraar werd aan de HS für Musik in Charlottenburg. Maar daar werd zijn inkomen door de hoge inflatie steeds minder waard, goud mocht niet meer gekocht worden, beleggingen verdampten. Wie ooit postzegels gespaard heeft herinnert zich de Briefmarken van 1 Milliarden Reichsmark. Het werd dus het Konservatorium in Zürich (sept 1919). Begrijpelijk dat Messchaert zijn Villa Johanna moest verkopen om in Zürich te gaan wonen.
   Mengelberg 10 nov. 1916 in Het Leven : “De samenwerking van groot muzikaal talent, uiterst verfijnde techniek, eene mooi en warm getimbreerde stem, verstand en ziel, maakt een zangvoordracht van onzen meesterzanger Messchaert tot 'n onvergetelijk genot”. Grieg, Brahms, Bruch, Mahler beschouwden het als een eer wanneer ze hun liederen met Messchaert konden uitvoeren. Ieder heeft met Stockhausen gewerkt, Grieg heeft zijn opus 60 (5 liederen, 1894) aan Messchaert opgedragen.
– Hieronder twee briefkaarten van Brahms aan Messchaert.

Inline afbeelding 1
Postkaart 8 juli 1896 van Joh. Brahms [*Hamburg 7 mei 1833, †Wenen 3 april 1897] aan Messchaert.

Inline afbeelding 2
Geschatzter Herr. Grade jetzt werden Sie durch Hrn. Röntgen erfahren haben, daß nur die Hälfte des Gerüchtes wahr ist u. zwar eine für den Concert-Sänger recht unerträgliche! Da wäre denn auch eine Widmung nicht so erfreuend u. passend gewesen wie die des Hrn. Röntgen an | Ihrer beiden sehr ergebener J. Brahms.

Inline afbeelding 3
Geschatzter Herr. Da ich über die Zeit Ihres Kommens in Bleibach nichts weiß, so übersende ich Ihnen einliegenden Brief mit der Bitte Frl. Billroth oder mir gütigst ein Wort zu sagen.

Inline afbeelding 4 Selbstverständlich steht für jene Zeit ganz zu Ihrer Verfügung Ihr herzl. grüßender Johannes Brahms.
Bron : Westfries Archief, Hoorn. Johan Messchaert. Nummer toegang 1509, inventarisnummer AII34.

◆   ◆   ◆   ◆  o  ◆   ◆   ◆   ◆

Julius Engelbert Röntgen (*Leipzig 9 mei 1855 – Utrecht, †13 sept 1932) kwam in 1877 naar Amsterdam, op uitnodiging van Abraham Dirk Loman (vader van de alt Cato Loman en de organist, schaker Rudolf Loman). Röntgen woonde 29 april 1878 Vondelkade 77, verhuisde 18 oct 1880 naar Van Baerlestraat 13, vlakbij het toekomstige Concertgebouw. Hij was niet de enige "die over het Vondelpark heenstak". Een stukje Overtoom (in de Vondelbuurt) heeft van 1875 tot oct 1901 Vondelkade geheten. De Vondelkade liep van de Stadhouderskade tot de limietpaal bij de Anna Vondelstraat, met de huisnummers 1 t/m 183.
    De architect Adolf Leonard van Gendt woonde van mei 1877 tot oct 1889 Vondelkade 79, Röntgen van april 1878 tot oct 1880 Vondelkade 77. Beide heren, nauw betrokken bij de totstandkoming van het Concertgebouw, waren dus anderhalf jaar lang buren. Messchaert, ook bij de bouw van het Concertgebouw betrokken, woonde sinds juli 1885 vooraan in de Vondelstraat op nr. 8, tot 16 sept. 1892, toen hij naar de Plantage Parklaan 14 moest verhuizen.

Beeldbank Stadsarchief Amsterdam Afbeeldingsbestand 010043000002_097.
Vondelstraat plattegrond 1892-1903. Het vrijstaande huis met kadastraal nummer 4154 is dat van Messchaert. De huizen nrs 221 en 222 zijn later afgebroken om de C. Huygensstraat via een brug (1947) over het Vondelpark met de van Baerlestraat te verbinden. Geheel rechts de Vondelkade, in 1903 gedempt. Röntgen en van Gendt woonden komend van de Stadhouderskade een paar huizen voor de hoek C. Huygensstraat, net niet op bovenstaand kaartje.

Abraham Dirk Loman, predikant en hoogleraar theologie, was de vader van Rudolf Loman (organist Dutch Church London, schaker) en Cato Loman (altzangeres).*) Naast zijn liturgische werkzaamheden en zijn werk als hoogleraar schreef hij in 1872 een boekje genaamd Twaalf Geuzeliedjes uit de Geusen Liedenboecxkens van 1588 en later. Met de Oorspronkelijke Wijzen waarop ze in den Spaanschen Tijd gezongen werden. Ook deed hij werk voor de Vereeniging ter bevordering der Toonkunst en de Vereeniging voor Noord-Nederlandsche Muziekgeschiedenis. Daarnaast schreef hij artikelen in onder andere De Gids, De Nederlandsche Spectator, Navorscher, Caecilia en het Theologisch Tijdschrift en gaf hij een bundel Over Oud-Nederlandsche liederen bij Valerius (1625) uit. Vanwege zijn betrokkenheid bij het werk van Valerius heeft de gemeente Amsterdam een straat naar hem genoemd (de Lomanstraat), parallel lopend aan de Valeriusstraat in Oud-Zuid.

Inline afbeelding 1
Cato Loman in 1892   

Reg code VFOTNL01473, Afb : 0135480001, CBG.

        
*) Catharina Maria Loman (Cato/Cateau/To), geb. Amaterdam 4 mei 1866, altzangeres en zanglerares, zong in het Ned. A Capellakoor o.l.v. Daniel de Lange, in het A'dams Vocaal Kwartet o.l.v. Johan Messchaert, was bevriend met de Diepenbrocks. Écoutez la chanson bien douce is aan haar opgedragen. Is overleden te Amsterdam 5 nov 1951 (85 jr oud), begraven 8 nov 1951 op Zorgvlied.
   Ze was een zuster van Rudolf Loman, organist van de Dutch Church in Londen, schaakmeester en geheugen-wonder. Hun vader was prof. Abraham Dirk Loman, na een studie aan het conservatorium theoloog, hoogleraar en muziekwetenschapper geworden. Voor het Amsterdamse muziekleven heeft hij als motor en steunpilaar veel betekend. Heeft vele publicaties op zijn naam staan. Hij heeft Julius Röntgen naar Nederland gehaald.

 

             

              


----------------------------- De inhuldiging van Koningin Wilhelmina in 1898 -----------------------------

Op 31 aug 1898 was Wilhelmina 18 jaar geworden en kon het koningschap van de Kon.-Regentes Emma overnemen.

• Maandag 5 sept. Feestgave aan de schooljeugd. Plechtige inkomst van H. M. de koningin met stoet. Wilhelmus bij het Paleis, koningin op het balkon. Gala-diner en receptie in het Paleis [= stadhuis op de Dam.
• Dinsdag 6 sept. Inhuldiging Wilhelmina in de Nieuwe Kerk. Koor van 25 stemmen begeleid door leden van het Concertgebouworkest o.l.v. Willem Mengelberg zingt 3 cpl. van het oude Wilhelmus en 'Nun danket alle Gott'. Aansluitend rijtoer. Gala-diner en rijtoer langs de illuminatie.
• Woensdag 7 sept. Aubade op de Dam door amateurgezelschappen o.l.v. Fred Roeske. Rijtoer van H. H. en M. M. Volksfeesten achter het Rijksmuseum. Oplaten der postduiven. Vaandeldefilé. Optocht over het feestterrein. Waterfeest en vuurwerk.
Aubade in den Haag. Catharina van Rennes had voor de gelegenheid een Oranje Nassaucantate geschreven. Deze werd door kinderkoren door het hele land gezongen. Zelf dirigeerde ze haar cantate in 's Gravenhage, gezongen door 1700 kinderen, begeleid door het regimentskorps der Grenadiers, voor de koninginnen :

Inline afbeelding 2       

Inline afbeelding 3

          Algemeen Handelsblad 11 sept 1898

• Donderdag 8 sept. Tentoonstellingen. 14.30 u. Matinée Musicale in het Concertgebouw. Ondermeer de Cantate van Zweers met Noordewier, van Zanten, Rogmans, Messchaert en Halleluja van Händel. Gala-diner. Gala-voorstelling in de Stadsschouwburg. – 20.00 u. Avondconcert in het Concertgebouw.
• Vrijdag 9 sept. Vertrek van Hare Majesteiten van het Centraal Station.
• Zaterdag 10 sept. Lichtstoet door de stad.

———— Dinsdag 6 september, de inhuldiging ————

Inline afbeelding 7

          De Telegraaf 6 sept 1898

    

Inline afbeelding 2

          Nieuwsblad van het Noorden 7 sept 1898

Er zongen dus 7 sopranen, 6 alten, 6 tenoren en 6 bassen. Andere aantallen / namen die in kranten vermeld worden zijn foutief, wat bij vergelijking te constateren is, en nog vergemakkelijkt wordt door berichtjes als

Inline afbeelding 1      

Elke opsomming die de naam
Louise Mulder bevat
kan terzijde gelegd worden.

 

Algemeen Handelsblad 1 sept 1898


Onderstaande foto is genomen van de inhuldiging in de Nieuwe Kerk. Zie via deze link :
meer foto's van de inhuldiging.

Inline afbeelding 1De orkestleden staan met Mengelberg op de stellage links, het koor rechts.
Beeldbank Stadsarchief Amsterdam afbeeldingsbestand OSIM00007003319

Inline afbeelding 2Het koor staat op de stellage boven de perstribune. Het orkest is op deze uitsnede niet zichtbaar. De lange man midden achterin zou Messchaert kunnen zijn.

———— Donderdag 8 september, de Matinée Musicale om half drie ————

Onderstaande foto van de matinée in het Concertgebouw op 8 sept komt via deze link :
Beeldbank Amsterdam.

Inline afbeelding 4
Beeldbank Stadsarchief Amsterdam, afbeeldingsbestand OSIM00008005470.
Concert in het Concertgebouw om 14.30 op 8 sept 1898. De zon-inval is inderdaad die van halverwege de middag. De vorstelijke personen zitten onder het achterbalcon in de aldaar als loge ingerichte ruimte. Het publiek zit uit beleefdheid 'ten halve gekeerd' aan weerszijden van het middenpad.

Inline afbeelding 2     Inline afbeelding 3
          Algemeen Handelsblad 26 aug 1898                                     Middelburgsche courant 9 sept 1898

Behalve de cantate van Zweers stonden 's middags nog acht andere stukken op het programma. Het Concertgebouworkest stond onder leidng van Mengelberg. De Koninklijke Hoogheden arriveerden om half drie en moesten om vier uur weer in het stadhuis zijn, voor het galadiner. 's Avonds was de cantate Fiore della Neve (Sneeuwbloempje) van Zweers de hoofdschotel.

Inline afbeelding 1
Beeldbank Westfries Archief foto-L1009.
Een blik op het podium bij hetzelfde concert in het Concertgebouw. De vocale solisten zijn v.l.n.r. Messchaert, Rogmans, van Zanten en Noordewier. Mengelberg staat naast zijn lessenaar. Hij heeft de zijschotten van het orgel laten verwijderen en vervangen door kopergaas, zodat de zangers die aan weerszijden bovenin zitten, met die enorme orgelkas tussen zich in, elkaar dóór het orgel heen toch kunnen horen. De maatregel verminderde de kans op ongelijkheden. Pas bij de restauratie van 1993 zijn er weer schotten geplaatst. Pal voor het podium zit het koor van meisjesleerlingen van de M.t.B.d.T. De persoon die op het podium achter de tweede violisten staat, bij de vleugel, is vermoedelijk Daniel de Lange. Vanaf deze plek kon hij de meisjes dirigeren. Het programma wordt in onderstaand artikel beschreven.

Inline afbeelding 1     

Inline afbeelding 1
Inline afbeelding 2

Haagsche courant 10 sept 1898

Om vier uur begon het gala-diner voor 180 personen. Voor het avondconcert moest het gezelschap weer terug naar de van Baerlestraat.

Messchaert is in 1901 gevraagd tijdens het huwelijk van Wilhelmina te zingen. In de kranten werd breed uitgemeten dat men met spanning uitkeek of hij voor die tijd wel beter zou zijn. Uiteindelijk hééft hij gezongen (en heeft hij naderhand de koningin een handje mogen geven).

          

              

In 1924 ging Röntgen met pensioen (van het Conservatorium) en betrok de door zijn zoon ontworpen Villa Gaudeamus in Bilthoven. De muziekzaal in dat huis zweeft boven de grond. Daar ontving hij vele beroemdheden en gaf hij les.



     -------------------- Messchaert-herinneringen 1890 – 1917 van Julius Röntgen --------------------

Naar aanleiding van den aanstaanden 60sten verjaardag van Johannes Messchaert haalde Julius [Engelbert] Röntgen in de A m s t e r d a m s c h e    D a m e s k r o n i e k  de volgende herinneringen op :
    "In de jaren na '80 was het !  Daniël de Lange had zijn a cappella koor gesticht en gaf in de Lutherse kerk een van zijn eerste concerten. Ik zit er met mijn vrouw en daar hoor ik plotseling "Ihr grunen Auen" van Händel zingen op een manier die . . . enfin, die me buiten mezelf brengt van geestdrift ; die me tot een openbaring wordt. Natuurlijk kan ik den lust niet weerstaan, met den solist kennis te maken. Ik ga na afloop van het concert naar De Lange toe, en hoor, dat de zanger een jongmensch is, kersversch door hem uit München "geïmporteerd". We worden aan elkander voorgesteld, wisselen een paar woorden, en gaan daarna ieder onzen weg. Later, als De Lange Messchaert tot leeraar aan zijn muziekschool benoemt, wordt het contact hernieuwd. Ik begin dan met mijn kamermuzieksoirées, waartoe ik ook Messchaert uitnoodig. Hij neemt het aan, en stuurt me dadelijk de partituur van Löwe's Archibald Douglas. Van het oogenblik af, dat we samen studeerden, was de vriendschap tusschen ons gesloten. Hoe heb ik toen het heerlijke, krachtige geluid van Messchaert bewonderd. Nu is zijn stem innig, liefelijk en vol gevoel, maar toen, in die eerste glansperiode, ging er een kracht en een geweld van uit, om nooit te vergeten.
   Onze liederavonden kwamen meer en meer in zwang en voor 't eerst in dien tijd zong Messchaert ook de Christuspartij in de Mattheuspassion, waarmede hij hier en later in de Thomaskirche te Leipzig zijn wereldroem gevestigd heeft.
   Dan richten De Lange, Coenen en ik te Amsterdam het Conservatorium op [1884]. Messchaert wordt hoofdleeraar in den zang en ongeveer tezelfdertijd neemt hij de leiding van het mannenkoor Euterpe op zich. Iedere uitvoering van zijn koor maakt hij tot een gebeurtenis in de Amsterdamsche muziekwereld, omdat hijzelf immer een solopartij vervult.
   Uit dien tijd dateeren ook onze liederavonden ; op een ervan komt Brahms zijn tweede pianoconcert uitvoeren en Messchaert zingt dan "Feldeinsamkeit", door den componist geaccompagneerd. Brahms is buiten zichzelf van geestdrift. "Sie müssen nach Wien kommen", herhaalt hij telkens en telkens weer, en als wij niet spoedig genoeg onze toezegging geven, klinkt het nog overtuigender : "Kommen Sie doch bald. Wien ist reizend und die Mädchen sind so hübsch".
    Wij gaan naar Weenen en 't succes is grooter, dan ik in mijn stoutste droomen had durven denken. Vier keer dien avond moest Messchaert "Feldeinsamkeit" zingen en telkens vrees ik, dat de zaal ineen zal storten van het daverend applaus”.

          Rotterdamsch nieuwsblad 17 aug 1917.

De bladzijde uit het Mengelberg-gedenkboek n.a.v. Mengelbergs jubileum in 1919, waarop Joh. Messchaert bezegelt niet meer te kunnen optreden, is eeen flauwe afschaduwing van het origineel dat Messchaert rechtstreeks naar Mengelberg stuurde. Dat is een persoonlijke hartekreet, beknopt maar welsprekend en ontroerend. Het zal de zanger zwaar te moede geweest zijn toen hij de woorden ‘Matthäus Passion’ doorstreepte en onder zijn handtekening de bassleutel neerpende met de lege notenbalk erachter. Deze het–is–voorbij–grenspalen staan niet in het Mengelberg-gedenkboek.
  "Nicht mehr" staat in de welgekozen regel uit de Matthäus Passion, en er volgt de melodische wending op ‘des Weinstocks’ waarmee Bach in deel 2 van de passie Christus zijn einde laat aankondigen met “kommen in die Wolken des Himmels”. Op de noten van dit motief zong Frida Boccara een halve eeuw later “quand viendra le temps”, in het chanson Cent mille chansons.
Hij gaf nog zanglessen in Berlijn en verhuisde tenslotte naar Zürich.

  

 Inline afbeelding 1
Deze foto van de oudgewordene zanger ligt in het Westfries Archief, Hoorn. Johannes Messchaert, Nummer toegang 1509, inventarisnummer FIV 8-27.

Inline afbeelding 2
Westfries Archief, Hoorn. Johan Messchaert. Nummer toegang 1509, inventarisnummer AII139.
Op 1 april 1917 had Messchaert zijn laatste MP bij Mengelberg gezongen.

In 1919 verhuisde Messchaert van Berlijn naar Zurich, hij verliet het economisch ontredderde Duitsland. Zijn beleggingen waren mogelijk niet veel meer waard. Inkomsten had hij slechts uit zijn lespraktijk en uit de verhuur van zijn huis in Amsterdam. Kort na de beëindiging van WO I verkocht hij zijn huis aan de Vondelstraat en vertrok met zijn vrouw en hun volwassen kinderen naar het mildere klimaat in Zürich, Zwitserland.

Op 13 januari 1919 verschenen voor mij, Adrianus Scheltema Beduin, notaris ter standplaats Amsterdam, in het gebouw voor publieke verkoopingen, genaamd Frascati, in de Nes te Amsterdam, mejuffrouw Metta Agatha Bruijn, de heer Adrianus Bruijn, de heer Lourens Augustus Bruijn, allen fabrikant, wonende te Utrecht en ten deze volgens hunne verklaring handelende als eenige leden van de te Utrecht gevestigde vennootschap onder de firma L. Augs. Bruijn Jr en Co., lasthebster van den heer Johannes Martinus Messchaert, musicus, wonende te Berlijn, Joachimsthalerstrasse 25, evenals zijne echtgenoote in eersten echt gehuwd.
    De comparanten verklaarden op heden en te dezer plaatse te willen overgaan tot den openbaren verkoop van : Het heerenhuis met afzonderlijke bovenwoning, grooten tuin en erven aan de Vondelstraat, plaatselijk gemerkt nommer 51 te Amsterdam.
Kadaster

Ter veiling bracht het 35.300 gulden op.

Inline afbeelding 3        

Inline afbeelding 1

Inline afbeelding 2

1. Messchaerts urn op Friedhof Sihlfeld te Zürich ca 1930.   Westfries Archief Beeldbank Hoorn, Johan Messchaert foto-16940.2. Overlijdensadvertenties. Registratiecode: VFADNL09297, blad 19, CBG.

Inline afbeelding 3                Inline afbeelding 2
De tweelingzusters Els en Mieke overleden ongehuwd en kinderloos.
1. Registratiecode: VFADNL09297, blad 19, CBG.  2. Registratiecode: VFADNL09297, blad 20, CBG.

Messchaert werd in Zürich gecremeerd. De urn met zijn as werd op een grafmonument op het kerkhof Sihlfeld geplaatst. Een greep uit de Nederlandse kranten – de meeste info komt uit de twee onderstaande :

Inline afbeelding 3 Inline afbeelding 2

           Uit  Het Vaderland, 21 sept 1922                                                       Uit   De Tijd, 15 sept 1922

Zaterdagmiddag 24 mei 1930 werd in Hoorn een monument onthuld voor Messchaert, "een in relief uitgehouwen kop, omgeven door eenige symbolische figuren". Acht jaar na zijn dood. Het werd geplaatst in het plantsoen voor het station. De belangstelling was groot ; aanwezig waren M's weduwe en beide dochters uit Zürich, Julius Röntgen, Aaltje Noordewier-Reddingius, Pauline de Haan-Manifarges, Franziska Martienssen uit München, Paul Cronheim, om de belangrijksten te noemen.
   's Avonds gaven Aaltje Noordewier en Anthon van der Horst een concert in de Groote Kerk. "Hoe mevrouw Noordewier heeft gezongen?
O n v e r g e l ij k e l ij k  s c h o o n !
" aldus de recensent H.F.K. van de G&E uit Hilversum.
   Catharina van Rennes is niet bij de inhuldiging van het standbeeld en het concert aanwezig geweest, hoewel verscheidene personen uit haar naaste omgeving maar al te graag bereid zouden zijn geweest haar per auto of trein naar Hoorn te brengen.

Het sombere gedenkteken van Jos. Cantré is naar een ongunstige plaats, een stukje groen tegenover het station van Hoorn verplaatst. Over het kunstwerk van Cantré kan men van mening verschillen, maar de onderbouw, een bakstenen 'zuil' ziet er niet uit, met permissie. De honden plassen er vrijelijk tegenaan.
Foto EK

 

Inline afbeelding 3

 

Inline afbeelding 1
foto van Van Rennes uit Messchaerts nalatenschap. Hij had foto's van veel (muziek) vrienden.
Westfries Archief Beeldbank Hoorn. Johan Messchaert foto 16979

       

Cath. van Rennes werd opgeleid door Hol, Messchaert en van der Wurff. Diploma's in 1883 voor piano-onderwijs en in 1884 voor zangonderwijs en solozang. Ze maakte een snelle carrière als solosopraan. In 1887 stichtte ze een zangschool voor kinderen 'Bel Canto'. Tot haar leerlingen behoorden prinses Juliana en Jo Vincent. Van haar composities is Wiegelied op. 1,11 door Erich Wolff in Berlijn in 1906 op de plaat gezet. Haar succes nam nog toe door Wagenaars Schipbreuk, waarvan de hoofdrol voor haar was geschreven. In 1908 werd ze vijftig en beëindigde haar solo-optredens.
   Allengs trad geheugenverlies op, ze werd dolend in de Utrechtse binnenstad aangetroffen. In 1932 moest Van Rennes haar lespraktijk gaan inkrimpen. Enkele oud-leerlingen zorgden ervoor dat ze in jan. 1933 ter verpleging opgenomen werd in het Klimophuis, Prins Hendriklaan 60 te Amsterdam. Om haar dwalende geest houvast te geven werd haar kamer precies zo ingericht als haar huiskamer in Utrecht. De verhuizing heeft ze nauwelijks opgemerkt. Ze bleef daar tot haar overlijden op 23 nov. 1940.
   Voorafgaand aan de begrafenis hield Johan Wagenaar in de aula een ontroerende rede in memoriam. Er was geen kerkdienst.


Utrecht, 27 November. Onder groote belangstelling is vandaag het stoffelijk overschot van Catharina van Rennes op de Derde Algemeene Begraafplaats te Utrecht ter aarde besteld. De stoet stelde zich voor de woning van een broer van de ontslapene, waar vele kransen aan den lijkwagen werden gehecht. Er waren o.m. bloemen van het Genootschap van Nederlandsche Componisten en het Bureau voor Muziekauteursrecht (Buma) en van "eenige dankbare oud-leerlingen".

Alg Hbl 27 nov 1940

image.png

          Alg Hbl 25 nov 1940

      

LOURENS ALMA TADEMA 1836-1912

Lourens Alma Tadema (*Dronrijp 8 jan 1836, † Wiesbaden 25 juni 1912) bezocht het gymnasium in Leeuwarden en stapte op 16-jarige leeftijd over naar de Koninklijke Academie voor Schoone Kunsten in Antwerpen, verbleef nadien in België, huwde 24 sept 1863 in Antwerpen Marie-Pauline Gressin Dumoulin, maakte kunstreizen naar Duitsland, Italië, Frankrijk.

Inline afbeelding 1
Registratiecode: VFADNL001383, blad 1, CBG.

Zijn vrouw, Marie-Pauline Gressin Dumoulin de Boisgirard, schonk hem drie kinderen. De eerstgeborene, Eugène, *12 juli 1864 leefde maar kort. Het kind overleed 7 oct 1864. Tadema wilde naar Parijs, maar week uit voor de Frans-Duitse oorlog en trok met zijn zus Artje en de twee kinderen, Laurence en Anna, in 1870 (in 1869 was zijn vrouw overleden) naar Londen, waar hij, reeds een bekend kunstenaar, in 1873 'denized' werd. Hertrouwde in 1871 met Laura Theresa Epps. Dit huwelijk bleef kinderloos. Zijn voornaam werd in België Laurent, in Engeland Lawrence. Hij was lid van de Royal Society of Painters in Water-Colour en van de Royal Academy in Londen. Ontving vele prijzen en onderscheidingen, werd geridderd door koningin Victoria in 1899 etc. etc. In 1909 overleed Laura, zijn vrouw. Sir Lawrence Alma Tadema overleed 1912 in het kuuroord Wiesbaden en werd met veel eerbetoon in St. Paul‘s Cathedral in Londen in de crypte bijgezet.
   We gaan Tadema eens na, niet zijn schilderwerk, daar is uitputtend over geschreven, maar onderzoeken lager bij de grondse zaken zoals zijn levensloop, onduidelijke en belangrijke episodes daarin, de toestand waarin zijn schilderijen overgeleverd zijn en de catalogisering ervan. Van Beethoven hebben we een symphonie nr.3 in Es opus 55 die de Eroica heet en in 1804 verschenen is. Klare taal. De lijsten van zijn werk, van dat van Mozart (KV), van Bach (BWV), zijn ons vertrouwd en ze zijn betrouwbaar. Ook van Alma Tadema's werk bestaat een opuslijst. In 1872 voerde hij zelf een ordening van zijn schilderijen in. Hij gaf ze, ook de vroege werken, Romeinse cijfers mee. Hierdoor werd het moeilijker een vals schilderij voor echt te verkopen. Nr I is Portret van mijn zuster, Artje (1851) en het twee maanden voor zijn dood voltooide Voorbereidingen voor het Colosseum (1912) kreeg nr CCCCVIII. De opuslijst van Swanson & Engels (zie hier) is van 2009 en loopt tot opus 408. Schilderijen van ‘eigen’, familieleden of interieurs, kregen niet altijd een opusnummer, evenals portretten in opdracht vervaardigd. Af en toe duikt er een onbekend schilderij van Tadema op, dat in die oeuvrelijst geschoven zal moeten worden of in een appendix geplaatst. Tadema zou van Ostade niet inhalen, maar hij mag een productief schilder genoemd worden. Onderstaand een portret zonder opusnummer.

                

Portret (Antwerpen, 1860) h 27,9 br 23,4 cm van Sientje Tadema *Bolsward 28 nov 1930, † Franeker 20 mei 1890. Lourens vervaardigde dit schilderijtje tijdens zijn studententijd in Antwerpen. Sientje bezocht hem daar. Op de voorkant van de lijst staat L. ALMA TADEMA R. A. 1860 (R. A. = Royal Academician). Alma Tadema werd in 1879 toegelaten tot de Royal Academy, hetgeen hoogstwaarschijnlijk betekent dat de lijst van na die datum is. De lijst is een tabernacle frame zoals Tadema ze zelf graag ontwierp en maakte. Het schilderij maakt sinds 2008 deel uit van de collectie National Gallery of Canada zie hier.

             image.png   Leeuwarder Courant 18 nov 1899

Sientje was een nicht van Alma Tadema, dochter van Zacharias Jeltes Tadema en Klaaske Canter Visscher. Ze ging in juli 1853 (dit valt te lezen in het Bevolkingsregister van Leeuwarden i.t.t. Peter Nahum die op LeicesterGalleries 1851 vermeldt) naar Leeuwarden als Onderwijzeres in de Muzijk. Ze stierf ongehuwd, kinderloos inwonend bij een getrouwde nicht in Franeker. Onder haar invloed ontwikkelde Lourens zijn liefde voor muziek. Nahum geeft 11.49 x 9.25 inch als afmetingen en deelt mede "Certified by the artist's hand in a letter on the reverse, sealed with his wax stamp with the monogram GHM and dated 15 Nov 1899". Dit zal verband hebben gehouden met de tentoonstelling van het schilderij in nov 1899. Het portret werd in 1971 door een onbekende bij Sotheby's ingebracht en geveild. Het staat niet in de opuslijst die Alma Tadema sinds 1872 bijhield. Zo nu en dan duikt er een Tadema zonder opusnummer op. Voor de Leicester Galleries zie hier.

————————

Dat Lourens Alma Tadema's exposities in 1851 (op vijftienjarige leeftijd) met het portret van zijn zus Artje zouden zijn begonnen, valt overal te lezen. Edoch, in 1988 kwamen de heren van het Fries Genootschap na grondig onderzoek met het volgende

image.png
Uit: De Vrije Fries.
De Vrije Fries, jaarboek uitgegeven door het Fries Genootschap van Geschied-, Oudheid-, en Taalkunde en de Fryske Akademie, 1988, p. 91.

————————

Elizabeth Prettejohn & Peter Trippi, Laboratories of Creativity : The Alma-Tademas' Studio-Houses and Beyond, August 7, 2018. British Art Studies.
http://eprints.whiterose.ac.uk/134913/1/Laboratories_of_Creativity_The_Alma_Tademas_Studi.pdfHe, on the other hand, advanced rapidly within the British art establishment painting reconstructions of ancient Rome and Egypt. He became a full Royal Academician in 1879 and, on 24 May 1899, he was knighted in the Queen’s birthday honours. He was the first artist from the continent to have been knighted for over a century”.

———————


    De eerste tentoonstelling waarop een Tadema te zien was werd in Leeuwarden georganiseerd door het Genootschap ter Bevordering van de Teeken- en Schilderkunst in Friesland in het jaar 1851 (volgens sommigen 1850, maar dat is onwaarschijnlijk, zie verderop). Hij zond alleen het portret van zijn zus Artje in. Dit portret is waarschijnlijk verloren gegaan.
   Swanson schrijft in zijn Biography of Sir Lawrence Alma-Tadema, 1994 :

In kranten wordt Alma Tadema vanaf 1861 regelmatig genoemd als deelnemer aan tentoonstellingen, besprekingen van schilderijen (waarbij de meningen uiteraard uiteen lopen).

Inline afbeelding 13
Geboorte-advertentie van Lourens Alma Tadema.  Registratiecode: VFADNL130088, blad 19, CBG.

Lourens Alma Tadema  DATA : *8 jan 1836 Dronrijp, † Wiesbaden 25 juni 1912, bijgezet Londen St. Paul's 5 juli 1912. Zoon van Pieter Jeltes Tadema (*Bolsward 31 mei 1797, † Leeuwarden 8 sept 1840), notaris, en Hinke Dirks Brouwer (*Bolsward 15 mrt 1809, † Antwerpen 3 jan 1863) X Menaldumadeel 8 nov 1832 1848 LEEUWARDEN gymnasiumkreeg tbc was korte tijd in Amsterdam (bij oom Laurens apotheker) en in den Haag16 aug 1852 inschr. ‘Lodewijk’ (bedoeld is Lourens) Tadema, kunstschilder, Lange Nieuwstraat 63 ANTWERPEN — verhuisde naar Kleine Goddaert vlakbij de K.A. — studeerde 1852-1855 Koninklijke Academie voor Schoone Kunsten bij Wappers aug 1852, Dyckmanns (begin 1853), Nicaise de Keyser (1855). — Een andere leermeester aan de Academie was Henri François van Lerius. Tadema liet zich vooral door Dyckmanns inspireren, werkte in 1855 en 1856 in zijn atelier. Eind 1855 verliet Tadema zijn adres aan de Kleine Goddaert en ging hij drie jaar lang in huis wonen en in het atelier werken bij Professor Louis (Lodewijk) Jan de Taeye. In nov 1858 vertrok Tadema tijdelijk naar Leeuwarden. Bij terugkomst (april 1859) ging hij in de leer bij Baron Hendrik Leys Tadema werd door de Taeye bij Leys geïntroduceerd in de herfst van 1858. Van mei 1859 tot sept 1863 heeft Tadema als assistent van Leys gewerkt. 8 april 1859 ingeschreven op Mechelsche Steenweg (Chaussée de Malines) 205 te Antwerpen. Vlg Swanson was dat het voormalige huis van de schilder J. F. P. Portielje. Ook de namen van zijn moeder en zus, Artje, staan hier vermeld (10 mei 1859). — 1860 reis naar Londen — 1861 Keulen 1861 Londen 1862 gouden medaille Tentoonstelling van Werken van Levende Meesters te Amsterdam voor het schilderij Venantius Fortunatus ; tot lid gekozen van Arti et Amicitiae — verlaat 1862 het atelier van Leys moeder Hinke sterft 15 feb 1863 te Antwerpen — verhuist 1861 naar Thomasstraet 13.*)— Trouwt vanuit dit huis 24 sept 1863 huwelijk in ANTWERPEN met Marie-Pauline Gressin Dumoulin de Boisgirard (schilderes) 1863 huwelijksreis naar Florence, Rome, Pompeï — Gaat 1865 naar Saint-Josse-ten-Noode (Sint-Joost), BRUSSEL. Heeft studio 51 Rue des Palais en/of Rue de la limite 29 (=Grensstraat) 1865-1870. Drie kinderen uit dit huwelijk : Eugène (*Antwerpen 12 juli 1864 - 7 oct 1864) Laurence (*Sint-Joost 8 aug 1865 - 12 mrt 1940), schrijfster, dichteres, activist Anna (*Brussel 16 mei 1867 - 5 juli 1943), schilderes oct 1866 L.A.T. kunstschilder tijdelijk wonende te Brussel, mei 1867 idem, april 1868 idem, Marie-Pauline † Schaarbeek 28 mei 1869 aan de pokken dec 1869 Brussel, dec 1869 eerste tentoonstelling in Londen. Consulteerde daar de uroloog Henry Thompson, gepecialiseerd in blaas- en nierstenen, gevolgd door een operatie voorjaar i.i.g. apr 1870 Parijs tot aug/sept PARIJS (4 sept begon le siège de Paris), dan via Brussel naar Londen. sept 1870 verhuizing naar LONDEN woonde 1871 zes-acht mnd op 4, Camden Square, North London voordat hij hertrouwde — Londen 29 juli 1871 tweede huwelijk met Laura Theresa Epps (schilderes, † 15 aug 1909) vestigde zich in Townshend House, Park Road, no. 17 Titchfield Terrace, North Gate, Regent's Park —Tijdens zijn huwelijk jaarlijks 3 mnd op reis in Italië 1872 kunstreizen naar Brussel, Duitsland en Italië 1873 'kleine naturalisatie' Lawrence trok 1873 / 1874 met Laura ruim ½ jaar door Nederland (den Haag), Duitsland (Münster), Oostenrijk (Innsbruck), Italië en Frankrijk Op 2 oct 1874 werd zijn huis ernstig beschadigd door een ontploffing. Hij nam architecten in de arm voor de restauratie en verbouwing waarvoor hij de richtlijnen aangaf — Verhuurde het huis aan zwager schilder Edmund Gosse en ging 1875 via Brussel naar Italië winter 1876 in Rome — 1878 Tadema ontmoet Nijhoff en Vosmaer in Rome — 1879 toegelaten tot Royal Academy of Arts 1879 Royal Academician (R.A.) 1883 reis naar Rome In 1883 kocht Tadema de monumentale villa 17 (nu 44) Grove End Road maar kon Townshend House moeilijk verkopen 1885 17 juli verhuizing naar zijn nieuwe huis 1887 ernstig ziek door inademen verfdamp — 1897 naturalisatie dochters Laurence en Anna A.T. 1899 Knighthood, Sir Alma Tadema en Lady A.T. op 17 nov 1902 naar Egypte vertrokken 1905 Order of Merit (O.M.) 15 aug 1909 Laura overleden — 25 juni 1912 Lawrence overleden in kuuroord Wiesbaden in 1912 aan maagkanker, nierontsteking en aderverkalking. Gestorven in de nacht van maandag 24 op dinsdag 25 juni om half twee. op 28-29 juni naar Engeland overgebracht via Vlissingen-Dover, en op maandag 1 juli naar Londen gebracht, onderweg ijsblokken verversend Vrijdag 5 juli bijgezet in de crypte van St. Paul's Cathedral.
*) Vlg Swanson Rue St Thomas 14.


Georg Ebers (litt.) was een egyptoloog uit Leipzig. Hij schreef een tiental 'Egyptische romans', die invloed op Tadema gehad hebben. Louis de Taeye, archaeoloog te Antwerpen, bezocht 1861 Pompeii en Herculaneum.

JEUGD Tadema

Lourens groeide op in een doopsgezind gezin. Pieter Tadema, zijn vader, was 1832-1837 dorpsnotaris te Dronrijp. Daarnaast was hij een organist van naam die vaak gevraagd werd bij diensten en evenementen door heel Friesland. Vermoedelijk was hij een leerling van een leerling van Jakob Willem Lustig. In 1837 verhuisde het gezin naar Leeuwarden, waar het notarisschap hem meeer verdiensten opleverde. Lourens Tadema en François Haverschmidt (Piet Paaltjens) waren speelkameraadjes, ze zaten samen op de Stadsburgerschool van Leeuwarden tot zomer 1846, en hielden nog jaren contact met elkaar.
   Gedurende zijn schooljaren, eerst in Leeuwarden en later in Antwerpen, was Lourens van nature een leerling die "meedeed" in het schoolleven. Intelligent, een harde werker, maar geen academicus. Later dacht hij wel eens terug aan de saaie schooldagen contra zijn tegelijk ontwikkelend kunstenaarschap. Behalve in tekenen had Tadema alleen interesse in geschiedenis en dan alleen voor die gebeurtenissen die geschikte taferelen voor een aankomend schilder in zich droegen.
   Edmund Gosse, zijn zwager, deelt mee dat Tadema aan het Portrait of my Sister, Artje, in 1849 begon en het in 1850 voltooide. Hij stuurde het in naar een expositie in Leeuwarden, waar het werd geaccepteerd.*)

*) Op 1 nov 1850 is te Leeuwarden een groep kunstliefhebbers bijeengekomen die heeft voorgesteld "een genootschap op te rigten ten doel hebbende de schilder- en teekenkunst in deze provincie te bevorderen naar het voorbeeld van Amsterdam, Groningen en de meeste groote steden van ons vaderland". Dit Genootschap noemde zich Maatschappij ter Bevordering der Schilder- en Tekenkunst in Friesland. Zij wilden dit doel verwezenlijken door het houden van z.g. kunstbeschouwingen en het eens in de twee of drie jaar organiseren van een expositie met werken van levende Nederlandse kunstenaars. Hun eerste expositie zal in 1851 hebben plaatsgevonden.
  Pier Pander (1864-1919, Prix de Rome 1885) verhuisde in 1893 naar Rome, waar hij een atelier opzette. Hij reisde regelmatig naar Nederland waar hij vooral bekend werd nadat hij in 1898 de munt met de beeltenis van koningin Wilhelmina had ontworpen. Pander was onder meer bevriend met Louis Couperus, die tussen 1900 en 1915 in Nice en Rome woonde. Voor kunstenaars die een tijdje in Rome wilden wonen was een bezoek aan Pander een van de eerste agendapunten na aankomst. Hij hielp hen vaak op weg in de vreemde stad. Ondermeer Frans Hogerwaard vond in het eerste decennium van de 20e eeuw via Pander geschikte ateliers. De laatste kwam regelmatig aanwaaien bij Pander in de Via Nomentana waar hij zich thuis voelde. ‘Ik moet oppassen dat men mij niet verwent’.
   De salon van Moleschott was tot diens dood in mei 1893 de spil van het Nederlandse culturele leven in Rome geweest, al was hij internationaler georiënteerd. Beroemdheden als Alma Tadema, de actrice Eleonora Duse en Franz Liszt bezochten de arts, fysioloog, filosoof, vrijdenker, hoogleraar te Utrecht, Heidelberg, Zürich, Rome. Nu kwam de Hollandse kolonie ieder jaar met Oud en Nieuw het jaar inluiden bij Pander. Juffrouw De Kanter serveerde dan haar befaamde erwtensoep. Later werden ook de woning van de gezant en het Nederlands Instituut trefplaatsen.

Alma Tadema werkte als een bezetene aan zijn teken- en schilderpassie. Om zoveel mogelijk van het daglicht te kunnen profiteren moest hij om vijf uur opstaan. Dat kreeg hij voorelkaar door een touwtje in zijn moeders slaapkamer te hangen. Zij stond altijd om vijf uur op en trok dan aan het touwtje dat naar Lourens' kamer liep waar hij het om een grote teen gebonden had. Al zijn zakgeld ging op aan kunstboeken. Het belangrijkst moet voor Tadema wel  A Treatise on Painting **) van Leonardo da Vinci geweest zijn, een boek van bijna 300 pag. Het eerste deel is biografisch, beschrijft hoe Da Vinci te werk ging en geeft een kleine opsomming van zijn werk. Het tweede deel moet Tadema verslonden hebben. Een beeldend kunstenaar moet de anatomie en musculatuur van levende wezens (mensen, paarden) bestuderen. Elke spier en pees, elke beweging heeft invloed op de afgebeelde gestalte. Hoe valt een stof over de ledematen ? Welke zijn de kenmerken van diverse gelaatsuitdrukkingen ? De Vinci kéék, keek naar mismaakten, onthíeld wat hij zag en ging thuis aan het werk, fixeerde ook bij grote emoties - openbare terechtstellingen - de reacties van publiek en veroordeelden tot voorbij de laatste seconde, o n t h i e l d  wat hij wilde zien, en zat thuisgekomen uren te tekenen en te rekenen, en te  m e t e n, lengtes, hoeken, contrasten, als een meestercomponist. Tadema is nergens ver weg. De classicus Brahms eigenlijk ook niet.
   Mede als gevolg van zijn lectuur verfijnde Da Vinci zijn gevoel voor perspectief. Vele schilders hadden in de landmeter en wiskundige Pieter Wils een leermeester voor het ingewikkelde meet- en perspectiefwerk. Zijn boek Wis-konstighe wercken uit 1648 was mogelijk het boek dat Tadema van zijn eerste leermeester Cornelis Wester van de Friesche Teekenschool leende. Een zelfportret (potloodtekening) van Wester bevindt zich in het Rijksmuseum.
   Da Vinci verdiepte zich ook in houten constructies ; hoe zit het met bogen, steunbalken en draagvlakken (de architect), maar ook : kan een houten leeuw lopen (de ingenieur), hoe legt men een kanaal en een stuwdam aan (de waterbouwkundige), waar ligt het zwaartepunt in een bewegend lichaam (de ziener en in-gang-zetter van toekomstige ontwikkelingen) ?

Tadema's vader had hem graag advocaat willen zien worden, zo ook zijn peetouders. Maar zijn duidelijke weerzin tegen een rechtenstudie en een ziekbed met onbekende kwaal leidden tot een compromis. Als alternatief stelde zijn muziekleraar een vakstudie in de muziek voor. Lourens begon met de harmonieleer. Die zal hem aanvankelijk geïnteresseerd hebben omdat toonsafstanden, samenklanken etc. wel enige vewantschap hebben met de proporties en afstanden van elementen op schilderijen. Een aardige bijkomstigheid. Maar het schilderen bleef de hoofdzaak.
   Naarmate hij ouder werd en vaardiger in zijn kunst werd duidelijk dat Alma Tadema in Nederland geen goede leermeester kon vinden om verder te komen. Bij de kunstacademies kreeg hij trouwens geen voet aan de grond (R. J. Barrow, Lawrence Alma Tadema, London 2001). Daarom vertrok hij op 17 juli 1852 naar Antwerpen, met een tussenstop van twee weken in Amsterdam bij zijn oom en peetvader, Lourens Alma. Op 2 aug kwam hij in Antwerpen aan om bij De Taeye (historie) en Leys (techniek) te studeren.

Deels gebaseerd op Biography of Sir Lawrence Alma-Tadema by Vern Grosvenor Swanson, Ph.D. 1994.

**) Samengesteld door Francesco Melzi, een leerling van Da Vinci ; vertaald uit het Italiaans door John Francis Rigaud.

  image.png
        wikipedia Codex Urbinas                                    A Treatise on Painting, hier geheel in te zien archive.org.

In 1872 stelde Tadema voor zijn schilderijen een identificatielijst op. Onder zijn signatuur voegde hij een opusnummer in Romeinse cijfers toe. Dit maakte het moeilijker een vervalsing voor echt te laten doorgaan, want die stond controleerbaar niet op de lijst. Achteraf nummerde LAT ook zijn eerdere schilderijen. Het portret van Artje uit 1851 kreeg opusnummer I. Het twee maanden voor zijn dood voltooide Preparations in the Colosseum, 1912, kreeg opusnummer CCCCVIII. Hij deed dit niet alleen uit eigenbelang, Tadema heeft zich consequent ingezet voor het instellen van regelingen en wetten op het gebied van auteursrecht.

ALMA TADEMA -- naamgeving

– Vader Pieter Jeltes Tadema (1797-1840) (doopsgezind) was notaris in achtereenvolgens Akkrum, Makkum, Dronrijp en Leeuwarden. Huwde 17 oct 1824 Artje Brouwer, dit huwelijk bleef kinderloos. Huwde 8 nov 1832 Hinke Brouwer.
– Lourens Alma Tadema (1836-1912), de schilder, is vernoemd naar zijn oom Laurens Alma (1802-1875), apotheker te Amsterdam. Deze Laurens Alma was getrouwd met een zus (Engeltje Brouwer) van Lourens' moeder.
   Laurens' vader, Petrus Alma (1770-1831), was apotheker te Amsterdam, lid van de Provinciale Geneeskundige Commissie van Noord-Holland, secretaris van de ‘Commissie van Toezicht over de Clinische School’, penningmeester van het hoofdbestuur van de Mij. tot Nut van het Algemeen. Laurens *1802 zette samen met zijn broer Adrianus de apotheek van hun vader in Amsterdam voort.

De kinderen van Pieter Jeltes Tadema kregen merkwaardige namen, met een achternaam als tweede voornaam. Bij Lourens heb je dat niet in de gaten, want Alma is een veelgebruikte voornaam. Maar Alma werd ook als achternaam gebruikt. Lourens Alma Tadema (vaak als Laurens gespeld, maar in de geboorteakte staat echt ou) was met naam en toenaam vernoemd naar zijn oom Laurens (of Lourens) Alma, de echtgenoot van een zus van zijn moeder.
    Pieter en Hinke pasten zulke vernoemingen ook bij hun andere kinderen toe. Hun oudste kind Henricus Antonius kreeg "van Ringh" als extra vóórnaam mee: Henricus Antonius van Ringh Tadema. Van Ringh was een zwager van Pieter.
   Hun jongste, Artje, droeg de voor- en achternaam van Artje Brouwer, Pieters eerste vrouw en de halfzus van Hinke, en kwam dus Artje Brouwer Tadema te heten.

Inline afbeelding 3     

Geboorteregister 1836
Archiefnaam Burgerlijke Stand Menaldumadeel - Tresoar
Archiefnummer 30-25
Brontype boek
Gemeente Menaldumadeel
Inventarisnummer 1015
Naam Geboorteregister 1836
Periode 1836

 

 

 

 

een kind van het Mannelijk geslacht ....... geboren, aan hetwelk hij verklaard heeft de voornamen van Lourens Alma te willen geven.

 

Inline afbeelding 1

Laurens Alma 1802 - 1876
Website van Stichting het geslacht Van Rhijn


Opdat zijn naam in tentoonstellingscatalogussen vooraan kwam te staan voegde Lourens zelf de achternaam van zijn peetoom Alma aan zijn achternaam toe, zo luidt het apocriefe verhaal. Dat is hiermee ontzenuwd.

Een achternaam als voornaam, het kwam vaker voor. Tot het begin van de negentiende eeuw bestonden in ons land geen wetten op het gebied van voornamen. Dat veranderde in de tijd van de Franse overheersing. Toen werden de B.S. en de Franse naamwet ingevoerd. Maar de wet werd voorlopig niet streng gehandhaafd.
   Een voorbeeld : Johan Adriaan Heuff gaf op 16 nov 1820 de geboorte van een zoon aan. Het jongetje werd ingeschreven met de voornaam Wouter van Malsen. Wouter van Malsen Heuff was met naam en toenaam vernoemd naar zijn zijn opa van moederskant, Wouter van Malsen. Het was weliswaar verboden “geslachtsnamen van bestaande familiën” als voornaam te geven, maar in de 19e eeuw knepen ambtenaren vaak een oogje toe.
   In oude aktes van de burgerlijke stand werd vaak geen scheiding aangebracht tussen de voornamen en de achternaam. In Wouters geboorteakte staat wel duidelijk dat Wouter van Malsen de vóórnaam is, maar in zijn overlijdensakte wordt alleen gesproken van het overlijden van Wouter van Malsen Heuff. Wie de geboorteakte niet kent, zal denken dat de achternaam Van Malsen Heuff is. En zó is Wouter dan ook te vinden in Genlias :

Inline afbeelding 2

Als familienaam is abusievelijk Van Malsen Heuff ingevoerd. Op deze manier zijn vroeger meermaals dubbele achternamen ontstaan. Het verbod op het geven van achternamen als voornaam moest dit tegengaan. Bij wet van 31 mei 1934 werd bovendien bepaald dat geslachtsnamen in aktes voortaan aan de voornamen vooraf moesten gaan, gescheiden door een komma. Als Wouter na 1934 was overleden, zou zijn naam dus zijn vermeld als: Heuff, Wouter van Malsen.
Zie deze site.

   Bij de andere twee kinderen van Pieter Jeltes Tadema gebeurde hetzelfde :

Inline afbeelding 3

. . . de voor- en toenamen van Henricus Antonius van Ringh te willen geven . . .   Geboorteregister 1834, archiefnummer 30-25, Burgerlijke Stand Menaldumadeel - Tresoar, inventarisnummer 1014, blad 002 Gemeente: Menaldumadeel Periode: 1834.

Inline afbeelding 2

. . . aan hetzelve de voornamen gevende van Artje Brouwer . . .  Historisch Centrum Leeuwarden
Geboorteregister 1839, Leeuwarden, Aktenummer A246, Archiefnummer 9, Inventarisnummer 338.

Tadema signeerde nooit met een streepje tussen Alma en Tadema. Reeds zijn zelfportret op 16-jarige leeftijd signeerde hij al met : L. Alma Tadema, en dat is zo gebleven (ook in zijn brieven). De Engelsen schreven Alma-Tadema. Bij de beschrifting van Tadema's grafzerk leidde dat tot problemen. In dit stuk houden we vast aan de schrijfwijze van Tadema zelf, behalve in citaten, evenals bij Käthe Diehm Winzenhöler, ook al schrijft haar dochter Hella Haasse 'Winzenhöhler'. Dikwijls schrijft Tadema LAlmaTadema aanelkaar.

Manor House Metal Works, 2nd June, 1916.

Dear Sir, I send herewith by hand Mr. Reginald Blomfield's cartoon of the Alma Tadema Memorial, which will explain everything necessary for the meeting of the Dean and Chapter on to-morrow, Saturday, morning. [...] The metal would be mounted on a black marble slam and the inscription would be on a flat brass plate flush with the top of the black marble. The ornamental portions would be in very low relief, either in brass or possibly bronze. I believe that the name "Lawrence" now spelt with a "W" should be spelt with a "U". Please return Mr. Blomfield's cartoon to me at the earliest possible moment.
      Believe me, Yours truly

            W. Bainbridge Reynolds

ALMA TADEMA, Lawrence Alma - SPCAA/SP/3/126 / St Paul’s Cathedral Archives, London.


MS. Eng. misc. c. 791 / fol. 38. Papers relating to Poland and the Polish Victims Relief Fund of which Miss Alma-Tadema was secretary, 1915-1939. / Oxford University: Bodleian Library, Special Collections.

   


ALMA TADEMA, Lawrence Alma - SPCAA/SP/3/126 / St Paul’s Cathedral Archives, London.
Ontwerp van Blomfield

Sir Reginald Blomfield (architect, monumentontwerper) heeft in zijn ontwerp ook het koppelteken tussen Alma en Tadema niet geplaatst. Bainbridge laat zich er niet over uit. Maar onbekende krachten hebben het streepje laten plaatsen en Laurence laten vervangen door Lawrence. Wat betreft de dochters van Tadema, ze gebruikten het koppelteken niet.

Handtekeningen van Lourens & Laura :
Inline afbeelding 3 Inline afbeelding 4

Handtekeningen van Laurence & Anna :

Inline afbeelding 2 Inline afbeelding 5

Westfries Archief, Hoorn. Johan Messchaert. Nummer toegang 1509, inventarisnummer AII7, AII5, AII6 en AII4.

Duidelijker kan niet. Altijd een spatie tussen Alma en Tadema. Geen koppelteken in corrrespondentie, in signaturen op schilderijen of in boeken. Alleen in gedrukte boeken van Laurence heeft de uitgever soms een streepje gezet omdat de Engelsen er nu eenmaal aan gewend waren. Haar bekendste gedicht is wel If No One Ever Marries Me uit Realms of Unknown Kings (1897).

1    If no one ever marries me,
And I don't see why they should –
For nurse says I'm not pretty,
And I'm seldom very good –
3    I shall have a cottage near a wood,
And a pony all my own,
And a little lamb quite clean and tame,
That I can take to town:
5    If no one ever marries me –
And I don't see why they should —
  ————————————————   ——————————————————    
2    If no one ever marries me
I shan't mind very much;
I shall buy a squirrel in a cage,
And a little rabbit-hutch:
4 And when I'm getting really old,—
At twenty-eight or nine—
I shall buy a little orphan-girl
And bring her up as mine.
  Eerst gedrukt in Realms of Unknown Kings (1897). De tekst die Lehmann in 1900 gebruikt wijkt enigszins van die ‘oerversie’ af.


Op YouTube staan verschillende uitvoeringen van diverse composities op dit gedicht. Een daarvan, waarvan het begin hier is afgebeeld, is lied nr 4 uit een cyclus van twaalf, The Daisy Chain, gecomponeerd door Liza Lehmann rond 1900.
    De teksten van de cyclus zijn van diverse auteurs, R. Stevenson, N. Gale, W. Brighty. Liza was bepaald niet de geringste. Haar ouders waren met Liszt bevriend. Ze heeft van Jenny Lind les gehad, kende Verdi, Clara Schumann, Brahms enz. enz. Moest haar operacarrière beëindigen door een verlamming van de gezichtsspieren maar bleef zingen : tournee Amerika in 1910, waarbij ze zichzelf begeleidde, in 1902 en 1917 in de Proms. Ze componeerde Dutzende und Aberdutzende Lieder’, die zeer in trek waren.
 Inline afbeelding 4       Inline afbeelding 3

© Public Domain, Hathi Trust, Digital Library.

Ook wanneer Laurence boeken signeerde gebruikte ze geen koppelteken.

Inline afbeelding 2         Inline afbeelding 1         Inline afbeelding 6  

1. en 2. Vier toneelstukken en een roman.  3. Folder van uitgeverij The Green Sheaf.  © Public Domain, Hathi Trust, Digital Library. 

 Inline afbeelding 2         Inline afbeelding 1        Inline afbeelding 3

Laurence Alma Tadema, Liefde's lijden. Erven F. Bohn, 1886. Vertaling door mevr. van Deventer-Busken Huet van Love's Martyr, uitg. 1886 te Londen door Longmans, Green & Co., in New York door D. Appleton. Ogedragen aan zus Anna.

Inline afbeelding 2

 

Inline afbeelding 1    

T h e   I d l e r's   H a r v e s t .

Gesigneerd r.o. Anna Alma Tadema 19 / 11 / 84  [?]

Tentoongetsteld Londen, Royal Academy, 1900.

 

useum.org

 


Inline afbeelding 1


Tot zover dit onderwerp. Tadema was en bleef schilder, maar ontwikkelde zich daarnaast tot interieurontwerper, kledingontwerper, designer, lijstenmaker / ontwerper. Hij kan geen gequalificeerd architect of archeoloog genoemd worden, maar de betitelingen bouwkundige en oudheidkundige zijn zeker terecht. Hij was een muziekliefhebber, in wiens atelier topmusici van zijn tijd hebben opgetreden. Volgen we hem in berichten van tijdgenoten.

          Arti tentoonstelling Amsterdam 1862 :  
                 Tentoonstelling in Rotterdam 1862 :

Inline afbeelding 4   Inline afbeelding 1
Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage 31 mei 1862             Middelburgsche courant 11 sept 1862

Tadema heeft 1861-1865 aan de [Sint] Thomasstraat 13 te Antwerpen gewoond. Het huis - als het nog bestaat - is niet aan te wijzen als gevolg van een onduidelijke nummerwijziging. Tadema had hier inwonende dienstmeisjes.

In april 1870 waarde het gerucht rond dat Alma Tadema sterk in aanmerking kwam voor de betrekking van direkteur-hoogleeraar aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Eigenlijk wilde hij zich in Parijs vestigen maar week uit voor de Frans-Duitse oorlog die op 19 juli 1870 begon, en vertrok via Brussel naar Londen.

1.
    

Inline afbeelding 1
2.Inline afbeelding 2
3.

1. De Tijd 8 april 1870 — — — — — 2. De Tijd 16 juni 1870 — 3. Arnhemse Courant 27 juni 1870

Het huis 4 Camden Square was van Frederick Goodall. Hij woonde er met zijn vrouw, vier kinderen en drie bedienden. Hier woonde Tadema met Laura en de kinderen plm acht maanden in 1870/71 voordat hij in Townshend House neerstreek.
   Goodall stond in de census van 1861 ingeschreven op Camden Square no 4, Tadema tien jaar later op hetzelfde adres. Goodall verhuurde zijn huis aan Tadema terwijl hij kunstreizen naar het buitenland maakte. Goodalls kinderen waren de deur uit, mag aangenomen worden.

      

Inline afbeelding 3Leeuwarder courant 4 aug 1871

 

 

Hiernaast is de census uit 1861 weergegeven.

Frederick Goodall woonde 4 Camden Square.

—————

Onder is de census uit 1871 te zien.

Lawrence Alma Tadema woonde in het huis van Goodall ; 4 Camden Square.



© Crown Copyright Images reproduced by permission of The National Archives, London England, and Ancestry.com.

Inline afbeelding 1
Het tweede huwelijk van Tadema.    The Morning Post 01 Aug 1871 / www.newspaperarchive.com.

Arriving in the capital at the beginning of September 1870 with his two young daughters, Alma-Tadema rented the house and studio at no. 4 Camden Square which was owned by the orientalist painter Frederick Goodall who was then travelling in Egypt.
      Dit stukje komt van de site goodallartists
On Fred's return from Egypt the second time, he left London and turned over his premises and studio in Camden Square to artist friend Alma Tadema.
4 Camden Square had been occupied by Frederick Goodall and his family between 1850 and 1870. It was later occupied by artist Laurence Alma Tadema.
   Knowing that he could not stay at Goodall's indefinitely and being anxious to find a new home worthy of his bride 'to be', Alma-Tadema went house hunting. In May of 1871, the Tadema family and Miss Laura T. settled upon a home, which would be their abode for the next fourteen years. The small but lovely Townshend House as it was called, was located at 17 Tichfield Terrace, North Gate, Park Road on the north side of Regent's Park just across the park from Laura's parents.

---------------------------
London, 26 July 1871; Amsterdam, Rijksmuseum, Rijksprentenkabinet :
‘Zaturdag [29 juli 1871] ga ik trouwen en kom in den Haag van 8e August tot 15e natuurlijk vriend Vosmaer bezoeken.’
-----------------------------
17 Grove End Road from 1885 to 1901, the house being re-numbered as 34 Grove End Road in late 1901 (letters sent between November 1901 and January 1902 were addressed '34 late, 17 Grove End Road').


Lawrence Alma-Tadema's house  at  N O R T H   G A T E   R E G E N T ’ S   P A R K

             T o w n s h e n d   H o u s e        M a y    1 8 7 1  - 1 8 8 5

In de Tadema-literatuur wordt veel aandacht geschonken aan zijn veelzijdig kunstenaarschap – Tadema was meer dan een schilder – en aan het interieur van zijn twee woningen in Londen, Townshend House en Grove End Road 17 (later omgenummerd in 34, nu 44). Over Townshend House is minder bekend. De plek waar dit in 1905 afgebroken huis heeft gestaan wordt door publicisten onduidelijk of niet aangegeven, vermoedelijk omdat ze het niet precies weten en geen onderzoek hebben gedaan. Het is lastig maar niet onmogelijk de plek te vinden.
    Van het interieur zijn beschrijvingen en afbeeldingen voorhanden. Maar waar het precies stond, hoe het eruit zag en door Tadema verbouwd werd is niet precies of helemaal niet bekend. Op die punten heeft dit hoofdstukje het nodige te bieden aan wie zich met de eerste helft van Tadema's leven bezighoudt.
Wie woonden in Townshend House? Lawrence, Laura, hun twee dochters, het dienstmeisje Alice Search en baby Pieter Rodeck (zoon van Tadema's zus Artje, die in 1875 was overleden). Verder hebben Laura's zussen Emily Epps (Williams-Epps) en Ellen Epps (Gosse-Epps, leerling van Alma-Tadema) een tijdje in Townshend House gewoond hoewel hun namen niet in het bevolkingsregister voorkomen. Maar bij de census van 1871 wordt Emily vermeld.


Cottages and villas The Birth of the Garden Suburb, Mireille Galinou (2010).

Emily Epps (1840-1912) trouwde in 1863 met Robert Henry Williams (1837-1864). Toen ze weduwe werd ging ze weer bij haar vader wonen en later heeft ze bij verschillende gezinnen op kamers gewoond.
Ellen Epps (1850-1929) was een leerling van Alma-Tadema. In 1875 trouwde ze met Edmund William Gosse.

In 1881 had Tadema een kok en drie dienstbodes in huis inwonend.
Inline afbeelding 5
© Crown Copyright Images reproduced by permission of The National Archives, London England, and Ancestry.com

Later hebben Emily en Giambattista Amendola, beeldhouwer, ook in Grove End Road gewoond. Amendola produceerde een beeld van een zittende Laura en Tadema maakte een portret van Amendola. Amendola hield het vanwege zijn zwakke longgesteldheid niet lang uit in GB, hij ging rap terug naar Italië.

Towns End of Townsend betekent niet hetzelfde als Townshend, waarin 'hend' in de betekenisgroep houden, vast-, binnenhouden valt.
Gate = poort, hek, deur, slagboom, toegang, draaihek, weg, straat, afsluitboom, entree(geld).
Susp. Br. = suspension bridge = hangbrug.
Lodge = (Eng. en Ned. door elkaar) jachthuis, hunting box, inn, hostel, tavern, hut, cabin, cottage, shack, portierswoning, porter's lodge, gatehouse, portierskamer.
Office = kantoortje, werkkamer(tje).
De opeenvolgende kaartuitsneden geven een duidelijk beeld van de bouwwoede aan de rand van het zich uitdijende overbevolkte Londen, hoewel ze niet bijzonder precies getekend zijn. Straten bestonden al voordat ze een naam kregen. Terrace betekent gewoon straat of hofje.

Inline afbeelding 1   1885 Townshend House
Inline afbeelding 3
© Crown CopyrightImages reproduced by permission of The National Archives, London England, and Ancestry.com

Toen Regent's Park in 1814 klaar was, kwamen onmiddellijk plannen op tafel de gewenste vaarverbinding tussen Paddington en Limehouse aan de rand van het park te realiseren. De bouw begon met spoed. Het eerste stuk tussen Paddington en Camden Town werd in 1816 geopend incluis de 251 meter lange Maida Hill Tunnel en de 48 meter lange Lisson Grove Tunnel. De sectie tussen Camden en Limehouse werd in 1820 geopend. Dit deel omvatte de 878 m lange Islington Tunnel en de Regent's Canal Dock. Natuurlijk liepen er jaagpaden op de oevers. De diepte was aanzienlijk.

De gebruikte kaartuitsneden komen van https://mapco.net ; c 1815 of c. 1815 betekent circa, in ander verband census.

St. John's Wood werd niet alleen door kunstenaars en rijke buitenhuisbezitters bevolkt, de theosofe Blavatsky heeft rond 1890 aan de Avenue Road gewoond en er een Hall voor 250 mensen laten bouwen, Annie Besant is er zelfs geboren en later teruggekomen.

    

Dr. Alfred Swaine Taylor, de expert in ontploffingen van kolendamp, woonde 15 St John’s Wood Terrace. Ook zijn huis was zwaar getroffen.
    De onderzoekscommissie voegde aan haar rapport toe dat de Canal Company zich bij het vervoer van buskruit aan grove nalatigheid schuldig maakte, en dat de bestaande wetten ten enenmale onvoldoende beschermimg voor de bevolking boden, voorzover ze al nageleefd werden.


< < < London Illustrated News 24 October 1874
© Illustrated London News Group.


17 Titchfield Terrace werd gebouwd c. 1815. Tadema kocht het van de directie of rechtstreeks van de superintendent van het park. Ondergenoemde Richard Noble, Police Constable, oud 26 jaar, kan het moeilijk geweest zijn. Wel kan de parkdirecteur het hebben laten bouwen en erin gewoond hebben. Het huis 17 Titchfield Terrace had op dit moment (census 1871) het huiswijknummer 204 in de Civil Parish of M.Bone en lag in het Ecclesiastical District of S. Stephen.

RG10 / 184 / 88, Archives of the City of Westminster London.

Mireille Galinou beschrijft in Cottages and Villas. The Birth of the Garden Suburb (2010) het ontstaan van de tuinstad St. John's Wood buiten de City, ten NW van Regent's Park. Onderstaande kaartjes concentreren zich op de groei van St John's Wood Terrace onder Primrose Hill richting Camden Town, waar een kunstenaarskolonie ontstond rond Townshend Road, Avenue Road, Grove End Road, Abbey Road. Het is handig deze kaartjes bij verder onderzoek bij de hand te hebben, ook al zijn ze niet alle even precies.

1817 De Macclesfieldbrug is aangegeven, er loopt een (naamloos) weggetje, hier is het kanaal net klaar.

Inline afbeelding 1

Hier in het noorden van St. John's Wood is het landschap nog bijna leeg. Het kanaal ligt er al.

    Inline afbeelding 4

Dit kaartje uit 1820 toont het begin van de bebouwing van de latere Frederick Street te zien. Camden ligt bij de volgende brug. Daar woonde Tadema een half jaar bij vrienden.

Het kaartsegment is helaas te klein. De brug is een Iron Bridge geworden en heeft de naam Macclesfield Bridge gekregen. Op de kaart lijkt ze nog steeds een smalle hangbrug. De vraag is wanneer de tien draagpijlers zijn geplaatst. Park Road loopt linksonder in beeld.

-----------------------------------------------------------

De explosie van de Tilbury is aanleiding geweest tot een diepgaand onderzoek naar de oorzaak. Heel wat natuurkundige en scheikundige proeven zijn genomen. De verslagen van de onderzoekers zijn te vinden in :

Coal. Spontaneous combustion and explosions occurring in coal cargoes: their treatment and prevention. Also the prevention of fire or explosions in ships, etc. (Appendices.) by Thomas Rowan. First published in 1882.
Het boek bevat diverse rapporten. Ik citeer een passage uit Major Majendie's Report on the Explosion of Gunpowder in the Regent's Park (1876).

The occurrence in Coal cargoes of Gunpowder in the Regent's Park, on board the canal boat Tilbury, only shows what still may occur in the holds of ships. There was benzoline on board the Tilbury, and there was also gunpowder. The leakage of benzoline from the casks, volatilizing into vapour, and mixing with a large proportion of air, formed, as it were, a train which conveyed a flame from a lighted stove in the cabin to the gunpowder casks in the hold, resulting in a dreadful catastrophe. Is not this highly suggestive of the probable causes of those accidents which have but recently happened ?

In het roefje van het schip hieronder staat het middagmaal van de schipper te pruttelen op een scheepskacheltje.

Inline afbeelding 1
Wikimedia Commons © Public Domain.

Thomas H. Shepherd - Image extracted from page 219 of Metropolitan Improvements; or London in the Nineteenth Century, by James Elmes. Original held and digitised by the British Library. Macclesfield Bridge, Regent's Park - Shepherd, Metropolitan Improvements (1828).
1823 ?  (in 1827 verscheen een nieuwe ingekleurde versie van de prent). Alles glimt nog van nieuwheid. Een keurig jaagpad met een strak hek erlangs, zodat er tol betaald moet worden - veronderstel ik - in het pay office, het tolhuis dat rechts de North Gate bewaakt. In 1874 zal het bij de ontploffing van een kruitschip ernstig beschadigd worden.

----------------------------------------------------------------------

Inline afbeelding 3
1828 begin van de bebouwing aan Avenue Road — London Morning Post Tuesday, August 5, 1828, London, Middlesex
/ www.newspaperarchive.com.

Inline afbeelding 3
1872
Tadema woont in Townshend House en het is twee jaar voor de explosie.

Park Road tot aan de brug en Primrose Hill Road daarna.

Inline afbeelding 4
1878 (ook op het kaartje uit 1877) valt af te lezen dat de straat tot de brug Park Road en na de brug Albert Road heet.

Inline afbeelding 6
1886. Tadema is verhuisd. De tekening klopt niet. Park Road - Albert Road.

Inline afbeelding 7
1897 Albert Road is doorgezet voorbij de brug. De tekening (op deze site) voor de riolering Townshend House is uit 1905, daar wordt het huis gesitueerd aan Albert Road, dat klopt dus met dit kaartje uit 1897.

Inline afbeelding 8
1908

in 1908 ligt het al weer anders . . .

Inline afbeelding 9

Inline afbeelding 2
      
Inline afbeelding 3

1. London Morning Post Wednesday, January 10, 1849, London, Middlesex / www.newspaperarchive.com. 2. L. Alma Tadema. Registratiecode: VFOTNL000286, Afbeelding: 0002680001.jpg. Deelbibliotheek: Fotocollectie Veenhuijzen, CBG.

In 1849 was Townshend House dus een rijk ingericht groot huis. Verkocht werden tevens een grote britzska (4-wiels paardgetrokken rijtuig), pony-gig and harness (2-wielig karretje door een pony of paardje getrokken plus tuig / gareel). Wie de verkoper was is niet bekend, noch wie het gekocht heeft.
   Onderstaand een kaart bij een plan voor aanleg van riolering bij Townshend House. Datum 1905. Waar het pand stond is duidelijk aangegeven : op de hoek van de Albert Road, die langs het kanaal loopt, en Townshend Road. De naaste buur is nr 16 Titchfield Terrace (wat klopt als je bij nr 1 begint, Townshend House moet dus nr. 17 zijn. De twijfel omtrent de datering is benaderend te verkleinen o.a. door te bepalen wanneer Albert Road veranderde in Park Road of Primrose Road of omgekeerd veranderde in Albert Road (tegenwoordig Prince Albert Road). Albert, de echtgenoot van Queen Victoria, overleed 14 december 1861.

      

R E G E N T S    P A R K

 

A L B E R T   R O A D

 

 

F o r e c o u r t

. . . . . .
Outer .....          F r e e

16 Titchfield Terrace
TOWNSHEND HOUSE
and .... ....


free


G a r d e n

 

 

 

D

A

O

R


D

N

E

H

N

W

O

T

WDP 1/3/1648/9 Folio 905 / City of Westminster Archives London.

Er wordt bij vermeld: "Townshend House .... backs on to 16 Titchfield Terrace and runs along Townshend Road to corner with Albert Road." Op de kaarten van Old Ordnance Survey Maps, St John's Wood 1868 en 1893 staan de huizen van Titchfield Terrace keurig op een rijtje. Kaarten zijn vaak slordig getekend. Deze niet.

    Tel tot 17 langs Titchfield Terrace.
WDP 1/3/1648/9 Folio 905 / City of Westminster Archives London.
Old Ordnance Survey Maps, St John's Wood 1868 & 1893.

Inline afbeelding 1Plattegrond van Townshend House getekend door Carel Vosmaer.
Nationaal Archief, Den Haag. Verslag, bijgehouden door Carel Vosmaer betreffende een reis en verblijf bij de schilder Laurens Alma Tadema in Londen, 1883, nummer toegang 2.21.271, inventarisnummer 281.

Inline afbeelding 1

Bataviaasch Handelsblad 19 jan 1877.

Over de Pompeïsche tempel die Tadema van zijn huis gemaakt had.

De zij-ingang van Townshend House. Jaartal tekening onbekend. Illustratie bij het artikel van Edmund Gosse in Illustrated Biographies of Modern Artists, ed. F. G. Dumas, London - Paris 1882.

Inline afbeelding 1

Blik uit een raam in de omgeving van Townshend House, 1872. De moestuin en de muurtjes lopen naar beneden, naar Park Road dus. Olieverf op paneel.  Als het Townshend House is, is het een zijraam, geen achterraam met blik op de tuin.
S08695: Fries Museum, Leeuwarden | Collectie Het Koninklijk Fries Genootschap | Gerestaureerd met steun van de Wassenbergh-Clarijs-Fontein Stichting 2015. Fotografie Niels den Haan.

Inline afbeelding 1

Inline afbeelding 2

Signatuur : L. Alma Tadema / ¿?  29 november 72

G. M. Tamson - Wintertafereel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Dit winters plaatje is in 2011 in Zweden geveild onder de blijkbaar oorspronkelijk Engelse betiteling "Frozen by winter", vertaald in "Fryst genom vintern", signature on panel, 32 x 21. Oil on panel. Het kan via Engeland in Zweden, omgeving Göteborg, terechtgekomen zijn. Engelse handelaren en particulieren kwamen naar Tamsons atelier in Enkhuizen en kochten er naar hartelust. Gesigneerd r.o. in de sneeuw G. Tamson. Meer informatie op :
https://www.corkint.info/html/schilders_tamson.htm
  De lijst kan men buiten proportie vinden – maar ze suggereert een blik door een klein venster in een dikke muur, vanuit een warme verlichte kamer, op de besneeuwde omgeving en de dikke bewolking boven de molen. Evenals bij Tadema maakt de lijst deel uit van de compositie. Maar Tamson had geen hang naar een Totaalkunstwerk zoals Tadema, die bijvoorbeeld van een vleugel, een gebruiksvoorwerp, een kunstwerk meende te kunnen maken. Bij beide schilderijen echter maakt de lijst – functioneel – deel uit van het kunstwerk.
   Al gaat de vergelijking mank, ik herinner toch aan Brahms uitspraak op 16 juli 1876 tegen Henschel “Schubert's Suleika songs are to me the only instances where the power and the beauty of Goethe's words have been enhanced by the music. All other of Goethe's poems seem to me so perfect in themselves that no music can improve them.  
Henschel 1907.

   Aangenomen dat Henschel Brahms' woorden correct heeft weergegeven, ben ik zo vrij met Brahms over het graf heen een kleine discussie aan te gaan. Of hij zal antwoorden staat te bezien. Maar goed, ik wil toch stellen dat het geenszins in Schubert's bedoeling heeft gelegen Goethes of anderer gedichten op te kalefateren. Toe nou. Ze inspireerden hem er toe ze op muziek te zetten. In het gunstigste geval hebben we dan een meesterwerk van Goethe en een meesterwerk van Schubert, bijna als een Siamese tweeling met elkaar verbonden. Bij weinig gedichten is muziek geschreven maar àlle schilderijen hebben een lijst of tenminste een passe-partout. Veel – niet alle – schilders bekommerden zich nauwelijks om het lijstwerk. Artiesten als Tadema deden dat wèl. In mijn bescheiden collectie bevindt zich een lijst die uit éen stuk hout gesneden is. Het is meer ambachtelijk werk dan kunst maar het zegt iets over de intentie. Verschillende schilders maakten de lijsten zelf. Daarom is het te betreuren dat handelaren dikwijls ‘even een nieuw lijstje om een doek gooien’ en de oorspronkelijke lijst weggooien, zelfs zonder er eerst een foto van te maken, zodat de koper de oude lijst niet opnieuw kan laten maken.

Inline afbeelding 1   geveild Sotheby's 2013


Alma Tadema Letters Additional ATLADD/1 - 58, University of Birmingham Special Collections/Cadbury Research Library.

Inline afbeelding 1                         Briefhoofden van de Tadema's.

Nationaal Archief, Den Haag, Bijgehouden door Carel Vosmaer betreffende een reis en verblijf bij de schilder Laurens Alma Tadema in Londen, 1883, nummer toegang 2.21.271, inventarisnummer 281.

Tadema nam de twee dochters uit zijn eerste huwelijk mee. Laurence (1865-1940) en Anna (1867-1943) waren beiden artistiek begaafd : Laurence als schrijfster, Anna in de beeldende kunst. Ze studeerden in Brussel. Beiden zijn ongehuwd gebleven. Beiden namen in 1895 de Britse nationaliteit aan.

Pictures were selling well, and Alma-Tadema's first British honour was election as Associate member of the Royal Society of Painters in Water-Colours after exhibiting The Picture at its 1873 summer exhibition. The artist was determined to live in a suitable style, and the family's first permanent London residence, Townshend House, was a showpiece designed, like many Victorian artists' houses, for entertaining guests and patrons and for displaying pictures. Situated on the fringes of St John's Wood, a popular artists' residential area, it was decorated in an eclectic style incorporating Pompeian, Dutch, Japanese and Byzantine motifs.
The Art Annual 1884-88.

 

Letter to Dante Gabriel Rossetti from W. M. R.
Dear Gabriel [....] What a catastrophe in poor Tadema's house!
*) I called last evening (at the Epps's house in Devonshire Street) to make enquiry, and learn that the affair is not quite so bad as some newspapers are making out. Tadema and his wife were away in Edinburgh, and the only harm done to any person is that a servant is somewhat cut about the head. No pictures were injured, and the dining-room and studio are not so very greatly damaged. Still, the house is of course not much less than wrecked.
               Somerset House, 3 October 1874.     Your W. M. R. [William Michael Rossetti]
**)
*) The explosion of a barge on the Regent's Canal damaged Tadema's house, which was situated in an exposed position where the canal intersects Regent's Park" (P. C. Standing, Sir Lawrence Alma-Tadema (1905)).
Selected letters of William Michael Rosetti - Edited by Roger W. Peattie © 1990 The Pennsylvania State University.
**) William Michael Rossetti was de broer van Dante Gabriel Rossetti (1828-1882), collega van Alma Tadema.
De naamspelling is overheersend Rossetti, daarvoor is hier gekozen. W. Michael heet altijd Rossetti. Niettemin heeft een aantal schilderijen en gedichtenbundels D. G. Rosetti als schilder / dichter, en in 2018 verkoopt bol.com de Dante Gabriel Rosetti Kalender 2018. D. G. Rossetti signeerde zelf i.i.g. als Rossetti.

———————

In 1878, dus vier jaar na de ramp, schreef Vosmaer in Londinias, 6e zang (in de derde druk ingeschoven), over Townshend House :

Als gij in 't woelige Strand, uit de schichtige reeksen van voertuig
U eenen  h a n s o m  koost, door het luik in de kap het bevel gaaft :
“Regents Park, north gate, en naar Townshendhouse”, dan geraakt gij
Daar in een uurtje ; men ademt er rust in het heerlijke parkgroen

Hier aan den zoom van het park ligt het kunstige huis van den schilder ;
Niet lang hebt gij te zoeken, 't verraadt weldra zijn bewoner
Door zijn gekleurde versiersels aan posten en zuilen, en 't  s a l v e .


WDP 1/3/1648/9 Folio 905 / City of Westminster Archives London.

      

Uit het Verslag, bijgehouden door Carel Vosmaer betreffende een reis en verblijf bij Tadema in 1883.

Inline afbeelding 3

Nationaal Archief, Den Haag, nr toegang 2.21.271, inventarisnr 281.

Relative Position of Sewer to Drain Townshend Street.
Tekening uit 1894 van Townshend House, gemaakt door de aannemer George Smith. Wat een hoog huis ! Ik tel begane grond, eerste en tweede etage, een tussenverdieping, derde etage en zolder.
    De voordeur van Townshend House.  SALVE  (Heil!) staat er boven. De deurklopper stelt een satyrkop voor. Hij is meegenomen naar Groves End Road.

1871 Op sommige foto's van na de explosie is het te zien achter het ernstiger beschadigde huis van de gatekeeper, dat op onderstaande afbeelding staat.

Inline afbeelding 1

Macclesfield Bridge. As it was. De boot zou de Tilbury kunnen zijn, getrokken door een paard.  The Graphic, 10 oct 1874 / © The British Library Board. Bij de explosie in 1874 voer er een konvooi, getrokken door een stoomsleepboot. Ook op deze vrachtboot staat een kachelpijpje omineus te roken.

 

L o n d o n   i s   s t i l l   l e f t   s t a n d i n g

Zo begint het hoofdartikel van The Illustrated London News van 10 oct 1874. Het was een weekly, die in oct 1874 dus op 3, 10, 17, 24 en 31 oct uitkwam. Hoewel de explosie op 2 oct 's ochtends om vijf uur plaatsvond konden die krant en The Graphic er de volgende dag niet op reageren. Pas op 10 oct kon op de ramp teruggeschouwd worden.

London is still left standing. Myriads of its inhabitants were startled from sleep about dawn on Friday morning, Oct. 2, by a terrific warning that the fact might have been, to a frightful extent, the reverse of that. A destructive force, equal to, if not exceeding, the most violent of tropical tornados was, by some cause not yet ascertained, suddenly free to expand itself in a few brief seconds in distributing within a wide circle death, havoc and ruin.
   The story is by this time familiar to every newspaper-reader, and, in its outline, to every intelligent adult in the civilised world. Five tons of gunpowder on board of a "fly-boat" on the Regent's Canal, in transit from the City Basin to the neighbourhood of Nottingham, exploded just beyond the northern boundary of Regent's Park, with a roar and a blast which awakened more than half the metropolis from its slumbers. The event was a collosal disaster. It might have been inconceivably worse, had it happened but one half hour sooner or later, or had it taken place in the tunnel under Islington through which the canal passes, or in any of the populous districts where the banks of the canal are level with the buildings aroud it. Then London would have had to deplore a casualty as extensive, both in regard to life and property, as that which horrified us but a few years ago in the burning of Chicago. It has been in terrible proximity to a fate which one shudders to imagine, and has owed its escape to no pre-eminent arrangements of man's wisdom.


In looking back upon the catastrophe our first feeling is naturally one of sympathy with the sufferers from its effects. We will not attempt to picture to our readers or ourselves the horrors of those few moments which immediately succeeded this tremendous explosion. They who were exposed to its desctructive fury will probably never forget it. They who were more happily sheltered from it will be wholly unable to realise its force. It was as swift, as devastating, as irresistible, as bolt from heaven. It suggested to may minds the end of all things. For a time it shook the throne of reason. People, amongst whom were sickly women and tottering children, ran out in their night-gear into the streets, and in frantic terror sought means of succour and escape, utterly disregardful of all the conventional etiquette which, at any other time and under less coercive influence, they would have braved any peril rather than have failed to observe. Rich and poor alike rushed from their homes. In many cases their houses presented all the appearance of having passed through a devastating siege. Windows with their sashes, and even their frames, blown in ; doors burst open and torn from their hinges ; roofs uplifted, and so far carried off as to let in upon the chambers beneath the faint light of the morning sky ; glass everywhere shivered to splinters and scattered over the rooms it was intended to enliven ; furniture caught up, twisted, damaged, wrecked ; articles of artistic beauty, perhaps collected at great expense, and arranged with fastidious taste, smashed to atoms and scattered amongst the débris of fallen ceilings and plaster stripped from the walls - such, within a considerable area, were among the incidents common to this sudden calamity.
    Who shall enumerate for us the secondary effects of that moment of supreme awe ? The shock to the nervous system, the fearful outburst and consequent waste of physical energy in the weak and ailing ; the temporary desolation of beloved homes ; the stoppage of the daily machinery of trade ; the loss inflicted upon house proprietors, as well as upon their tenants ; the thousand and one annoyances to which most of the sufferers will be exposed for some time to come ? Let them have our deepest sympathy. So far as they need it, and we can render it, let them have our prompt assistance ; and let a new illustration be added to the apostolic declaration that "When one member suffers, all the others suffer with it."
    In the next place, it behoves us to be thankful that a much worse fate did not befall the metropolis on Friday morning. The qualifying and mitigating circumstances which attended the explosion wonderfully contracted the range of its destructive power. It happened when most of the inhabitants of the metropolis were abed, and thereby sheltered from the worst effects of the momentary blast. Few people were about. The neighbourhood in which the accident occurred was one of the most open suburbs of London. At the precise spot at which it took place the canal runs through a considerable cutting, and the banks on either hand served to give primarily vertical direction to the atmospheric wave. An eminent authority on such matters is reprted to have said, "That dip saved London." At any rate, the loss of life was comparatively small, three persons only being known to have been killed. What a different aspect the calamity might have presented but for these qualifying circumstances ! One and all, we have abundant cause for thankfulness that the catastrophe did not involve in it consequences a hundredfold more serious.
    In the last place, we are surely placed under the heaviest of obligations to practise the lesson impressed upon us by this frightful warning. Explosive substances are carried through the heart of London every day. The inhabitants of the metropolis are constantly in proximity to a danger so appalling that, were it fairly appreciated, efficient means would certainly be taken to avert it. Gunpowder, nitro-glycerine, and some other materials of the like kind, are passed to and fro as articles of commerce under restrictions (if restrictions they can be called) so loose that the wonder is, not that accidents should sometimes happen, but that they should happen so rarely. Parliament must see to this. There is no need to legislate in a panic ; but what is done should be done quickly, as well as thoughtfully, to shield the population from the peril to which for some time past they have been unconsciously exposed. There is really no insuperable, no very great, difficulty in securely "binding the strong one" until his service is needed. Such casualties as that of Friday morning never happen in connection with either the Army or the Navy, because the storage and conveyance of gunpowder for and by either are always conducted under the strictest regulations. Trade must submit to schematologous preventive measures. No one desires unneccesarily to interfere with its freedom ; but the lives of her Majesty's lieges ought not to be exposed to the charces of ruin which may be suddenly inflicted upon them by the ignorance or carelessnes of those employed in a traffic fraught with possibilities so calamitous.

The Illustrated London News Oct 10, 1874 / © Illustrated London News Group.

--------------------------------------------------------------------------------

De London Illustrated News van 10 oct 1874 heeft 24 pagina's (pp. 333-356). Het Supplement telt 8 bladzijden, de paginas 349 t/m 356. Daarvóór staat een Extra Supplement van 4 blz., waarop twee vechtende adelaars elkaar een lammetje betwisten. De achterzijden van deze platen zijn blanco, om doorschijnende letters te voorkomen. Curieus feit is dat diverse boeken, artikelen en internetsites de ramp op 10 oct laten gebeuren , zoals

The London Encyclopaedia (3rd Edition)
https://books.google.nl/books?isbn=0230738788 Christopher Hibbert, Ben Weinreb, John Keay - 2011 - The park was planned during the Napoleonic Wars, ... REGENT'S PARK EXPLOSIONS • At 3 a.m. on 10 October 1874 the barge Tilbury ...

Regent Canal barge explosion. Regents Park. 1874 - The Guardian
https://www.theguardian.com/arts/.../0,8543,-10104514616,00.ht...
In the early hours of October 10, 1874 the barge Tilbury was third in a train of vessels being towed by a ...

Bizarre London: Discover the Capital's Secrets & Surprises
https://books.google.nl/books?isbn=1472109333   David Long - 2013 - history
1874–Regent's Park In the early morning of 10 October, a fully laden barge from the Royal ...

Ook op dit gebied wordt veel blindelings gecopieerd. Wie was de eerste die 10 oct als rampdatum noemde ?

------------------------------------------------------------------------------

Als het kalf verdronken is moet de put gedempt worden. Maar dat duurde niet zo lang als wij heden ten dage in Nederland gewend zijn (denk eens aan de chloortreinen Rood Sein voor de Chloortrein, Wetensch. Bureau SP, 2000). Ze rijden nog altijd.
   Since the explosion in Regent's Park barges laden with combustibles have been forbidden to pass through London by any of the branches of the Grand Junction.   London Evening Standard 24 Febr 1876 © The British Library Board.

Inline afbeelding 2
View of the ruins October 10, 1874.    Artokoloro Quint Lox Limited / Alamy Stock Photo / www.alamy.com
Het huis van de gatekeeper of parkkeeper. Rechts in de diepte het kanaal. De toeschouwers staan op de oprit van de brug, op het punt waar de overspanning de lucht in vloog. Deze ill. stond in The Graphic, 10 oct 1874.
------------------------------------------------------

Inline afbeelding 6

Geheel links Townshend House, midden de weggeslagen brug, het gatekeepers house, nieuwsgierigen op de oprit naar de brug, de hekken staan er nog. Twee politiemannen rechts staan op het jaagpad. Er wordt naar slachtoffers gezocht.
The Illustrated London News, oct 10 1874 © Illustrated London News Group.

Inline afbeelding 1   

An extraordinary accident, which happened yesterday week at five o’clock in the morning, cost the loss of several lives, much damage to houses and furniture, and a vast alarm to the north-western suburbs of London. This was the blowing up of a barge laden with petroleum and gunpowder for blasing, which was one of a train drawn by a steam-tug along the Regent's Canal ... The train of six barges, of which the first was a steamer, left the wharf in the City-road about three o’clock that morning. Next after the steamer, the Ready, was the fly-boat Jane, whose steerer or captain was named Boswell. Next to her was the Dee, the steerer Edwards, and next came the unfortunate Tilbury, whose steerer was Charles Baxton. The Jane 'had a little gunpowder on board'. The Tilbury's lading is thus described by the official export. 'The cargo consisted chiefly of sugar and other miscellaneous articles, such as nuts, straw-boards, coffee, and some two or three barrels of petroleum, and about five tons of gunpowder' ... Three or four minutes before five o’clock, this train of barges was passing under the bridge ... the Tilbury was direct under the bridge, when by some means yet unexplained, the powder caught fire and the whole was blown up. The men on board the barge were killed, and the barge was shattered to pieces, while one of the other barges was sunk. A column of thick smoke and a great blare of fire followed the explosion. The bridge was entirely destroyed, several of the neighboring houses were half-ruined, their roofs and walls greatly injured ; and in hundreds of other houses, a mile east or west of the place, the windows were broken.

The Illustrated London News Oct 10, 1874
© Illustrated London News Group.

Bust portrait of the painter Lawrence Alma-Tadema after a photograph by Fradelle & Marshall in The Illustrated London News, 6 May 1876 © Illustrated London News Group. Wood-engraving. The portrait was published to co-incide with a notice on his election as an A.R.A. on 26 January 1876.    Image AN995680001, The British Museum.

   Inline afbeelding 2

       Scene of the explosion on Regent's Canal, on Friday morning. Oct. 2

Het zoeken naar slachtoffers is in volle gang. Stukken van de brugpijlers liggen her en der. Het hoge Townshend House van Tadema is links op de achtergrond herkenbaar. Politieagenten kijken toe.


The Illustrated London News, oct 10 1874 © Illustrated London News Group.

Inline afbeelding 2
Kort na de ontploffing, een gasbuis ligt open, het vuur is nog niet gedoofd.
The Graphic, 10 oct 1874 / © The British Library Board.

  
Deze tekening is gefotografeerd in het London Canal Museum. 
The Illustrated London News Oct 10, 1874
 © Illustrated London News Group.

Inline afbeelding 2    

Twee foto's, London Canal Museum Collection / www.friendsofregentscanal.org / image 1837-1945/06-Macclesfield-Bridge.
1. De pilasters aan weerszijden van de brugtoegang staan er nog. De hekken waarmee de brugovergang gesloten kon worden liggen er naast. In vroeger jaren werd hier mogelijk tol geheven. De restanten van de brugpijlers liggen links, de groep toeschouwers staat op de toerit van de brug waar Avenue Road op uit loopt. 2. Hier worden de kijkers op Park Road gehouden. Beneden hen het kaalgemaakte stuk van de oeverglooiing.

Inline afbeelding 3
Heritage Explorer - images for learning - Reproduced by permission of English Heritage. NMR.  
De pijpjes op het dak van Townshend House.

Inline afbeelding 1
Tekening in The Graphic, 10 oct 1874. Rechts het eind van de toerit, een stuk hekwerk staat er nog. Het huis naast de brug is buiten beeld. Als de tekenaar een getrouw beeld van de situatie heeft gegeven zou T. House in het midden van de prent achter de geknakte boom staan. Maar dat lijkt me niet het geval. Het vele puin moet van het inmiddels gesloopte brugwachtershuis zijn. T. House staat links boven.   Artokoloro Quint Lox Limited / Alamy Stock Photo / www.alamy.com

The Alma-Tadema house was the hardest hit in the road. The destruction caused by the explosion offered an opportunity to redecorate the villa all over again. With the help of the eminent architects George Aitchison and William Burges, the unsafe structure was shored up and before long the Alma-Tademas were decorating again. Biography of Sir Lawrence Alma-Tadema by Vern Grosvenor Swanson, Ph. D., 1994, Chapter 5 : Integration into English Society (1873-5).
   De hardste klappen ... dat is te betwijfelen. De muren moesten gestut worden, deuren en vensters gerepareerd enz. en het porcelein lag in gruzelementen, maar de gezinnen van de drie omgekomen bootslieden waren hun kostwinner kwijt.

Tadema had eerder een explosie meegemaakt :  Alma-Tadema to Mesdag, London, 21 May 1866; Van Houten archive, inv. no. 167:
‘Een groot ongeluk [is] aan de vrienden waarbij wij gelogeerd waren overkomen [...]. Woensdag laatstleden is des morgens ter 8 uren hun huis met zijn magnifique meubelen voor een groot gedeelte in de lucht gevlogen door eene gasontploffing. Gelukkig zijn wij allen gezond wat helaas het geval niet is met eenige der dienstboden twee der kamermeisjes zijn zeer zwaar gewond de eene is alrede aan de gevolgen daarvan overleden de hovenier is zeer zwaar gewond ook terwijl de koetsier en de palfrenier ook zwaar gewond zijn. [...] Gelukkig waren wij nog te bed toen wij opeens onze meubelen voor een gedeelte vernietigd zagen en de lucht bespeurden door een ontzaggelijke scheur in de muur.’
Jeremy Maas described the event in detail; he tells that ‘the Alma-Tademas had woken earlier, and, smelling gas, had, with great presence of mind, opened their bedroom window; when the explosion occurred they clung to each other in terror, as their bedroom lurched to one side, and a wide crack in the wall appeared through which daylight streamed.’ A picture by Alma-Tadema was also heavily damaged by the explosion. See J. Maas, Gambart: prince of the Victorian art world, London 1975, pp. 189-99, esp. pp. 194-95.

    Die vrienden waren de Gambarts. Gambart was uitgever, kunsthandelaar en een soort impresario. Hij en Tadema kenden elkaar uit Antwerpen. Tadema heeft een deel van zijn succes aan Gambart te danken.
   Gambart knew the art world and the art world came to him. The lavish fancy-dress ball which he planned to stage on Derby Day on 16 May 1866 is exceptionally well documented and provides an opportunity to penetrate into the dealer's house and collections. Sadly for Gambart and his guests, [waar Tadema er een van was, hij schrijft erover aan zijn neef Mesdag] on the morning of the day of the party the whole house was rocked by a violent gas explosion, and within seconds the whole of the back of the house was in ruins.
Mireille Galinou, COTTAGES AND VILLAS. The Birth of the Garden Suburb, 2010.

             Inline afbeelding 1

Inline afbeelding 1

The Graphic, 10 oct 1874 / © The British Library Board.

Ook in dit artikel is sprake van twee gebouwen bij de brug, de lodge van de park-keeper, en North Lodge. Let op de aparte opmaak : geen alinea's maar 3 of 4 spaties na elke zin.

        Inline afbeelding 2
    On the morning of Friday, the 2nd of October, London suddenly became convinced of the fact that for years past it had been calmly smoking its pipe on the top of a powder magazine, or, in plain words, that it had been so constantly in danger of being blown up by gunpowder, that the wonder was, not the violent explosion that took place in Regent's Park so recently, but that the greater part of London had not been blown to pieces years ago. —    Major Majendie has kimself said that if the public were at all aware of the extent to which gunpowder is handled in large quantities without any special precautions in the middle of the metropolis and other large cities, they would be seriously alarmed, and would demand the adoption of measures for removing so potent a peril. — It is quite plain that the public is at last alarmed, and that they will not rest till some vigorous action is taken to remedy the dangerous condition in which most of our large towns are at the present moment. Since the alarm has been sounded the daily press has teemed with instances of gross carelessness and criminal negligence with regard to the care and carriage of gunpowder. We are told of powder carts driven by men smoking . . .

The Illustrated London News Oct 10, 1874 © Illustrated London News Group.

Verder citeren is niet nodig. Hoe erg en ergerlijk ook, deze locale wantoestand is klein bier vergeleken met de mondiale ondergangsdreiging van nu.
   De crimi Dead Image (2000) van Joan Lock kan meteen de prullemand in. Het is een amateuristische detective gebaseerd op de Regent's Park Explosion.

Inline afbeelding 41830      Inline afbeelding 31851

Op de kaart uit 1830 is op een boomloos stuk naast de toerit van de brug een kantoortje of wachthuis te zien. Ook in 1851 staat daar een gebouw, zo te zien hetzelfde. Er lijkt begroeiing te zijn. In 1862 is de plek weer kaalgehakt. Zonder twijfel ging er opnieuw een huis gebouwd worden, waartoe anders dat keurig schoongemaakte stuk bouwgrond ? Alleen langs de weg zijn de bomen natuurlijk blijven staan.

SUNDAY AFTERNOON AT THE SCENE OF THE LATE EXPLOSION IN LONDON. — A Manx gentleman resident in London sends us the following ; — After a pelting morning, there is little inducement to walk from centralLondon tot the north gate of Regent's Park, though much may be said in favour of such an excursion, when the weather is fine, and the grass in the park dry ; but the underground railway - that much used and much abused transporter of Cockneys - takes one within a short distance of the spot — to which all London seems flocking today. Arrived at St. John's Wood Station, and having mounted the stairs into daylight, the road has on one side a terrace of houses, very much like West-view, Douglas, but, perhaps, larger ; while on the right, as you move on through a motley crowd towards the sometime north bridge, lies the park. About 100 yards from the station the houses begin to show signs of what we may expect to see farther on. One house with all the windows whole, while next door half of them are broken or cracked ; but as we proceed and get within 200 or 300 yards of the position occupied by the unfortunate Tilbury, at the time she exploded. Not only has the glass been broken, but the wood work of the windows has been blown into the rooms, and boards nailed across as protection against weather and thieves, which gives tot this wreck of a terrace an appearance too dismal to describe. From many of the top windows the domestics - with their inexpressible desire to look out of window - calmly contemplated the moving mass of vehicles and individuals below. Nearly opposite the north gate stands the remains of the beautiful mansion of Mr Alma Tadema, the celebrated artist. Beside the boards, instead of windows, this house has the pleasing addittion of a tarpaulin roof - nearly all the slates having been stripped off. Mr Tadema's furniture, as in most of the houses in Titchfield-terrace, has become a complete wreck. Alas ! what a destruction of household goods ! The public are not permitted to approach within some little distance of the collapsed bridge, but one can judge by the twisted iron girders, and huge pillars deposited intact on the banks of the canal, what the force of the explosion must have been ; and every Londoner has cause for gtatitude that it was exerted in a cutting with a bank 20 ft. high on either side, and in an open suburb, and not where the canal runs level with the courts and alleys of a densely populated neighbourhood. Indeed there is not a place in the vicinity of London through which this silent highway runs, that a like accident could have caused less damage.
    Isle of Man Times, Saturday 17 October 1874 / www.newspapers.com -- (20 ft = ruim 6 m.)

Inline afbeelding 1

    

Inline afbeelding 1

     De Tijd 6 oct 1874


Inline afbeelding 1

     De Tijd 7 oct 1874

Alma Tadema's schilderkunst had succes. Dat vertaalde zich in een royaal inkomen, waarmee hij interieur en tuin van Townshend House tot een Pompeiaanse villa had herschapen. Het kostte hem een jaar of twee om de gevolgen van de ontploffing te boven te komen, maar hij maakte van de nood een deugd door het huis nog grondiger te verbouwen en te vergroten. Toch bleef het – de kinderen werden groter, er waren inwonende familieleden – als atelierwoning waar ook gasten werden ontvangen aan de kleine kant. Tadema groeide bij wijze van spreken zijn huis uit, keek eens rond en vond een huis dat van Tadema's vriend Tissot was. Tissot was so overcome with grief when Kathleen Newton [his life companion] died on 9 November 1882, that within five days he had left the house and returned to Paris, never to return.
Through an agent, Alma-Tadema purchased James Tissot’s house at 17 (later 34, now 44) Grove End Road in St. John’s Wood by 1883, but he could not move in until he sold his home, Townshend House. After a two-year wait, Lawrence Alma-Tadema moved into Tissot’s former home on July 17, 1885, and began extensive remodeling. thehammocknovel.wordpress.com

BUITENLAND          GROOT-BRITTANNIE

De omstreken van het Regent's park in Londen zijn verwoest geworden door het in de lucht springen van een kruitschip. Roekeloozer daad is al niet denkbaar, dan dwars door een groote stad schuiten, geladen met kruit en petroleum, door een stoomboot te laten sleepen. Dit schijnt echter in Londen gewoonlijk te geschieden. Vrijdagmorgen sleepte een stoomboot vijf schuiten, waarvan een paar met kruit geladen waren, door het Regentskanaal. De Tilbury, de middelste schuit, had drie vaten petroleum en vijf ton buskruit in. Juist toen ze onder de North-gatebrug was, welke naar Regent's park leidt, sprong de schuit in de lucht. Men vermoedt, dat vonken uit de pijp van de stoomboot, terwijl die onder de brug doorvoer, òf het kruit òf de petroleum hebben aangestoken. De zware, 32 voet breede brug werd omhooggeslingerd en gedeeltelijk op het huis van den parkopzichter geworpen. Een hemelhooge vlam, waarschijnlijk door het ontbranden van de petroleum en het barsten der groote gaspijpen langs de brug veroorzaakt, verlichtte een ontzettend tooneel van verwoesting. Het was vier uur in den morgen en honderden mannen, vrouwen en kinderen ontvloden in hun nachtgewaad de waggelende en halfverbrijzelde huizen. Op meer dan een Engelsche mijl afstands, vluchtten de inwoners uit vrees, dat de aardbeving, welke zij geloofden dat plaats had, hen onder hun huizen zou bedelven. Weinig menschen hebben hun leven door het ongeluk verloren, daar enkel de drie personen, die de boot bemanden, gedood werden ; doch het is onmogelijk na te gaan, welke gevolgen de schok en de schrik voor velen hebben zal in de dicht bevolkte wijk, waar het onheil plaats had. Dus zijn zieke vrouwen in doodsangst met kinderen in haar arm en bijna ongekleed vijf minuten ver haar huis ontvlucht. Andere lieden werden plotseling wakker, terwijl de muren van hunne kamers instortten en vensters op hun bed nedervielen. Een dame, die sinds lang bedlegerig was, liep 200 el ver uit haar huis, dat als gebombardeerd was door steenen en groote stukken ijzer van de brug, en beroofd was van dak, terwijl de nederstortende schoorsteenen de bovenste verdieping hadden verwoest. Een lange breede muur, met een ijzeren hek op den top, werd zestig el ver door de lucht geslingerd. Vrij groote boomen werden ontworteld en de takken er van ver over de daken geworpen. Op tien minuten afstands van de brug werden in vele huizen alle vensters gebroken en de luiken gedeeltellijk vernield. De pleister viel van de zolderingen en midden in de kamers lagen de meubels in stukken gebroken op een hoop. Het is geheel onbegrijpelijk, dat zoo weinig lieden gedood werden. De heer Hatton, die in Titchfield-Terrace, Regent's park, woont, geeft de volgende beschrijving van hetgeen hem wedervoer, in de Times. Hij woont op een afstand van ongeveer acht minuten gaans van de brug.
  "De pendules in mijn huis bleven stilstaan om tien minuten voor vijf. Mijn geheele huisgezin werd opgeschrikt uit den slaap door het ontzettendste gevoel van vernietiging en ondergang, dat denkbaar is. Invallende balken, verbrijzeld wordend glas, de angstkreten en het gejammer van een groote menigte.
  "De duisternis werd zichtbaar door een spookachtig licht, dat met een huilende windvlaag door alle openingen in ons vertrek binnendrong. Overdekt met gebroken glas, bedolven onder luiken en overgordijnen, in een kamer gevuld door het ingestorte dak, was onze toestand onbegrijpelijk angstig.
  "Alle deuren en vensters waren in de kamers geworpen. Twee mijner kleine kinderen, die te zamen in één ledikant sliepen, waren overdekt met de verbrijzelde stukken van het dak en twee vensters, doch ze hadden slechts eenige schrammen op het lichaam. Mijn dienstboden snelden omlaag met gezichten, die geheel zwart waren, doch ongewond. De verwonderlijkste kuren had de verwoestende kracht als het ware gehad. Hier was een zwaar meubelstuk in splinters, daar was een dunne porseleinen kop ongedeerd. Het handvat van een zilveren olie- en azijnstel was rondgekrenkeld, afgebroken en drie el ver geworpen, doch een paar flesschen, die er vlak naast stonden, bleven geheel. De voordeur, die twee duim dik is, werd boven naar de trap geslingerd, doch een statuette, links van de trap, werd niet gebroken. Geen politie was in de eerste uren te zien : geen bijstand werd gegeven, en om acht uur des morgens was de straat gevuld met nieuwsgierigen, die zich bijna dood lachten om het bespottelijk aanzien der verwoeste huizen.
  "Een vroolijke menigte omringde dus de bouwvallen van het schoone huis van mijn buurman Tadema".
  Tot ons groot leedwezen is het onze beroemde landgenoot, de schilder Alma Tadema, van wiens huis hier gewag wordt gemaakt. Hij had zijn huis ingericht met alles, wat een kunstenaar wenschen kan en verfijnde smaak aan de hand doet.  Elke kamer was in een afzonderlijken stijl gedecoreerd en gemeubileerd. Photographieën, teekeningen en schilderijen waren langs de wanden der gangen aangebracht.
   Dit fraaie kunstenaarspaleis is geheel vernietigd. Slechts de eetkamer is gedeeltelijk gespaard, en de geschilderde zoldering van deze kamer is de eenige, die niet vernield werd. Het Salve, dat boven de deur geschilderd was, gelijkt nu wel een bespotting, want met niets dan verwoest huisraad en bouwvallen wordt de binnentredende verwelkomd. Onherstelbaar is het verlies, door den heer Tadema geleden, want honderden kostbaarheden, door hem bijeengebracht, werden vernield.
  De brief van den heer Hatton geeft een denkbeeld van de verwoesting, door het kruitschip teweeggebracht. In de zoölogische tuin in Regent's park (de Artis van Londen) werden de hokken der wilde dieren gelukkig niet gebroken. Voor vierduizend gulden ruiten werden in de verschillende gebouwen gebroken. De giraffen stonden in den verschrikkelijksten angst tegen elkander aangedrongen in hun hok. De herten waren eveneens zeer geschrikt. Een twintigtal kostbare vogels ontsnapte, doch de dikke spiegelruiten voor de hokken der slangen werden gelukkig gespaard.
  Bij duizenden worden de personen geteld, die schade hebben bekomen door het onheil, en daar verzekeringen tegen brand niet tegen een ramp als deze waarborgen, zal iedereen dit verlies moeten dragen, daar niemand, naar het schijnt, aansprakelijk kan gemaakt worden voor het ongeluk.
  De Engelsche dagbladen zijn gevuld met bijzonderheden van de verwonderlijke wijze, waarop de luchtstroom het eene gebouw vernietigde en het andere spaarde. Zeer groot is het aantal personen, die geworpen werden uit hun bed, of wier ledikant overdekt werd met steenen, hout en glas, zonder dat ze gewond werden. De kiel van het kruitschip werd hoog in de lucht geworpen, kwam neder op het dak van een huis in Henrystreet en baande zich een weg door alle verdiepingen heen tot in de keuken, van waar ze door den schok weder omhoog sprong tot in de kamer boven de keuken, waar ze haar vernietigenden tocht besloot met het touwtje te breken, waaraan een vogelkooitje hing. In dit huis werd evenwel niemand zwaar gewond.

          Algemeen Handelsblad 6 oct 1874f

Bovenstaand artikel onderscheidt twee huizen, dat van de parkopzichter en dat van Tadema. Martin Sheppard vermeldt in Regents Park and Primrose Hill (2010, foto's Lousada Sandra) over ... "the bridge, the Superintendent's House and the pay office were wrecked"... , d.w.z. "de brug, het [park]opzichtershuis en het betaalkantoor". Tja. In Alma-Tadema, klassieke verleiding (2016) staat dat de ontploffing achter het huis plaatsvond. Het kruitschip ontplofte in het kanaal. In hetzelfde boek staat Tadema's schilderij ‘Blik op de achtertuin en huizen achter Townshend House’ (afb nr 87). Er stonden echter geen huizen in het kanaal, wat nogal logisch is. Mede gezien de zonnestand moet het schilderij de aan Townshend Road gelegen smalle zijtuin afbeelden, als het 't huis op de rechter hoek van de T-kruising van de dalende Townshend Road met Park Road betreft. Maar dan nog ... Tja. Nog steeds volgens hetzelfde boek "nam Tadema zijn intrek in Townshend House, op de hoek van Townshend Road en gericht naar de North Gate van Regent's Park", en verwijst daarbij naar zijn briefhoofd. Je kunt inderdaad zonder onwaarheid te spreken van iemand zeggen dat hij op de hoek van de Laan van Meerdervoort woont met uitzicht op de overkant van de straat.

Het volgende ons welwillend medegedeeld is een fragment uit een brief, door onzen landgenoot den Heer Alma Tadema aan een vriend in het moederland gericht na de ramp welke hem in Londen getroffen heeft :
     “Een paar woordjes om u en uw vrouw ook namens mijne vrouw hartelijk dank te zeggen voor de sympathie met ons ongeluk. We zijn er Goddank heelhuids afgekomen, en de schilderijen hebben niet zeer veel geleden. Porselein natuurlijk bestaat niet meer, en het huis is eene ruïne. Nu maar moed gevat, en dan gaat dat ook alweer.
      Ontvang enz.”

Het nieuws van den dag 15 oct 1874


     Old Ordnance Survey Maps -- St John's Wood, 1868
    Inline afbeelding 1
     Bataviaasch Handelsblad 27 juni 1878

Midden op het kaartje de Macclesfield Bridge. The bridge over the Regent's Canal to the north west of the Park was originally called North Gate Bridge but was renamed in honour of Lord Macclesfield [George Parker, 4th Earl of Macclesfield, 1755-1842] Chairman of the Regent's Canal Company, who steered it through a financial crisis during its construction. londongardentrust.org.
   Bij de roze stip Townshend House.

Na de ontploffing heeft Tadema de het huis laten herstellen en uiteindelijk nog mooier gemaakt dan het voor de explosie was. Aan ieder, die het huis van den heer Tadema nadert van de zijde der Noorder barrière – de plaats van de ontploffing, die ongeveer vier jaren geleden zooveel vernielde – springt terstond den Pompeji'schen stijl van de benedenverdieping in het oog. Op den drempel staat met groote letters de groet Salve geschreven, en in 't midden der deur is, als klopper, een antiek masker. Sommigen willen dat dit bronzen ornament de karikatuur is van een der intieme vrienden, maar de heer des huizes verklaart, dat de gelijkenis toevallig moet zijn, daar het ontwerp niet oorspronkelijk is, doch genomen naar een echt antiek model.  -   Leeuwarder courant 26 mei 1878

Uit bovenstaand knipsel kan opgemaakt worden dat de voordeur aan Park Road lag. Er is sprake van een barrière, wat de gedachte aan hek en tolhuis oproept. Salve staat op de drempel i.p.v. op de latei – moeilijk te geloven. Maar de deurklopper is van brons, in overeenstemming met de waarneming van elke bezoeker behalve Lita de Ranitz in De Hollandsche Revue als ook in Het huis, oud & nieuw; Maandelijksch prentenboek gewijd aan huis-inrichting, bouw en sierkunst jrg 9, 1911 [volgnr 2].

Beautiful Houses: Being a Description of Certain Well-known Artistic Houses, geschreven door Mary Eliza Joy Haweis (1882, zonder ill., reprint of some descriptions of a few well-known artistic houses, which appeared originally in the Queen, 1880-1) geeft een goede beschrijving van het interieur van Townshend House zoals het was, na de ramp helemaal opnieuw opgebouwd en ingericht. Men kan Tadema zonder overdrijving een uniek bouwkundig kunstenaar en binnenhuisarchitect noemen. Haweis vermeldt over het huis nog “Painted brown below and pale yellow above, it forms a pleasant point of colour at the North Gate.”

Tadema, schilder in twee dimensies, liep vanzelf door naar het werken in drie dimensies. Hij is een van de weinige architecten die een huis niet zien als een aantal kamers die vier muren hebben, liggend op etages die door trappen verbonden zijn, hij zag een huis als één ruimte, een ruimte waarin diverse stijlen, voorwerpen uit verschillende tijden, van vóór Chr. tot de 19e eeuw harmonieus samengebracht konden worden. Dat streefde hij na en dat is hem gelukt. Haweis zegt het : als je weer buiten stond herinnerde je je geen aparte dingen die het oog hadden getroffen, ook geen deuren, je had een ondeelbare ervaring iets ondergaan, a.h.w. in een schilderij van Tadema gelopen, je was in een ruimte geweest die zó ver van je eigen leven, van je eigen gewendheid en maatstaven stond, kortom zo ver van de wereld weg, dat . . . . Nee, het was het paradijs niet, het was de woning, de werkplaats van Tadema. Iemand gebruikte het woord kerk, en al was Tadema niet kerkelijk godsdienstig, het woord is niet volkomen misplaatst. De ziel van de dichter, het temperament van de schilder en de toewijding van de verzamelaar hebben dit neergezet. Bij 'verzamelaar' meldt het verleden zich. Toekomstigheden kun je niet verzamelen, maar je kunt wel wel door de historie lopen, een lijn trekken, een verbindingslijn tussen Pompeï en 1880, en de schoonheden, de gebruiken en de ontwikkelingen langs die weg samenbrengen en daarmee anticiperen op de toekomst. Die zogenaamde anachronismen op Tademsa's schilderijen en in zijn huizen zijn niet statisch, ze zijn dynamisch. Ruimte en tijd spelen in Tadema's levenswerk een zeer belangrijke rol. Kort voor Tadema's dood brak de lijn. Het geloof in de vooruitgang verloor aan kracht, de sloop van Tadema's wereld was begonnen.
   En nu we het over een werkplaats hebben, Tadema wist wat werken was. Hij gaf de beginnende Mesdag in Brussel ooit de raad voor het raam te gaan zitten en de straat te schilderen, veertig maal, steeds hetzelfde stukje straat, op verschillende tijden, bij verschillende weersomstandigheden, dan leer je wat licht is.


CAREL VOSMAER 1826-1888

De reis naar Londen in 1872 -- Londinias

Inline afbeelding 8      

De tekst op het infozuiltje bij het betreden van Vosmaers Londinias luidt = ΕΤΑΙΡΟΙC - ἑταιϱσις = hetairois = aan/voor (de) vrienden. Een woord van welkom dus. De C ls de hoofdlettervorm van de laat in gebruik genomen minuskel slot-sigma (ς , ϛ).

Carel Vosmaer (Aloopex = ἀλϖπεξ = vos), en zijn vrienden,

Martinus Nijhoff Neaules (van Martinus Nijhoff Neaules (van νέα en αὐλές = nieuw / hof) –
(1826-1895νέα en αὐλές = nieuw / hof) – (1826-1895, uitgever, boekverkoper, veilinghouder). Martinus Nijhoff was de stichter van de Haagse uitgeverij Nijhoff, bouqinist, auctionair, een van de oprichters van het liberale dagblad Het Vaderland, en ... ‘de opa van’. Νεαυλης Neaules = Νεερςαυλης .

G.-A. van Trigt (antiquaar en uitgever te Brussel) heette in Londinias Porthmos ( Πορθμός = veer, overvaart (over het Kanaal in dit geval).

Alphonse Willems. Willem = Oïlmos = Οἰλμος (Wilmos), (bibliofiel, filoloog, graecus, schrijver, uitgever).

Londinium was de belangrijkste stad van de romeinse provincie Brittannia (Engeland + Wales).

Afbeelding uit
Londinias door C. Vosmaer, derde druk. Leiden, A. W. Sythoff, 1878.

Het episch gedicht Londinias vertelt in homerische trant en hexameters in acht zangen het tochtje van vier vrienden - boekenliefhebbers - naar Londen met onder meer bezoeken aan antiquariaten, het British Museum en Alma Tadema. Vosmaer is Aloopex, zijn vrienden Martinus Nijhoff, G.A. van Trigt en Alfons Willems heten in het boek Neaules, Porthos en Oïlmos. Vosmaer leefde van 1826 – 1888.

Inline afbeelding 2  
Muze, bezing mij den tocht van het viertal mannen uit Neerland
Over de schuimende zee, naar de rossenbedwingende Britten.
Velerlei zeeën bevoeren z' en kenden al menige landstreek,
Talen en zeden : Neaulos en Porthmos, wijze verspreiders
Aller geleerdheid ; verder Oïlmos, zeldzamen boekschat
Zamelend ; hen vergezelde de kunstdoorvorscher Aloopex.
Zij nu den eerdienst trouw der beschavingkweekster Athena,
Rustten zich toe tot den tocht op den landomspoelenden zeeplas,
Tot waar 't Britland rijst uit de zee, 't groenheuvelig eiland.
Dáar toch wilden zij offers en hulde vereeren den beelden
Die het museum veilig bewaart als het kostbare kleinood,
Eenmaal 't Parthenon sierend en schoon afbeeldend Athena's
Roemvollen zege en 't feest van den panathenaïschen optocht.


Aanvang van Londinias, Vosmaer, 3e druk, 1878.




Portret van Carel Vosmaer door Lourens Alma Tadema, sept 1871.
Rijksmuseum © Public Domain Objectnummer RP-T-1986-4.

Inline afbeelding 1    Op deze tekening van Vosmaer zijn de vier vrienden te zien die naar Londen gereisd zijn, naar Alma Tadema en Pallas Athene, naar zijn Romeins-marmeren huis en naar de restanten van het verwoeste marmeren beeldwerk aan haar Parthenon, het “Marmeren huis van Athena”, die “door den Britsen gezant bij de Porte, E l g i n, gered, nu worden bewaard in het  B r i t i s h  M u s e u m.
De mannen staan aan weerszijden van Athene, die zij in het museum ontmoet hebben. Ze rijdt op een paard, waar de vrienden de bus nemen. Aan weerszijden van de paardekop staat boven Athene ΑΘΗΝΑ, rechts ΑΛΩΠΕΞ ΜΕΓΡΑΦΕ, Aloopex heeft mij getekend.
Rechts staan Vosmaer en Nijhoff (oogkwaal). Links Willems en van Trigt.

Afb. uit Londinias door C. Vosmaer, derde druk. Leiden, A. W. Sythoff, 1878.

Meld het, o Muze, bezing wat het was, 't merkwaardige voorwerp,
Keetnend den voet en het oog van den boekenbeminnaar Muloothros.
Lokkend lag het aldaar voor het venster des winkels; er lag rechts
D'Odussea en links de Batrachomuomachia.
Voor op den buitensten omslag, den peerlgrijskleurig geverfden,
Sierlijk geprent, en omlijst door symbolische teekens en beeldwerk,
Die, zoo rood als de kreeft, uit den ziedenden ketel getogen,
Beide door kleur en door vormen den kunstenbeminnaar bekoren,
Las hij als magischen titel de woorden: ‘Londinias - Vosmaer.’
IJlings rijpte 't besluit bij den boekenvereerenden wandlaar :
Diep in den geldbuil greep hij, en vond twee drachmen, zijn laatste,
Overgelukkig zich prijzend, dat hij in den Haag een retourkaart
Zich reeds gisteren kocht, en verzekerd dus was van zijn thuisreis.

Bovenstaande is   μυλωθρός (ps. v. Lodewijk Mulder) in de Spectator, 1878. Ik geef hier enkele regels uit Mulders parodie op Londinias van Vosmaer (μυλωθρός = molenaar, mulder in oudhollands). Βατραχομυομαχία (De strijd tussen kikkers en muizen) is een satire op Homerus' Ilias van een onbekende oudgriekse auteur, waarin Athene weigert tussenbeide te komen.


 

 

Gelijk de zon de bloemen kleurt, zoo kleurt de kunst het leven

Gerke Henkes was een bekend Nederlands kunstschilder in de stijl van de Haagse School, *Rotterdam 25 juni 1844, † Rotterdam 30 april 1927. Kende van Gogh, Jozef Israëls en Mesdag. Veel exposities in Nederland, Berlijn, München, Parijs.  Het krantebericht over zijn begrafenis wordt hier weergegeven omdat Tadema boven de deur van zijn atelier in Groves End Road het distichon As the sun colours flowers | So art colours life had aangebracht.
  Een Schotse vriendin (ene Alice?) van Alma Tadema had hem deze spreuk eens voorgedragen. Ze moet indruk gemaakt hebben, want hij heeft de spreuk vaker gebruikt, zoals zal blijken. Of hij goed geluisterd heeft is de vraag, het distichon struikelt over zijn versvoeten. De Nederlandse versie van Vosmaer loopt beter.
Afb. Sir Lawrence Alma-Tadema's World Famous Home, [London]: Hampton & Sons, 1912 / royalacademy.org.uk / Recordnr 13/3480.

Teraardebestelling G. Henkes.
Hedenmiddag is in allen eenvoud begraven het stoffelijk overschot van den Delfshavenschen kunstschilder G. Henkes, ridder in de Orde van Oranje Nassau, en in de Orde van St. Michael van Beieren. Enkele vrienden en familieleden hadden zich naar de Algemene Begraafplaats in Crooswijk begeven om den doode uitgeleide te doen. Onder de aanwezigen bevonden zich de heer Broedelet, vertegenwoordiger van de vereeniging Pulchri Studio te 's Gravenhage en de heer W. B. Tholen, lid van de Hollandsche Teeken Maatschappij te 's Gravenhage, waarvan de overledene één der oprichters is geweest. Aan de groeve werd namens vrienden en bloedverwanten het woord gevoerd door den heer J. Lourens.
    Spr. schetste den heer Henkes als een man, die geluk en vreugde bracht in zijn omgeving. Hij heeft geheel geleefd voor zijn vrouw, die hem in 1921 ontviel, zijn kinderen en zijn kunst. Hij was een zonnige natuur. Zijn ouderdom is zonder zorgen geweest, omringd als hij was door de liefde der kinderen. Hij was één van de gelukkigen, die de levensblijheid van de grijsheid kende. Zijn levensleer vinden wij in de woorden van Vosmaer uitgedrukt : "Gelijk de zon de bloemen kleurt, zoo kleurt de kunst het leven". Al is hij thans heengegaan, vervolgde de spr, zijn werken zullen na hem leven. Hij schilderde de schoonheid van de grijsheid. Ook zijn grijsheid was schoon. Menige feestelijke gebeurtenis droeg het stempel van zijn opgewektheid en humor. Hij heeft inderdaad in veler leven zon gebracht. Wij zullen het gevoel houden, dat het vriendelijke licht in ons zal blijven leven. Beste oom, rust in vrede. De oudste zoon dankte voor de belangstelling. Lieve, beste vader, zeide hij, op dezen stralende dag vereenigen wij u met haar, in wier gezelschap u het mooist denkbare echtelijke en kunstleven geleefd hebt. Dag vader !
Met een eerbiedigen blik in de groeve namen de vrienden en bloedverwanten afscheid van den doode.

    Rotterdamsch nieuwsblad, 4 mei 1927


The Studio, showing the remarkable door at head of golden stairway with inscription over.
Sir Lawrence Alma-Tadema's World Famous Home, [London]: Hampton & Sons, 1912 / royalacademy.org.uk / Recordnr 13/3480.

M. H. Spielmann, Laurence Alma-Tadema: A Sketch. Magazine of Art 20 (1886, London) schrijft dat hij het gezien heeft. "Een Schotse vriendin [Alice ?] van mij heeft dat eens gezegd, en nu blijft het hier", volgens Tadema zelf z.j. Het Fries Museum bezit een tekening van het tekstdragend ornament, gemaakt door N. van der Waay, getekend na 1880. Titel aldaar : Steen met opschrift in het huis van Sir Laurens Alma Tadema in Londen. Grove End Road, misschien hing het al in Townsend House ?

Inline afbeelding 1 De 'spreuk' van Tadema boven de deur van het atelier. Tekening van Nicolaas van der Waay.



     Fries Museum.


   Vosmaer en Henkes : Henkes woonde in den Haag. Hij was bestuurslid van de Pulchri Studio in Den Haag en mede-oprichter van de Hollandsche Teekenmaatschappij. Hij kende Mesdag, Israëls etcetc. Vosmaer daarmee ook. Zelfde kringen. Henkes is vast wel bij Vosmaer thuis geweest. In Vosmaers studeerkamer stond As the sun colours flowers, so art colours life in witte letters op een van de olijfgroene boekenkasten in het huis aan De Ruyterstraat in Den Haag.
   Daardoor heeft Henkes misschien verondersteld dat de spreuk van Vosmaer afkomstig was ?

John Lubbock (1834-1913) schreef As the sun colors flowers, so does art color life     • • _   • • _   • • _   • • _    (John Lubbock, The Pleasures of Life). Tadema zal flowers wel tweelettergrepig als flow-ers uitgesproken hebben.

Art is unquestionably one of the purest and highest elements in human happiness. It trains the mind through the eye, and the eye through the mind. As the sun colors flowers, so does art color life.” Metrisch gezien 4 anapesten, de vorm is een distichon. - Uit een druk van John Lubbock, The Pleasures obf Life (1887).  Wie het gezegde bedacht heeft is niet achterhaald.

As different as Alma-Tadema and Vosmaer were, there was one saying which was a favourite of both men. It was mounted over a door in the artist's studio in the sumptuous house on Grove End Road and Vosmaer had it painted in white letters on the edge of one of the olive-green bookcases in his study in the house on De Ruyterstraat in Den Haag : ‘As the sun colours flowers, so art colours life.’ Lubbock 1894 [zie noot 35]* schijnt het overgenomen te hebben in Pleasures 1894 1e druk.
   35* See, for instance, H.S.N. van Wickevoort Crommelin, ‘Laurens Alma Tadema,’ Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift 1 (1891), pp. 213-33. Twenty years later Lita de Ranitz, who married the painter W.B. Tholen in 1919, published ‘Het huis van Alma Tadema’ in Het Huis: Oud & Nieuw 9 (1911), pp. 20-30. This article also appeared, in a somewhat revised form, in De Hollandsche Revue 16 (1911), pp. 98-105. Alma-Tadema's house was recently discussed in Walkley, op. cit. (note 14), pp. 126-32.
zie hier : dbnl.org

Hieronder volgt een aantal regels uit Carel Vosmaer, Londinias, uit de zesde zang (in de 3e druk 1878 ingeschoven), die een dag van vier vrienden in Townshend House beschrijft, vier jaar na de explosie.

Als gij in 't woelige Strand, uit de schichtige reeksen van voertuig
U eenen hansom koost, door het luik in de kap het bevel gaaft :
„Regents Park, north gate, en naar Townshendhouse, dan geraakt gij
Daar in een uurtje; men ademt er rust in het heerlijke parkgroen.
D'antediluviaansch reusachtige maten van London
Krijgen er kalmeren vorm, ons, kroost van 't historische tijdperk,
Passend, wezens voor welken de honger en dorst eene grens trekt,
Menschen, beperkt van vermogens der hersens en eindig van
                               \  spierkracht. /
Wie in die stad met gemak zich bewege, die weze een mammoeth
Met hulpstoomvermogen er bij. Hier echter verkwikt u
't Frissche gebladert en water en spelende kindren op 't grasveld ;
Tsjielpend neurien sijsjes en mezen in stede der stoomfluit.
Hier aan den zoom van het park ligt 't kunstige huis van den schilder ;
Niet lang hebt gij te zoeken, 't verraadt weldra zijn bewoner
Door zijn gekleurde versiersels aan posters en zuilen, en 't SALVE.

Alma met d'ijzeren wil, spot lachend om alle vermoeinis ;
Maar geen reiziger is hij, en kan als hij leven en oudheid
Buitte ten baat zijner kunst, zich rustig vermeien in 't hoekje
Waar hij zijn  h o m e  en zijn Muzen bezit, en zijn tooverpenseelen.
Hier is 't of Pompeï herrijst ; de poëtische kunstnaar
Tooide het al met versiering en stoffen van zeldzame vinding :
Aardwerk, bronzen, en spreuken, een toovring van smaak en verbeelding.
Machtige geest, dat al schiep uwe verbeelding en kennis
Leenend den schittrendsten vorm aan het sluimerend stof van 't verleden.
Ook de godin van het huis gunt 't zien van de cella alwaar zij,
Schoone, talentvolle Muze in 't sleepend gewaad, met den haarband
Die om het goudene blond zich strengelt, het sierlijk penseel voert.
Toen zij zoo hadden bewonderd, genoten zij 't frissche des avonds
In het prieel van den hof, met gekruide gesprekken en laving.
Attiesch bleef slechts 't schoon en de geest van de vrouw en gezusters,
Maar toen heerschte in plaats van het oude, de vroolijke jonkheid.

Het verhalend gedicht Londinias volgt in homerische, humoristische trant in 8 hexametrische zangen het tochtje van vier vrienden, boekenliefhebbers, naar Londen met onder meer bezoeken aan antiquariaten, het British Museum met de Elgin marbles, en Tadema. De heren, wier bijnamen we al hebben leren kennen, zijn Vosmaer, G. A. van Trigt (uitgever te Brussel), Alphonse Willems (schrijver, uitgever), en Martinus Nijhoff (stichter van de Haagse uitgeverij Nijhoff, een van de oprichters van het liberale dagblad Het Vaderland, ‘de opa van’).

Vosmaer (den Haag *1826) en Alma Tadema (*1836) waren lange tijd goede vrienden. Het portret van Vosmaer door Tadema is gedateerd sept 1871.
Ze correspondeerden met elkaar en over en weer werden bezoeken gebracht. Vaak ook met Mesdag erbij. Er zou over de relatie Vosmaer-Tadema een boeiend essay te schrijven zijn. Daartoe zou men moeten uitgaan van de brieven van de schilder die nog in het Vosmaerarchief, Nationaal Archief den Haag, bewaard worden.

Uit de Italiaanse journalen van 1878 en 1883 trad Vosmaer te voorschijn als een onvermoeibare, in vrijwel alles geïnteresseerde wandelaar in de wereld, die zijn ogen goed de kost wist te geven en zich grondig op zijn reizen had voorbereid. Het Griekse Paestum had hem evenals het Romeinse Rome bevestigd in zijn overtuiging dat de klassieke oudheid onze enige maatstaf behoort te zijn. Op beide reizen ontmoette Vosmaer in Italië Tadema, die dezelfde mening was toegedaan en die half als archeoloog, half als kunstenaar, enthousiast was over alles wat de oudheid hem liet zien en als mogelijke onderwerpen opgaf.
   Alma Tadema vervaardigde een aantal illustraties voor Vosmaers boek Amazone (verscheen in 1880). Het verhaalt van de liefdesgeschiedenis tussen de Nederlandse schilder Siwart Aisma en zijn geliefde Marciana in Rome. De figuur van Aisma, een Friese naam, is gebaseerd op Alma Tadema. De bekende 19de-eeuwse feministe Mina Kruseman (1839 -1922) stond model voor Marciana. Beide hoofdrolspelers waren goede vrienden van Vosmaer. De titel van Tadema's schilderij Amo te ama me is ontleend aan de roman Amazone.
   In 1881 verscheen van Vosmaers hand een publicatie over Lourens Alma Tadema in de serie Onze Hedendaagsche schilders.

Bastet haalt in Mr. Carel Vosmaer - Een herdenking (1976) Romijn aan over het bezoek van Vosmaer aan Tadema in 1883 :
“Na de maaltijd worden in de bovenzalen nog weer nieuwe gasten ontvangen, er is nog een lopend souper, en een uur na middernacht snijdt Vosmaer doodmoe uit, zoals hij het uitdrukt. Tadema's gastvrijheid was niet vrij van bijbedoelingen” [nogal logisch, en de woordkeus is minder sympathiek TK]. Jaap Romijn deelt mee, dat de gulle ontvangsten op maandagmiddag - de 'At Homes' - en dinsdag de organisatie dienden: ‘de aandacht, storend voor iemand die aan het werk was voor zijn brood, werd geconcentreerd. Dat het tijd was om te kijken en te kopen werd niet verzwegen, op het uitnodigingskaartje stond: ‘pictures on view’. Swanson

Inline afbeelding 6   Inline afbeelding 7Nationaal Archief, Den Haag, Bijgehouden door Carel Vosmaer betreffende een reis en verblijf bij de schilder Laurens Alma Tadema in Londen, 1883, nummer toegang 2.21.271, inventarisnummer 281.

Vosmaer overleed, ziek, in 1888 in Zwitserland en werd nabij Montreux begraven. In 1890 werd in de Scheveningse Bosjes een monument, de Vosmaerbron, onthuld ter nagedachtenis aan Vosmaer. Het was een zuil van cararisch marmer waarop het borstbeeld van Vosmaer stond, vervaardigd door de beeldhouwer Koelman. Op de vier zijden van de onderplaat stonden in gouden letters Rembrandt, Homeros, Nanno en Amazone. Het bronwater kletterde uit een opengesperde koperen leeuwenmuil in een bronzen vaas. Elk jaar moest de bron, die op de duinwaterleiding was aangesloten, met een overkapping, de 'hut' van stro en hout afgedekt worden om bevriezing te voorkomen. In de winter van 1943 is het monument verwijderd. Het had vorstschade opgelopen of de Duitsers hadden het laten verwijderen. De zuil lag in 1955 nog op de Gemeentewerf in den Haag. De buste zou ergens bewaard kunnen zijn, maar waar ?

Inline afbeelding 1  


                                 26th June 1888.

       17, Grove End Road,
                     St John's Wood.
                                N.W.

         My dear Mrs Vosmaer.
I cannot tell you how unhappy we are at the fearful news, which reached us a day or so ago.  We sympathize with you & your children with all our hearts, in your great sorrow and loss.   Tadema is so upset at losing so dear a friend – he says he cannot write to you himself, he could never say all he feels – he has lost two other dear friends Amendola & Rajon within the last few months.
  Believe dear Mrs Vosmaer in our heartfelt sympathy, and let me remain
     Yours always sincerely

         Laura. T. Alma Tadema

Condoleance-brief van Laura Alma Tadema aan de weduwe Vosmaer.
          Collectie Vosmaer, nummer toegang 2.21.271, inventarisnummer 304, Nationaal Archief den Haag.

Vosmaer zegt in zijne studie over Koelman in ‘Onze hedendaagsche schilders’ : ‘De vraag der erfelijkheid van talent of bizondere gaven wordt duizendmalen door de ervaring weersproken, maar zeer dikwijls blijkt zij eene waarheid. Wij zien geslachten waarin de kunst leeft en voortleeft, wij zien er waarin de kunstgaaf door verscheiden kinderen uit éénen huize gedeeld wordt. Dit laatste vond ook bij de Koelmans plaats. [...] Onder de Koelmans vinden wij drie broeders, in wie de kunstgaaf bloeide: Johan Philip, Johan Hendrik (†Rome) en Jan Daniël.’  
uit : Levensberichten der Afgestorven Medeleden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, Leiden - E. J. Bril 1893.

Inline afbeelding 1           Inline afbeelding 1

            Collectie Vosmaer, nummer toegang 2.21.271, inventarisnummer 513, Nationaal Archief den Haag.

Maar helaas, het na zijn dood in de Scheveningse Bosjes nabij de Kerkhoflaan opgerichte gedenkteken dat destijds de Vosmaerbron heette, een fontein naar een ontwerp van Alma Tadema, is, kort na de laatste oorlog gesloopt en roemloos ten onder gegaan. Het is zeer terecht dat Vosmaer nu een plaquette op zijn woonhuis in de De Ruyterstraat krijgt, honderd jaar na zijn dood. Zeker zo verheugend al zou het zijn indien de gemeente Den Haag de resten van deze Vosmaerbron nog zou weten op te diepen uit haar depôts, om die vervolgens te herstellen tot wat het eenmaal was: een monument voor een Hagenaar die zoveel meer was dan alleen maar een wat bleke schrijver uit een overleefde eeuw.
          Jaarboek van de Mij der Ned Ltrk 1988.
   
Want mr Carel Vosmaer is tot zijn dood toe blijven strijden voor een ideaal, de eeuwige, maçonnieke Zauberflöte waardig. Schoonheid en Kracht, waar hij terecht zo diep in geloofde, ook al was hij toen geen praktiserend vrijmetselaar meer.

REDE.    De Vosmaer-bron te ‘s Gravenhage.

Het was Donderdag 14 Juni 1888. Den vorigen avond had het bericht van Vosmaer’s onverwachten dood zijne Haagsche vrienden bereikt, en elkeen, die met den Spectator ooit in aanraking kwam, toog op dien Donderdagavond naar de Leesinrichting, om Campbell, om Nijhoff, om elkander de hand te drukken, vol weemoed, ‘t Was of elk er behoefte aan had te voelen, dat de keten, die men vormde, hecht zou blijven, schoon er zulk een krachtige schalm aan ontvallen was.
   Het was een drukke Spectatoravond, al bleef de stoel naast Campbell, Vosmaer’s plaats, ook den geheelen avond ledig staan. Daar was o. a. Joseph Israëls, daar was ook nog Jacobson. Er werd veel en druk gesproken over den heengeganen vriend en elkeen had behoefte iets voor hem te doen, hem te huldigen, vooral nadat men wist, dat Vosmaer te Territet zou begraven worden. Op dien avond werd de gedachte geboren, die in de op 26 Augustus onthulde Vosmaer-bron daad is geworden. De vorm was nog onbepaald, maar toen Vosmaer’s dochter, in een gesprek met een vertrouwd vriend, zelve verhaalde, hoe haar vader steeds een eenvoudige drinkbron in de Scheveningsche boschjes, zijn wandelplaats bij voorkeur, had gewenscht, verkreeg de gedachte reeds vaster gedaante.
   Rondom de vrienden, die Vosmaer van nabij kenden, vormde zich spoedig een kring van mannen, wier naam goeden klank heeft in Nederland, om, zooals het in hun rondschrijven heette, „een bewijs te geven van hooge Waardeering voor den Nederlandschen kunstenaar, wiens naam „aan dien van Rembrandt verbonden is; den vertaler „van Homerus; den schrijver van de „Vlugmaren”; „den dichter van „Amazone”; den zanger van „Nanno”; „den onvergetelijken vriend.” Onder die mannen, die het Nederlandsche volk opwekten tot het brengen dier hulde, telt men geleerden en staatslieden, dichters en musici, Noord en Zuid-Nederlanders.
   Hunne oproeping vond een echt, vond een welwillend gehoor in Nederland en daar buiten, in Duitschland, in Italië en ver in Indië. Toen was de tijd gekomen om de handen aan het werk te slaan; en aan wien zou men eerder gedacht hebben, waar het gold een kunstwerk voor iosmaer te scheppen, dan aan Vosmaer’s sympathieken vriend, Alma Tadema? Tadema was dan ook dadelijk gereed en zond aan het comité een schets van eene drinkbron, die spoedig door uitgebreider bouwkundige teekeningen werd gevolgd.
   Aan die welwillendheid van „den Engelschman”, zooals sommigen hem noemen; neen, van Tadema, den volbloed Nederlander met zijn warm gemoed en zijn breeden vriendenhanddruk, is het comité, is de gemeente ‘s Gravenhage bovenal het thans verrezen kunstwerk verschuldigd. Zonder hem? Wie kan ons zeggen wat er zou zijn, zoo iets anders geweest was? En Tadema was de eenige niet. De grijze Koelman bood aan om Vosmaer’s buste te bootsen, terwijl de architect Metzelaar zich beschikbaar stelde om — zooals Prof. A. G. van Hamel het in zijne rede zoo schoon zeide — te zorgen, „dat wat zoo luchtig ten hemel rijst, op hechte grondslagen steunde.”
   Welk eene zeldzame samenwerking van uitstekende krachten! Elkeen zal ze naar waarde schatten; en elkeen deed dat, behalve het dagelijksch bestuur der residentie.
Het is mijn doel niet hier de Lijdensgeschiedenis van de Vosmaer-bron te schrijven, en zoodoende het bestuur van ‘s Gravenhage in al zijn kunstzin te waardeeren. Waar een burgemeester durft zeggen, dat hij den echten Apollo van Belvedère als geschenk voor de boschjes zou weigeren – da hört ja Alles auf ! — Genoeg, dat de Raad wijzer was en op 11 Maart 1890 zijne toestemming gaf tot de oprichting van het monument.

Toen ging alles aan het werk. De heer A. van Roon te ‘s Gravenhage beitelde de buste in carrarisch marmer; de heer Singels te Dordrecht hakte zuil en kapiteel en voetstuk uit één stuk. De heer Metzelaar schiep orde in dien baaierd van duin en boom, waar zich de bron zou verheffen.
   Op 26 Augustus 11. had de onthulling plaats, beter gezegd, werd de bron in gebruik gesteld. Precies te half twaalf verscheen de familie Vosmaer op het afgebakende terrein, waar tal van vrienden reeds waren vereenigd. Enkele oogenblikken later nam Prof. van Hamel zijne plaats in aan de zijde der drinkbron en sprak daar vol gevoel, in schoon gebouwde zinnen, de woorden, die elk der aanwezenden wel had willen zeggen. Voor elkeen, die belang stelt in Vosmaer en zijne werken is het weêrgeven van Prof. van Hamel’s rede overbodig. Men heeft ze gelezen in alle couranten, waar zij uitvoerig is afgedrukt.
Het is beter, dunkt mij, de beteekenis der monumentale drinkbron na te gaan. Prof. van Hamel heeft het zeer juist opgemerkt, dat het Nederlandsche volk zijn groote mannen slechts bij uitzondering anders herdenkt dan door hunne werken te lezen en te critiseeren. In deze bron is een voorbeeld gegeven van betere richting. Dat het nagevolgd worde!

Reeds op 23 October 1880 schreef Busken Huet aan Dr. J. ten Brink: „Onze beste kans is, dat men, evenals voor Cremer, een bank voor ons opricht in de Scheveningsche boschjes. Dan kunnen de Nederlanders op ons gaan zitten, en ons warm houden. Oók over die bank „moest gij eens een artikeltje schrijven, en over het verkiezen van die bank boven eene fontein. Dit zijn van „die nationale karaktertrekken, die mij steeds amuseeren.”
   Met het stichten der Vosmaer-bron is met dien nationalen karaktertrek gebroken. Er is iets ontstaan, ongewoon, nieuw, frisch. Zij is ook nog in andere beteekenis nieuw. Met groote piëteit — en ik zal de laatste zijn het af te keuren — werden op onze kerkhoven monumenten gesteld. Men denke aan De Génestet, aan Van Lennep, aan Potgieter, aan Mevr. Bosboom, aan Mauve. Maar wie ziet ze daar? Gedeeltelijk zijn die kerkhoven zelfs gesloten; en wie wandelt hier te lande op een kerkhof?
  Niet aldus Vosmaer. Zijn beeld staat aan een druk bezocht wandelpad; om zijn beeld krioelt het volle leven; aan zijn voet speelt de jeugd, en laaft zich — dorstig als goede Hollanders — aan het frissche water, dat aan de bron ontspringt. Zij, die hem gekend hebben, die zijne werken hebben gelezen, die Nederlands grootsten schilder aan zijne hand hebben bestudeerd, die Homerus in Vosmaer’s hexameters hebben genoten, die met Marciana hebben gestreden, die met Nanno hebben gedweept, — zij buigen zich voor zijn beeld.
   En de jongeren zullen hunne moeder vragen: wie Vosmaer was? Onze gymnasiasten zullen worden aangetrokken door het „Homerus” dat hun toeblinkt; onze kunstenaars zullen aandachtig worden bij het zien van Rembrandt’s naam; de vrouw zal geboeid worden door den titel van Amazone; en „Nanno” zal het jonge meisje doen dwepen met haar Nikias.
   Den menschen is niet meer gegeven dan.een herinneringsteeken te stichten in brons of in marmer. Als dat monument eens zijn plicht heeft gedaan, als het het volk heeft geleerd, dat er een man heeft geleefd, die indrukken heeft nagelaten op den weg dien hij betrad, dan is dat genoeg. Dan vindt na luttele honderden jaren de reiziger een zuil begraven in het zand, en naast een gebroken beeld vindt hij een kapiteel met namen, die aan het grootste, het hoogste herinneren, wat de wereld ooit aan kunst en poëzie bezat. Dan zal die reiziger, als hij op die buste Vosmaer’s naam gebeiteld vindt en op hetzelfde kapiteel de namen van „Amazone” en van „Nanno” zeggen: „Eeren wij den naam van dien dichter, want hij eerde Homerus en Rembrandt.”

         Eigen Haard 1 Sept. 1890. P. B. v. H. [Boele van Hensbroek]. Nationaal Archief den Haag, Vosmaer-collectie.

Inline afbeelding 6   
1. De Vosmaer-bron in de Scheveningsche Boschjes. L.o, staat ‘Walter’, r.o. ‘J. Eschede Z’ (?).
    Eigen Haard 1 Sept. 1890.
2. Scheveningse Bosjes, Vosmaer-bron, ontwerp Alma-Tadema / Johan Philip Koelman, uitvoering Koelman en van Roon (de buste), op 26 augustus 1890 onthuld ter nagedachtenis aan Carel Vosmaer (dichter en prozaschrijver, 1826-1888). In 1943 is het monument verwijderd en niet meer teruggeplaatst. De (ingekleurde) foto is door een particulier gemaakt. denhaag.wiki

Inline afbeelding 2
  Inline afbeelding 4
Collectie Vosmaer, nummer toegang 2.21.271, inventarisnummer 513, Nationaal Archief den Haag.
Bij het artikel De Vosmaer-bron : Overgedrukt uit "De Nederlandsche Spectator", 1890, No. 35.
  Oorspronkelijke schets voor de Vosmaer-bron van Lawrence Alma Tadema. Collectie Prenten, Identificatienr. kl. A 1577. Naam vervaardiger Alma Tadema, L. Jaar vervaardiging 1888. Beeldbank Haags Gemeentearchief.


Inline afbeelding 1    Inline afbeelding 1

1. Den Haag 29 December 1891 | Zeer Geachte Mevr. Vosmaer, | hiernevens ben ik zoo vrij u de schets aan te bieden die ik te Territet begonnen ben. Ik hoop dat het u eenig denkbeeld mag geven zoo als de plaats er daar uit ziet, - en wens ik u verder een gelukkig en tevreden Nieuwjaar. — Met de meeste hoogachting |Uwe dienaar | Jozef Israels.
Collectie Vosmaer, nummer toegang 2.21.271, inventarisnummer 304, Nationaal Archief den Haag.
2. Graf van Mr. Carel Vosmaer te Territet. Tekening-aquarel, Jozef Israels, oct. 1891. Objectnummer RP-T-1986-9.
Potlood, penseel, kleuren in waterverf, op papier.   Rijksmuseum © Public Domain.

Gesigneerd Jozef Israels / geschilderd Territet Vaud / Oct 16 91. Vaud is het Zwitserse canton waarin Territet ligt.
        —  Mr Carel Vosmaer | geb. te 's Gravenhage | 20 Maart 1826 | overleden te Territet | 12 Juni 1888.  —

"L'ancien Parc des Roses, soit cimetière de Territet ou de Planchamp, ouvert en 1817, et abritant les monuments funéraires de nombreuses personnalités notamment étrangères, tout particulièrement issues du monde anglophone et russe". Het kerkhof van Territet bij Montreux heeft lange tijd verlaten gelegen. Eind jaren tachtig is het veranderd in een openbaar park. Het weinige dat resteerde aan grafmonumenten en grafstenen is verzameld bij het kerkje. Reeds in de 19e eeuw was de streek rond het meer van Genève een drukbezocht internationaal vacantieoord en een aantrekkelijke plaats van vestiging na een werkzaam leven. Er zijn veel buitenlanders in Territet begraven.
   Jacques Chessex, "Mort d'un cimetière", verschenen in 1989 bij Editions 24 Heures te Lausanne, met foto's van Luc Chessex. ISBN 2-8265-1070-3.

J.F. Heijbroek over Laurens Alma Tadema over Carel Vosmaer zie de links dbnl 1996 :
As different as Alma-Tadema and Vosmaer were, there was one saying which was a favourite of both men. It was mounted over a door in the artist's studio in the sumptuous house on Grove End Road and Vosmaer had it painted in white letters on the edge of one of the olive-green bookcases in his study in the house on De Ruyterstraat: ‘As the sun colours flowers, so art colours life'.

 

 



















Op de Möbius-slingerbanden
is te lezen :

“As the sun
     colours flowers,
        so art
            colours life"


Sir Lawrence Alma-Tadema

by John Elmsly Inglis.

Line engraving and etching, 1883 or after.

147 mm x 117 mm paper size.

Purchased 1929.
Reference Collection

NPG D9588

Met de Möbius-slingerband lonkt Inglis naar de driedimensionaliteit van de beeldhouwkunst. Op zijn tekening zijn zowel een schilderes als een beeldhouwer te zien. De schilder Tadema beeldt driedimensionale taferelen op een tweedimensionaal vlak uit. Hij suggereert dus. De Möbiusband vestigt nog eens extra de aandacht daarop : hij is tweezijdig, maar kan alleen in drie dimensies bestaan. Maar een doorlopende echte M.-band heeft Inglis niet getekend, de tekening is ook in dat opzicht niet goed afgewerkt. Vreemd. Het portret van Tadema ziet er veel beter uit.

   John Elmsly Inglis was born in 1861 [†1933] and was probably a native of St Andrews, where he first went to school. Thereafter he was educated at the High School, Dundee, and was articled to Young & Meldrum of Dundee from 1877 to 1882. Because of recession he appears to have found it difficult to obtain a place in another office, working for Alexander Matthew, builder, Edinburgh, for one year, and then another for Kinnear Moodie & Co. He then spent some time with the Edinburgh architect Alexander McTavish and with B Herbert Fawcett, who may have been in some kind of informal partnership with McTavish as they both operated from 74 George Street in the mid-1880's, before obtaining a place in H M Prison Commissioners Architects Office in Edinburgh.
   He moved to London in the mid-1880's, studying for some time at the RA Schools and publishing sketches in ‘The Architect’ (1884), and commenced independent practice in 1887 with an office at 9 Great Russell Street, continuing in his artistic pursuits as well as in architecture. He published articles and sketches in 'The Builder’ and the ‘Art Annual’ (1887), exhibited five designs for bookplates at the Ex Libris Society Liverpool, and provided souvenir sketches for ‘Julius Caeser' and ‘King John' at Her Majesty's Theatre. Much of his work involved assisting other practitioners, including the painters Sir Lawrence Alma-Tadema and Sir Edward John Poynter, presumably on architectural backgrounds, and the architectural offices of St Aubyn & Wadling, Alfred Hessel Tiltman, the Great Eastern Railway Company (under the engineer John Wilson), Richard Creed, Robert Braxton Perress and the London School Board before finally settling in the LCC Architects Department in 1910. He was admitted LRIBA in the mass intake of 20 July 1911, his proposers being Sir Lawrence Alma-Tadema (an honorary fellow), Henry John Wadling, and John Stacey Davis of St Aubyn's office.

   www.scottisharchitects.org.uk




Aan het eind van de periode in St. Johns Wood wil ik een schilderij uit die periode bespreken. Niet direct vanuit artistiek oogpunt – dat kunnen anderen beter –, maar in -materieel opzicht. Wat gebeurt er met zo'n schilderij als het er eenmaal is ? Wat zijn de overlevingskansen ? Welke personen zijn afgebeeld en wat doen ze ?

Een beschrijving van Townshend House in Beautiful Houses, Mrs Mary Eliza Haweis 1882.

A Hearty Welcome (1878), ook genoemd A Roman Garden.   —  Ashmolean Museum, Oxford.

Inline afbeelding 2
1. Poster van het Ashmolean Museum. De afbeelding is veel te donker, maar er is niets afgeknipt. De foto is compleet.

Inline afbeelding 22. Op deze afb. van de site pubhist.com ontbreekt links en rechts een reep. Onderaan ontbreekt een strookje. Wel is op de trap zichtbaar wat op 1. in de de duisternis niet te onderscheiden viel.

Inline afbeelding 1
3. Op deze afb. uit het boek Alma-Tadema, Klassieke Verleiding ontbreekt een brede strook onder en een reepje rechts. In het platenboek Sir Lawrence Alma-Tadema van Russell Ash ontbreekt links een reepje.

Inline afbeelding 1
4. Met deze afb. van het schilderij in “de originele lijst van Tadema” is duidelijk geknoeid. Ze is afkomstig van van de site https://theframeblog.com/category/british/, een site die zich met lijsten bezighoudt. Alleen de onderzijde is ongeveer intact. Wat is er met dit schilderij aan de hand ? Of, anders gezegd, met het museum dat het schilderij behoedt en verantwoordelijk is tenminste voor zijn eigengemaakte afbeeldingen ervan ?

Inline afbeelding 1
5. Na een vraag en een opmerking onzerzijds is er onmiddellijk een betere foto ingeshopt, wat echter het probleem niet oplost. Men kan zich een oordeel vormen over een gedicht van Marsman – als er geen regels of coupletten ontbreken, en het niet moeilijk is een betrouwbare uitgave te vinden, wat ook voor een aantal muziekstukken geldt. Maar een schilderij kan zich niet verdedigen, er is maar één origineel, dat naar believen gefotografeerd, verkleurd en en verknipt kan worden door ondeskundigen / onverschilligen. Hoe kan men zich over het kunstwerk nog een mening vormen ? Is het origineel nog in goede staat ? Bestaat het nog ? Of hangt er een niet zo goede replica ? Russell Ash (1973) geeft de minst bijgesneden afbeelding mij bekend, Dijkstra (2016) de mooiste, zij het sterk bijgesneden.

A Hearty Welcome, Tadema, 1878, A Hearty Welcome in een romeinse tuin.  Ashmolian Museum, Oxford U.K.
De afgebeelde personen zijn de Tadema's en hun huishoudster die neefje Pieter wiegt. Vader (nog op de trap) en moeder komen thuis. Moeder Laura omhelst Anna (11 jaar), de oudste dochter Laurence (13 jaar) lokt de hond Brio, en links wiegt Alice Search neefje Pieter Rodeck (1875 –1945), de zoon van Lawrence’s enige zus, Artje Brouwer - Tadema (1839 –1875). Het schilderij werd onthuld tijdens een feestje in februari 1878 waarbij de violist Joseph Joachim optrad.

   

Dit is Townshend House 10 jaar na Tadema's vertrek naar Grove End Road. Door de bomen die er staan geeft de tekening alleen van de voorkant een redelijk beeld – zie bijv. de voordeur – maar toch. De bewoner, Henry Arthur Jones (1851-1929), was toneelschrijver. Van 1887 tot 1901 heeft hij in Townshend House gewoond. Zijn studiekamer had een 'splendidly painted ceiling'. De tekening is van W. E. Hodgson.
The Houses of celebrated people - Bell R. S. Warren, The Windsor Magazine : an illustrated monthly for men and women ; Jul 1895: 2, British Periodicals / © The British Library Board.


Pall Mall Gazette 4 April 1905 / © The British Library Board.


The Era 8 april 1905 / © The British Library Board.

Inline afbeelding 2


London Monitor and New Era Friday, April 28, 1905, London, Middlesex / www.newspaperarchive.com

     Inline afbeelding 1

John MacWhirter, Royal Academician (27 March 1837 Slateford / Water of Leith - 28 January 1911 London) was a well known Scottish landscape painter. He was made an A.S.A. in 1879 and an H.R.S.A. the next year. He has been a consistent exhibitor at the Royal Academy. Moved to 1 Abbey Road, St. John's Wood, where he lived again next to Tadema.


Vroeger zag men hier Townshend House. Nu staat Viceroy Court op de hoek Townsend Road / Prince Albert Road. Foto LL

 

Alma-Tadema's house at  G R O V E   E N D   R O A D
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Tadema verhuisde in 1885 naar Grove End Road (sommigen zeggen 1883, maar dat is in flagrante tegenspraak met het bezoek van Vosmaer dat jaar), omdat hij Townshend House niet verkocht kreeg en dus geld tekort kwam. Maar zijn schilderijen brachten zoveel op, dat hij de sprong kon maken en het huis van Tissot geheel ging verbouwen. In de jaren 1885-1895 besteedde hij er £70.000 aan. Bezoekers schelden aan, de portier kwam uit zijn huisje en opende het hek. Dan liep men verder, door een loggia met glazen dak en met mozaiek ingelegd plaveisel, naar de deur met de begroeting SALVE op de lijst erboven en de bronzen of koperen deurklopper.

The house stood empty for some time before it was acquired by Alma-Tadema. The property next door was owned by his good friend, the enormously successful historical genre painter (later keeper of the Royal Academy) Philip Hermogenes Calderon who was of mixed Spanish-French descent. Both became active members of the so-called St John’s Wood Clique. Calderon was a sociable man, and among his large circle of friends were members of the Pre-Raphaelite circle, G. F. Watts, who painted his portrait, and many literary figures, notably George Du Maurier, Anthony Trollope, and Charles Dickens.
     His son Alfred Marigon Calderon was an architect. His first work after articling was the design of the Alma-Tadema residence. The house was extensively remodelled to an Italianate style. In fact, some 80% of Tissot’s dwelling was demolished for reconstruction. It was the owner’s ambition to create a temple of aestheticism. When it was finished critics described it as being more like an enchanted palace than a London house. A shady and tiled pergola led through the old garden from the gate to the front door which was made of carved wood and surrounded by deep bronze relief. The entrance to the hall was designed in a classic style, and the floors were laid with Persian tiles. It was known as the Hall of Panels, an ‘unending’ series (some fifty in total) of narrow vertical panels painted in brilliant colours against the white walls by friends and visiting artists (twenty six of the panels reappeared at a Sotheby’s auction in 1974; and four panels were sold in The Forbes Collection auction at Christie’s in 2003).      Around the hall were various rooms, one of which was filled with choice treasures from China and Japan. Another room had leather-covered walls, old cabinets and highly-polished brasses of Dutch design and workmanship. The house had sixty-six rooms in total, including an atrium, a billiard room, and a large cellar just for mineral waters. Central to the structure was a balcony overlooking a marble basin with a babbling fountain. There were studios for Anna, Laura and Lawrence himself. For Laura’s Dutch-style studio a team of craftsmen were brought over from Holland to fabricate the oak-beamed ceiling and oak wall panelling with matching chimneypiece.

The family finally moved into the house in November 1886. The inscription above the door read ‘Where friends meet hearts warm’.
Lees hier.

andere bron : artrenewal.org
With his small daughters and sister Artje, Alma-Tadema arrived in London at the beginning of September 1870. He rented the London house and studio, at 4 Camden Square, of another of Gambart's artists, the orientalist painter Frederick Goodall, who was then travelling in Egypt. [...]
On Fred's return from Egypt the second time, he left London and turned over his premises and studio in Camden Square to artist friend Alma Tadema. [...]
4 Camden Square occupied by Frederick Goodall and his family between 1850 and 1870. It was later occupied by artist Laurence Alma Tadema.

goodreads.com :
Lawrence Alma-Tadema, who had been working in Paris over the summer but who lived in Brussels, boarded a Channel boat at the beginning of September 1870 with his two small daughters and his sister Artje. In London, he rented a house and studio at 4 Camden Square that belonged to British artist Frederick Goodall (Goodall, who like Alma-Tadema was one of the dealer Ernest Gambart’s artists, was travelling in Egypt).

James Tissot fled Paris in the aftermath of the Franco-Prussian War and the bloody Commune in late May or early June, 1871, and established himself in the competitive London art market. By March 1872 (and until early 1873), he lived at 73 Springfield Road; he then bought the lease on a medium-sized, two-storey Queen Anne-style villa, built of red brick with white Portland stone dressing, at 17 (now 44), Grove End Road, St. John’s Wood.
     The residents of the comfortable suburban homes around the Regent’s Park and the district of St. John’s Wood, west of the park, were merchants, bankers and lawyers.  Tissot’s house, set in a large and private garden separating him from the horse traffic, omnibuses and pedestrians on their way to the park or the still-new Underground Railway station nearby, was built in
1825 on part of the grounds of the abbey for which Abbey Road was named.
      In 1875, Tissot built an extension with a studio and huge conservatory that doubled the size of his house. In the conservatory, he grew exotic plants, while his garden was designed with a blend of English-style flower beds as well as plantings familiar to him from French parks.  Gravel paths led to kitchen gardens and greenhouses for flowers, fruit and vegetables. In 1883 Alma-Tadema bought this house for which he designed the alterations and moved in in 1885-6.


   Designs for alterations and additions to the house for Sir Lawrence Alma-Tadema, 17 [now 44-44a] Grove End Road : north elevation of the studio still are there. Ik beeld er een af (datum : 1885).


     RIBApix / www.architecture.com

    1. Grove End Road 17, Principal Entrance : Studio Front, North side. Drawing by J. Elmsly Inglis uit An illustrated life of Sir Lawrence Alma Tadema 1836-1912, Russell Ash, 1990 —— 2. Huidige staat, nu huisnummer 44-44a. Tadema woonde hier 1886-1912. Foto Carole Raddato / www.flickr.com

The Grove End Road house had lain dormant for the last two years awaiting the sale of Townshend House to Henry A Jones, its eventual purchaser. But now work at St. Johns Wood began in earnest and the Alma-Tademas moved out of Townshend House on July 17th, 1885. The only habitable part of the new house was a small studio at the farther end of the garden which, with an apartment, formed an independent building. Alma-Tadema stayed and painted in it for over a year whilst his wife and daughters lived in Windsor, courtesy of a friend who had temporarily moved abroad. Once the family moved into the main house, the smaller building was destroyed in order to increase the size of the garden.
    The work on the house was time-consuming, particularly in view of Alma-Tadema's quest for perfection. So much of 1886 was devoted to its supervision that only three paintings were completed during the year. Two of these were portraits, including one of Mrs Frank D Millet (No 314). Most press reports about Alma-Tadema during this period contained more copy about his home than his art. It soon became one of the most astonishing houses in London; in much the same way as Townshend House, only on a much grander scale.
    The Alma-Tadema family finally moved in on November 17th, 1886.
 -  Swanson 1994.

Inline afbeelding 1   Inline afbeelding 1   Inline afbeelding 2

Grove End Road. Links portierhuisje.  De Hollandsche revue jrg 16 no 2. Het artikel Het huis van Alma Tadema is geschreven door Lita de Ranitz, in 1919 gehuwd met W. B. Tholen. De bel bij de deur noemde Tadema Isabel, de deur zelf Isadoor. Zie https://www.corkint.info/html/schilders_tholen.htm

Inline afbeelding 1         

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Het geheele Tadema-huis met zijne bijzondere inrichting is eigenlijk gebouwd om eene serre heen. Tadema zag op de plek zijner tegenwoordige woning een groot terrein, waarop een gedeeltelijk afgebroken woonhuis ; de daarbij behoorende reusachtige serre was echter blijven staan.
Hij kwam op het denkbeeld om deze mooie plantenkweekplaats  als uitgangspunt voor een te bouwen huis te nemen. Van daar dat men bijna in alle vertrekken ziet op een als park aangelegden tuin of op eene serre met weelderige palmen en fijne varens.

Grove End Road — Het nieuws van den dag : kleine courant 5 jan 1902

 

 

 

City of Westminster Archives

 


James Tissot owned the house at Grove End Road only from 1873 to 1882, while Sir Lawrence Alma-Tadema, a Royal Academician, owned it for nearly thirty years, from 1883 until 1912. Het kon na zijn dood in 1912 niet verkocht worden voor een redelijke prijs en heeft jarenlang onbewoond gestaan. The house was converted to apartments in the 1920s and fell into disrepair. During World War II, it was occupied by the Army, then bombed and damaged by fire. Tissot’s cast iron colonnade was torn down in 1947 and replaced with garages. The house was later converted into eleven flats, again fell into disrepair, and was listed on English Heritage’s “at risk” register. The Savage family bought it in the mid-1950s and restored it to a single dwelling in 2003.

     When James Tissot moved into the house in early 1873, it was a medium-sized, two-storey Queen Anne villa. In 1875, Tissot built an extension with a studio and huge conservatory that doubled the size of his house. Eight years later, after the funeral of his young mistress and muse, Kathleen Newton (1854 – 1882), Tissot moved to Paris. Tissot was so overcome with grief when Kathleen Newton died on 9 November 1882, that within five days he had left the house and returned to Paris, never to return.
    Through an agent, Alma-Tadema purchased James Tissot’s house at 17 (now 44) Grove End Road in St. John’s Wood by 1883, but he could not move in until he sold his home, Townshend House. After a two-year wait, Tadema moved into Tissot’s former home on July 17, 1885, and began extensive remodeling to enlarge and modify it into an Italianate mansion appropriate for his popular paintings of ancient Rome. He built a three-story studio, capped with a semi-circular dome covered in aluminum, which gave a silvery tone to his paintings.
thehammocknovel.wordpress.com/2014/09/24/a-visit-to-james-tissots-house-kathleen-newtons-grave/

Aan de rust in de kunstenaarswijk St. John's-wood kwam een einde toen bekend werd dat er plannen waren een spoorlijn aan te leggen.          

PARLIAMENTARY COMMITTEES.

The proposed new railway to London.

   The Committee of the House of Commons, consisting of Sir Richard Paget (chairman), Mr. Leveson-Gower, Mr. Rowntree, and Mr. Grotrian met again yesterday to continue the hearing of evidence from the inhabitants of the St. John's-wood district against the scheme for the extension of the Manchester, Sheffield, and Lincolnshire Railway to London.
   Sir Edwin Galsworthy stated that he had been a member of the vestry of St. Marylebone for 24 years and was the owner of a great deal of property in the parish. In his opinion the tenants viewed the scheme with very great alarm. He knew of tenants who were preparing to leave the locality because of the proposal for a new railway. The effect of the railway station would be prejudicial to the surrounding residential and shop property. He thought the evil would spread and deteriorate the character of the neighbourhood for some distance, so that a less reliable class of tenants would come to occupy the property.
   Mr. Alma Tadema, R. A., who was the next witness called, said that his residence was within 200 yards of the proposed site. He had lived for some 20 years in St. John's-wood, and had occupied the same house since 1882. He went to St. John's-wood for quiet, pure air, and freedom from dust. Since moving into his present house he had spent a good deal of money upon it. Quiet was extremely necessary for an artist. Speaking not only for himself but for the neighbourhood generally, be deprecated the scheme : Lisson-grove and Grove-road would, he thought, be blocked ; the traffic to Park-road would be doubled, and the district made more difficult of access. It was neccessary to artists that the district should be as accessible to the buyer as it had been in the past. There were a great number of artists living in the district, pretty nearly 200, and their opinion was universally against the railway. The railway would have the effect of disestablishing the St. John's-wood colony, and if they had to go farther off it would have a most prejudicial effect on the sale of their pictures. [...]
          Uit : The Times 9 April 1892 / www.newspaperarchive.com

[...] Mr. Lawrence Alma Tadema, R. A., examined by Mr. Saunders, Q. C., said he went to live in St. John's-wood because it was best suited for following his profession as an artist. Kensington and St. John's-wood were the only two portions of London suitable for an artist. In St. John's-wood the artists were universally opposed to this line, as the air would be filled with dust from the proposed coal depot when a south wind blew. [...]
          Uit : Globe 8 April 1892 / Britisch Newspaper Archive

[...] The artist who underwent examination to-day was Mr. Alma Tadema. Of course he bore witness for the two hundred artists in St. John's-wood who are death upon railways. Mr. Alma Tadema spoke of once having to paint near a railway, and then he never could draw a straight line. Asked if he never drew a crooked line where no train was near, he scorned the insinuation. One thing Mr. Alma Tadema did - he threw a little light upon the temperament of modern artists by contending that modern art required for its succesful practice aesthetic surroundings. [...]
          Uit : East Anglian Daily Times 9 April 1892 / Britisch Newspaper Archive

 

Ondanks de protesten kwam de spoorlijn er toch. Op 10 november 1894 werd de lijn Manchester, Sheffield, and Linconshire Railway volledig in gebruik genomen. De lijn was in beginsel aangelegd om kolen van Nottingham naar Londen te brengen.

Nevenstaand kaartje uit 1908 schetst de situatie. Het is begrijpelijk dat Tadema geprotesteerd had tegen de aanleg van het spoor. De treinen reden op zo'n honderd meter afstand van zijn woning aan Grove End Road (zie de blauwe stip). De dubbele spoorbaan was niet–te–geloven dwars door de kunstenaarswijk St. John's-wood heen geprojectiliseerd.
      

mapco.net

Vanaf het moment dat er niet alleen steenkolen maar ook passagiers vervoerd werden hoefden de artiesten en andere kleurrijke figuren niet direct over aanloop en klandizie te klagen. Daar zorgden Marlborough Rd Station (Noord) en St. John's-wood Rd Station (Zuid) voor. Maar de ontstane bouwwoede en grondspeculatie brachten een uitbreiding en geheel andere ssamenstelling van de bevolking met zich mee waarin het minder goed toeven was. St. John's-wood verviel in korte tijd tot een gewone volkswijk, waar de verdwenen aparte sfeer en rust geen kunstenaars van wereldniveau meer aantrokken.


▬      ▬      ▬      ▬      ▬      ▬      ▬      ▬ 
    ▬      ▬      ▬      ▬      ▬      ▬      ▬

 

The New York Times, 6 dec 1912 / www.newspaperarchive.com                   De Telegraaf, 18 juni 1913.

Inline afbeelding 5      

Inline afbeelding 6

 

          Nieuwe Tilburgsche courant 1 mei 1926


Uit zijn eigen familiekring kende Tadema de schilders Hendrik Willem Mesdag (1831-1915) en diens broer Taco (1829-1902), achterneven van hem. De grootmoeder van moederszijde van Alma Tadema heette Riemke Tacos Mesdag. Alma Tadema gaf zelfs nog schilderles aan Mesdags vrouw Sientje van Houten. Hij introduceerde Mesdag bij de in Brussel wonende schilder Willem Roelofs, die zijn laatste leermeester werd. De gebroeders Willem, Matthijs en Jacob Maris kende Tadema, ging in Antwerpen aan de academie studeren. Moeder, zus Artje en Lourens verhuisden gedrieën naar Antwerpen op 16 april 1859. Lourens ging niet alleen.
   In Nederland wijdde de literator Carel Vosmaer verschillende artikelen aan het werk van Alma Tadema. De Haagse schrijver Louis Couperus bezocht hem in 1898 in Londen. Hij kon het echter minder goed met Alma Tadema vinden, ondanks de gedeelde interesse in de oudheid. Couperus was echter wel zeer onder de indruk van het huis van de schilder.

Inline afbeelding 3 Inline afbeelding 4
        Leeuwarder courant 11 maart 1887   — — — — — — — — — —   Leeuwarder courant 7 nov 1892

De Leeuwarder Courant berichtte regelmatig over de voormalige stadgenoot. Omgekeerd was Tadema zijn Friese geboortegrond niet vergeten.
Op een Doorlopende Tentoonstelling van hedendaagsche Friesche Kunst- en Kunstnijverheid te Leeuwarden was naast werk van Dirk de Vries Lam, die na acht jaar in Enkhuizen gewerkt te hebben directeur van Minerva in Groningen werd, ook werk van Alma Tadema te zien.

Inline afbeelding 6  Inline afbeelding 4
          Leeuwarder courant 15 juni 1903   — — — — — — — — — —  Leeuwarder courant 12 jan 1912

In de periode van 1918 tot 1990 werd Alma-Tadema in Nederland niet of nauwelijks gewaardeerd en in Nederlandse musea was zijn werk lange tijd spaarzaam vertegenwoordigd. Het Van Gogh Museum en het Fries Museum bezaten werk van hem. Pas sinds de jaren negentig trekt hij ook in Nederland weer meer belangstelling. Zijn werk brengt op kunstveilingen steeds meer geld op. In de kunstwereld is er sprake van een Alma Tadema-reveil. In maart '81 heeft het schilderij "Model van een beeldhouwer" een recordbedrag van meer dan een half miljoen gulden opgebracht op een veiling bij Christie's in Londen. In december 2010 werd hij zelfs door de toenmalige staatssecretaris van cultuur Halbe Zijlstra aangehaald in een brief aan de Tweede Kamer, waarin Zijlstra zijn voornemen om op cultuur te bezuinigen toelichtte. Alma Tadema zou hebben gezegd: "Zolang ik schilder, ben ik kunstenaar, als het af is, ben ik zakenman".

Tadema, een uiterst precies vakman, verdiende buitengewoon goed aan zijn schilderkunst. Harry Furniss (1854-1925) kwam nog wel eens langs voor een praatje en liet merken dat hij zijn fellow-artist's financial success benijdde. Alma-Tadema, though, complained that his ‘modest’ income seldom exceeded 10.000 pounds a year.
   Alma Tadema placht bijzondere diensten in de Dutch Church bij te wonen. Bijvoorbeeld t.g.v. de verjaardag van de koningin. Hij was bevriend met ds Adama van Scheltema, 1874-1901 predikant der Ned. Herv. Gemeente te Londen, van wie hij een portret geschilderd heeft. Het portret van Adama van Scheltema is in 1940 bij het bombardement verbrand, het hing in de kerkekamer van de Dutch Church, in de consistorie.
   In the autumn of 1887, Charles Hallé and Comyns Carr had left the Grosvenor Gallery to open the New Gallery in Regent Street the following year. The New Gallery's latter opening in May 1888 proved to be the main news of the season. Alma-Tadema had no difficulty in transferring his allegiance from the Grosvenor Gallery and participated with five pieces; Portrait of Lady Kate Fanny Thompson (No 290 [*], 1883; He loves me, he loves me not (No 318, 1887); Study for the roses of Heliogabalus (No 320, 1888), Portrait of the Revd Adama van Scheltema (No 323, 1888), van Scheltema being [1874-1901] the minister of the Dutch Church of the Austin Friars in London which represented Alma-Tadema's spiritual interest; and Venus and Mars (No 324, 1888), which was completed just in time.
   [*] Tadema gaf zijn schilderstukken een opusnummer mee.
          Biography of Sir Lawrence Alma-Tadema. By Vern Grosvenor Swanson, Ph.D. 1994.

Volgens de volkstelling 1911 woonde Tadema met zijn dochter Anna nog steeds in het huis met 19 kamers, 34 Grove End Rd. N.W. London. Zijn 'bescheiden' inkomen, zoals hij weleens spottend zei, veroorloofde hem 6 mensen (a household secretary, a cook, a parlourmaid, 2 housemaids and a kitchenmaid) in dienst te hebben.

925 = Holland Naturalised British Subjects Residents ; 926 = Belgium Naturalised British Subjects Residents.
"Own account" = zelfstandig, zonder werkgever.
-- Bij Lawrence is "naturalized" onjuist, moet zijn 'denized'. -- Bij Anna is 1895 wschl schrijffout, moet 1897 zijn, zie onder.
www.ancestry.co.uk/The National Archives, London England.

Naturalisation Certificate :
1. Lawrence Alma Tadema / head / 75 / widower / artist / 461 / painter / own account / at home Netherlands / 925 / nat. 1873
2. Anna Alma Tadema / daughter / 43 / single / artist / painter / own account / at home / Belgium / 926 / naturalized 1895, resident in London. Certificate A9421 issued 12 January 1897. The National Archives, Kew.
3. Laurence. Resident in London. Certificate A9892 issued 14 October 1897. The National Archives, Kew.
The National Archives - GOV.UK

Lawrence Alma-Tadema – Nederlander of Engelsman ?

Veel verwarring is ontstaan door de denizatie van Lawrence in 1873 en de naturalisatie van dochter (niet zoon !) Laurence in 1897. Sommigen hebben verkeerdelijk geconcludeerd dat Tadema Engelsman zou zijn geworden. Zelfs Swanson dicht Tadema de Britse nationaliieit toe in zijn overigens nauwkeurig heschreven studie.
En vervolgens schrijft iedereen dat van iedereen over, zoals dat pleegt te gaan. Lawrence Alma-Tadema heeft als buitenlander bij hoge uitzondering de Britse burgerrechten verkregen, maar niet de Britse nationaliteit.

Inline afbeelding 1   Inline afbeelding 2

                                 Alg Hblad 10 oct 1872                                                       De Standaard 24 jan 1873


Inline afbeelding 3   Inline afbeelding 4

                                 Alg Hbld 7 jan 1898
                                                 Middelburgsche courant 11 jan 1898

                                                                           (De Duitsers noemen dit ‘eine Verschlimmbesserung’)

Inline afbeelding 5   Inline afbeelding 1

Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant 28 juni 1912 
 — The Edinburgh Gazette
14 July 1899, Issue 11110
www.thegazette.co.uk

Alma Tadema obviously had a fan in the Queen as with letters patent she made him a British denizen, one of the last ever created. Meaning while he was not a British citizen in the common sense of the word, he was a sworn loyal subject of the crown of England for the rest of his life and had effectively taken the country as his motherland. The image below shows the actual document that constitutes these letters patent, from the series HO 45.
   This document was the key to unlocking Alma Tadema’s ambitious dreams and allowed him to reach the heights he then attained in his career. On 19 June 1879 Lawrence Alma Tadema was made a full member of the Royal Academy, achieving one of his most important personal goals.
   The records here can also show us glimpses into the relationships between artists and reveal snapshots of life from within their community. In 1897 Alma Tadema’s daughters, Anna and Laurence, applied for naturalisation to become British citizens. Their granted naturalisation papers, the applications and notes from their lawyers can be found in their files in The National Archives Anna Alma Tadema in HO 144/403/B22997 and Laurence Alma Tadema in HO 144/403/B22997A.
Lees hier.

Inline afbeelding 1    Inline afbeelding 2

HO 45/9323/17538 National Archives, London. -- Ondermeer Sir Henry Thompson schreef een aanbevelingsbrief.

           

The Times 27 June 1912 / www.newspaperarchive.com    —    The Times 28 June 1912 / www.newspaperarchive.com

Lawrence Alma-Tadema is dus steeds Nederlander gebleven.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Lodewijk van Deyssel bezocht in het jaar 1894 Couperus, Thijs Maris en Alma Tadema, hij schreef daarover.

Louis Couperus bezocht Tadema in Londen. Tadema wenste tijdens Couperus' bezoek niet gestoord te worden. In een zijvertrek zou hij zich op de grond bezig houden met zijn speelgoedtrein en had voor het bezoek geen tijd. Onzin. Zie : Hans van der Horst, Louis Couperus' Zijlijnen, 1996. Van der Horst belicht voornamelijk de contacten die Couperus had met zijn schilderende, tekenende en fotograferende tijdgenoten. Men krijgt een biografisch getint verhaal voorgeschoteld waarin de verschillende kunstenaars die een rol in Couperus' leven hebben gespeeld de revue passeren, zoals Vosmaer. Maar het is een vreemd boek.

Voor het volgende moet even duidelijk gemaakt worden dat overal waar 'piano' staat 'vleugelpiano'. kortweg 'vleugel' bedoeld wordt. Ook 'grand' wordt in die zin gebruikt. Een Broadwood grand is een Broadwood vleugel.
Voorts : in Engeland schreef men Alma-Tadema met een hyphen tussen de twee woorden. In Nederland schreef hij zich Lourens, in België Laurent, in Engeland Lawrence.

 

Inline afbeelding 1

Algemeen Handelsblad 16 mei 1895

Christian Timmner was 1888-1895 concertmeester van het Concertgebouworkest.

Inline afbeelding 1

 Het nieuws van den dag 2 juli 1912

    

Inline afbeelding 4 
Bataviaasch nieuwsblad 28 febr 1889

   
Algemeen Handelsblad 8 juli 1912

Alma Tadema heeft meerdere vleugels gehad en bewerkt. De hierboven besproken vleugel zou een Steinway D-274 (topmodel) geweest zijn, volgens opdracht van ebbenhout, ingelegd met ivoor en parelmoer, en met gebeeldhouwde poten. George Fox had er onder toezicht van Tadema nog wat design op losgelaten. De binnenkant van de klep was speciaal bewerkt door Edward Poynter, zodat er stroken perkament aan bevestigd konden worden, waarop de komende en gaande artiesten hun naam konden schrijven. Steinway zou vier jaar aan de bouw van het instrument gewerkt hebben. Het werd in 1887 opgeleverd. Een journalist van De Tijd zag in 1882 twee vleugels bij de Tadema's staan.
   Toen Chopin in 1848 een tournee maakte door Schotland werd er dikwijls een Broadwood grand gehuurd, die evenals in London 20 guineas kostte. Hipkins was de stemmer. Hij stemde bij voorkeur gelijkzwevend, en dat was precies wat Chopin nodig had. Zie : History of Broadwood Pianos.

     Inline afbeelding 1     

Inline afbeelding 3

Uit : ALMA TADEMA. Een blik achter de schermen. Londen, 24 maart 1882.

 


         
Algemeen Handelsblad 2 april 1882.


1883
Alma Tadema Piano Model D #54538, The piano was sent from N.Y. to London in 1884 for inlay and paintings by noted Victorian Artist Sir Lawrence Alma-Tadema for Henry Marquand, Art Collector and 2nd President of the New York Metropolitian Museum of Art. Painting "Wandering Minstrels" above the keyboard. 9 Muses on the lid. Returned to NY City in 1887, then auctioned for $8.000 in 1903.
Uit : 162 Facts About Steinway & Sons and the Pianos They Build.

In The Times van 10 juni 1913 is onder Art Sales / Sir L. Alma-Tadema's Furniture te lezen :
Messrs. Hampton and Sons began yesterday the six days' sale of the contents of the late Sir Lawrence Alma-Tadema's house at 34, Grove End-road, N.W.  Among those present were Sir E. J. Poynter, P.R.A., Mr. David Murray, R.A., and Mr. Waterhuse, R.A.
   The chief lot yesterday was the famous "Autograph" grand pianoforte, made by Broadwood and Sons 30 years ago, being specially designed by George Fox under the supervision of the late owner ; inside the cover are fitted parchment panels bearing the autographs of the greatest musicians of the day.

   Het magnifieke palazzo aan Grove End, een eerste klas bezienswaardigheid, heeft veel te lijden gehad maar is in 2003 gerestaureerd. Nu in gebruik bij een charitatieve instelling.

Voor eigen gebruik en genoegen hadden Tadema en zijn vrouw Broadwoods. Hij zong - verdienstelijk maar niet bijzonder - en zal ook wel een paar noten piano en orgel hebben kunnen spelen. Ten slotte speelden zijn vader Pieter Jelles en diens broer Zacharias orgel op behoorlijk liefhebberniveau, de eerste in Akkrum, de tweede aan de Martinikerk te Bolsward. Zijn vader componeerde ook. Tadema zal in de verbinding van klank en sculptuur misschien iets gezien hebben. Kleine Gesamtkunstwerke ? In elk geval verdiende hij een aardige cent aan het opleuken van Broadwoods en een enkele Steinway. Van charlatanerie kan niet gesproken worden, maar Salvador Dalì is niet ver weg.
   Dit is de plek, nog voor de ramp, hier dieper op in te gaan. Tadema had, toen het kruitschip ontplofte, zijn huis tenminste van binnen al geheel omgebouwd naar zijn ideaal. De ramp was een blessing in disguise, want nu kon hij ook de muren en het dak aanpakken. In vier jaar was hij zover. Hij moest veel schilderen om het geld voor die verbouwing en zijn reis naar Italië te kunnen betalen. Maar evengoed zocht hij een groter huis met een grotere tuin. Toen hij in 1885 in Grove End Road ging wonen, begon hij voor de derde keer een woning te bewerken. Onwillekeurig denk ik aan de vrijmetselaren die symbolisch de ruwe steen bewerken tot er iets goeds van gemaakt is, maar Maurerzeichen als passer en winkelhaak enz kom ik bij Tadema niet tegen. Trouwens, hij was de eerste of tweede in Londen die zijn huis (en zijn vleugel) tot een kunstwerk herschiep, en er volgden meer bemiddelde kunstlievende Londenaars die zich door Townshend Hous lieten inspireren. Tadema kwam tot een topprestatie in Grove End Road. De herschepping van dat huis kostte zoveel geld dat de stelling dat Tadema niet alleen schilderde omdat dat nu eenmaal zijn geliefde vak was, maar zijn buitengewoon vakmanschap ook inzette om zijn eigenlijk doel, zijn versie van een Gesamtkunstwerk, te verwezenlijken.
    Voor zijn tijdgenoot Wagner was dat een synthese tussen muziek (van Wagner), tekst (van Wagner) en ruimte (het speciaal voor en door Wagner gebouwde theater in Bayreuth). Voor Tadema was dat een synthese tussen eigen tekeningen en schilderijen, verzamelde voorwerpen en kunstvoorwerpen uit verschillende tijden en stijlen, harmonisch bijeengebracht in een ruimte zonder binnendeuren, natuur in de tuin rondom, en LICHT.

          Illustrated London News, 28 May 1887 / © Illustrated London News Group.

'At Homes'


Alma-Tadema and his wife hosted Monday afternoon open houses - the ‘at homes’- and  lavish Tuesday evening dinners and concerts for friends such as the Prince and Princess of Wales, the composer Tchaikovsky (1840 – 1893), French sculptor Auguste Rodin (1840 – 1917), novelist Henry James (1843 – 1916), French actress Sarah Bernhardt (1844 – 1923), internationally-acclaimed portrait painter John Singer Sargent (1856 – 1925), Polish pianist and composer Ignacy Paderewski (1860 –1941), Italian tenor Enrico Caruso (1873 – 1921) and Winston Churchill (1874 – 1965).

     Dit schreef Lucy Paquette op 9 sept. 2013 in Art blog, Art History, Impressionists and tagged James Tissot, Laura Epps, Lawrence Alma-Tadema. Het is betwijfelbaar of hier inderdaad friends bedoeld worden. De bijna 40 jaar jongere Churchill ontmoette hij pas in 1902. Nastaand geef ik een aantal namen van bezoekers zonder vermelding van hun graad op de amicaliteitsthermometer.
    Vooral musici had hij graag over de vloer, om andere gasten (potentiële kopers) te entertainen, schrijvers, componisten, militairen, politici, blauwbloedigen waren welkom. Pablo de Sarasate, Caruso, Rodin, Sons, Henschel, Clara Schumann, Tschaikovsky en Anton Rubinstein, Saint-Saëns en Liszt, Paderewski, Joachim, Boïto, Oscar Wilde, John Singer Sargent, van Deyssel, Couperus, Messchaert, Conan Doyle, Henry James, Sarah Bernhardt. Maar ook de Prince and Princess of Wales (1901 Edward VII), Winston Churchill, en, als de gelegenheid zich aandiende, goochelaars en dansers. Alleen Paderewski wilde niet op Tadema's Broadwood spelen, hij liet een ander instrument komen. Ik vermoed dat hij een lichte aanslag prefereerde, zoals bijv. ook Chopin, Mahler en Horowitz.
   Allemaal zetten ze hun handtekening op de perkamenten stroken die aan de klep van de vleugel bevestigd waren – een fabelachtige vleugel waar al veel over was geschreven, ook in The Athenaeum, waar abusievelijk was vermeld dat Alma-Tadema hem zelf had ontworpen. Dat zette hij recht, want niet hij, maar de architect George Fox had het wonderlijke gevaarte in byzantijnse stijl ontworpen.
   Gasten als Rodin, de kroonprins en Churchill traden niet op, ze zaten 'in het publiek'. Churchill had Tadema in 1902 bij de ingebruikname van de oude Aswandam in Egypte leren kennen. Tadema reisde als gast van de ir. Sir John Aird mee om de inwijding van de Aswan Dam bij te wonen, die Aird's bedrijf gebouwd had.
   Niet iedereen kwam bij Tadema. Fritz Kreisler trouwde in 1904 in de Oostenrijkse ambassade in Londen. In hetzelfde jaar ontving hij de Gouden Medaille van de Royal Philharmonic Society in Londen. In 1910 speelde hij de première van Elgars vioolconcert met het London Symphony Orchestra. Maar nergens wordt gerept over een optreden bij Tadema.

De uitbarsting van de Krakatau op 27 aug. 1883, een natuurramp van ongekende omvang met jarenlange gevolgen voor het klimaat op de gehele wereld, leidde tot grote activiteit van de Hollandse gemeenschap in Londen.


   

In Semarang (bijna 600 km vanaf Krakatau) "dreunen [de huizen] op hunne grondvesten". Een dag later staat in de Java-Bode p4.: “Onrustbarende geruchten loopen hier over Anjer en omstreken. Menigeen beweert dat daar alles verwoest is." Het Bataviaasch handelsblad publiceert een nog verontrustender telegram p5: “Serang, 28 Augustus. De asch ligt hier ter hoogte van zeven centimers. Gebouwen onbeschadigd. Anjer, Merak verwoest. Vele lijken zijn aangespoeld. De schade is belangrijk.” Verder wordt gemeld dat de tsunami in Batavia ervoor zorgde dat “zelfs rivierstoombootjes” op de wal werden gesmeten en ook enkele boten zonken.
Op woensdag de 29e kwam meer informatie beschikbaar doordat de Java-Bode onder andere twee regeringstelegrammen kon publiceren. De hoogte van de tsunami wordt inmiddels geschat op 30 meter. De resident van Bantam meldde daarbij: “Het aantal door vloedgolven omgekomen personen in de afdeeling Tjeringin wordt op tien duizend geschat.”

“De ramp die Bantam getroffen heeft is ontzettend groot. De geheele kuststreek van Merak tot Tjeringin door vloedgolven verwoest. Van Anjer en vuurtoren 4e punt bestaat niets meer; ook Telokbetong en vuurtoren Varkenshoek zijn verwoest. Krakatau is ingestort zoodat, waar vroeger top was, nu water staat.
(…) Afdeeling Anjer en groot deel van Noord en West Bantam door aschregen in dorre zand-woestijn herschapen; veevoeder is er niet meer, bevolking voor zoover niet verongelukt verlaat in wanhoop de kust, nzeker waarheen te gaan. Ingenieur Nieuwenhuis (…) arriveerde gisterenmorgen te Merak. Vond daar alles geraseerd; directie-keet op vrij hooge heuvel verdwenen; van alle bewoners slechts één Europeaan en twee inlanders gevonden; vloedgolf tot ver boven dak van genoemde gebouw, dus circa dertig meter hoog. De eenige geredde, de boekhouder Pechler, nog te versuft om veel details te geven; bewoners schijnen allen op heuvels gevlucht. Hij toevallig op hoogeren berg. Vijf Europesche beambten met vrouwen en kinderen vermist; locomotieven en kranen als blikwerk gedeukt en in stukken; geen lijken gevonden. (…) kustlijnen geheel andere vorm gekegen (…) massaas wrakhout op de zee.”

     The Times 8 sept 1883 www.newspaperarchive.com.        Regeeringstelegram, Java Bode 29 aug 1883.

 


His Excellence
Count van Bylandt.  

Ministre pleinpotent de

Sa M. le Roi des Pays Bas

compère de la Cour de St James.

 40 Grosvenor Gardens
[London]

S. W.

Inline afbeelding 1    

19 / 5  86

17  GROVE END ROAD

ST. JOHNS WOOD

N. W.

 

Excellentie,

Eene ware vreugde heeft U ons

bereidt met de vriendelijke

invitatie voor Zondag.

Rubinstein ontmoet men nooit

vaak genoeg en van Uw

gastvrijheid gebruik te maken

zal ons altijd een eer zijn.

Dus tot aanstaande Zondag.

 

Uw dw

devotissimo

LAlmaTadema.

Collectie Van Bylandt, nummer toegang 1.10.90.02, inventarisnummer 186, Nationaal Archief den Haag.

 

BRAHMS

Ein deutsches Requiem

Sir Henry Thompson, een vooraanstaand chirurg, die in 1863 de Belgische koning operatief van nierstenen had verlost, en in 1869 Tadema voor een probleem aan de urinewegen had behandeld, woonde aan Wimpole Street, Marylebone. In zijn ruime atelier vond op 7 juli 1871 *) de eerste – semi-openbare – uitvoering in Engeland van Brahms' Deutsches Requiem plaats, in private sfeer voor een aantal genodigden, door een koor van ca 30 beroepszangers (onder wie solisten van naam) en de pianisten Kate Fanny Loder (= Lady Thompson) en Philip Cipriani Potter. De pianisten speelden uit Brahms' arrangement à quatre mains, die sindsdien onterecht door velen de London Version (Londoner Fassung) genoemd wordt. De 79-jarige Cipriani Potter, leerling van o.m. Thomas Attwood (favoriete leerling van Mozart) en Joseph Wölfl (ook een Mozart-leerling), was een prominente figuur in het Londens muziekleven. Hij heeft de Engelse première van verschillende pianoconcerten van Mozart gespeeld, van Beethoven I, III en IV, en dirigeerde de Engelse première van Mendelssohns pianoconcert no. 1 in g met de componist aan de vleugel. Hij is organist van St. Paul's geweest. Hij -- het houdt niet op -- speelde ook viool en bezat een Stradivarius die naar hem de Cipriani Potter genoemd is. Kort na het Brahmsconcert overleed hij op 26 sept 1871.
   Omdat ook 10 juli als uitvoeringsdatum genoemd wordt zonder bronvermelding volgen onderstaande citaten :

*) Julia Wirth-Stockhausen, dochter van Julius Stockhausen, schreef in de uitgave van de verzamelde brieven van haar vader (Julius Stockhausen. Der Sänger des Deutschen Liedes, 1927) op p. 517 :

Zur Erstaufführung des Requiems von Brahms : vgl. auch über die Erstaufführung in England am 7. 7. 1871 im Hause von Lady Thompson in Florence May's Johannes Brahms (1905; 1925, Vol. 2,  p. 100).

“It was performed on July 7 of the same year (1871) for the first time in England, before an invited audience, at the residence of Sir Henry Thompson. Stockhausen conducted the rehearsals and performance, and sang the baritone solo, Fräulein Anna Regan the soprano solo. The chorus was composed of about thirty good musicians, and the accompaniments were played in their arrangement as a pianoforte duet by Lady Thompson and the veteran musician Cipriani Potter, then in his eightieth year”.  May II p 87.

Philip Cipriani Hambly Potter (3 oct 1792 – 26 sept 1871, hij ondertekende met C. Potter) heeft Beethoven bezocht om diens oordeel over zijn composities te horen. Zijn composities, o.m. 10 symphonieën, nu vergeten, zijn niet in typisch Engelse stijl geschreven maar tonen sterke Duitse beïnvloeding. Tenslotte was zijn moeder een Baumgarten. Hij moet Brahms' muziekidioom goed aangevoeld hebben. De bovengenoemden, Joachim niet te vergeten, hebben de muzikale stijlen en kwaliteiten van het vasteland naar de nogal eigenheimische Britten gebracht. Ze liepen echt een beetje achter, daar in Londen. Een componist van internationaal niveau heeft de 19e eeuw er niet voortgebracht. De instrumentenbouw . . .

Potter's enthusiasm on that occasion extended itself to everyone who was concerned in the performance. The occasion was memorable as introducing a composition of the rarest merit to a first hearing among us ; Mr. Julius Stockhausen, who had carefully trained the singers, conducted the music and the audience were aglow with interest in the work and its rendering (Cipriani Potter, his life and work, Proceedings of the Musical Association X, 41ff.).

Thompson had aspirations as an artist, and Alma-Tadema became his teacher and close friend. When they holidayed together on the doctor's houseboat in 1875, Alma-Tadema painted portraits of Sir Henry and his son, Herbert (later an eminent Egyptologist), on the door panels. Russell Ash.

Michael Struck meint "In Lady Thompsons Exemplar sind fast alle Takte, in denen der Klaviersatz reine A-cappella-Partien des Chores wiedergibt, mit Bleistift durchgestrichen. [...] Allerdings sind die Tilgungen keineswegs konsequent."
     Struck ziet over 't hoofd dat het twee ervaren pianisten betreft, die niet alles behoefden te noteren, omdat ze 1. op de repetities het stuk grondig hadden leren kennen ; 2. een muzikaal geheugen hadden ; en 3. speelden in een tijd waarin improvisatie en handigheid deel uitmaakten van de basisvaardigheden van een goede pianist.
       Michael Struck, Ein deutsches Requiem, »Ich will euch trösten...«, W. Sandberger Hg. Brahms-Institut Lübeck 2012.

Voor wie het nog niet wist : Brahms schreef
1. een tweehandig klavieruittreksel van de orkestpartijen, zoals gebruikelijk, waaruit een pianist koorrepetities kon begeleiden en desnoods een uitvoering zonder orkest spelen -- althans als het een heel goede pianist was ;
2. op verzoek van zijn uitgever Simrock een vierhandige weergave van het gehele werk (koor-, orkest en solistenpartijen), juist zoals bijv. Liszt de symphonieën van Beethoven had gearrangeerd. Uit deze uitgave speelden Loder en Potter hun partijen, waarbij ze hinderlijke verdubbelingen uiteraard weglieten. Stel je voor dat de solosopraan elke noot die ze zingt door de piano hoort meespelen of dat het a capella begin "Selig" door de pianisten meegespeeld wordt ! Wat Struck schrijft is muziekwetenschappelijke onzin, Stockhausen, Loder en Potter waren geen kleuters !


Brahms, Ein Deutsches Requiem Op.45 Arrangement for piano duet, first edition (Leipzig/Winterthur : J. Rieter-Biedermann), Kate Thompson's copy. Poltun-Sternberg Music Collection, Vienna.

Thompson zelf was een veelzijdig geïnteresseerd man, medicus, amateur-astroloog, cellist, schreef twee romans, tekende en schilderde. Sommige van zijn schilderijen werden tentoongesteld in Londen en Parijs. Dat alles verhinderde hem toch niet om als huwelijksvoorwaarde te stellen dat zijn vrouw haar pianistische carrière zou opgeven.  Andere tijden . . .
   Kate Fanny Loder – pianiste die ook componeerde en les gaf – huwde Henry Thompson in 1851 in St Marylebone Church, Westminster. Na het huwelijk zou Kate niet meer in het openbaar optreden, was de afspraak. Maar ze speelde ook orgel, evenals haar moeder, en was sinds 1844 organist in St Peter's Church, Vere Street, Marylebone. Dat mocht ze blijven doen. Jaren later werd haar naam nog genoemd in een artikel in The Musical Times over 'Lady Organists'.
   Het geheel werd gedirigeerd door Thompsons vriend Julius Stockhausen, 22 juli 1826 Parijs – 22 sept 1906. Deze was in Brahms' geboortestad Hamburg dirigent van de Philharmonie geweest, waarin Brahms' vader contrabas speelde. Brahms had Stockhausen graag opgevolgd in Hamurg, maar ja, "Es fürcht' die Beamten das Menschengeschlecht!". Stockhausen was ook een zanger van topklasse. Hij had Mendelssohns Elias in 1848 in Basel gezongen, werkte 1857 bij de Opéra-Comique in Paris, 1862-1867 dirigent Hamburger Philh. Konzerte, Singakademie Hamburg 1862-67 en 1874-1878, Dirigent des Julius Stern’schen Gesangvereins in Berlin, 1878-1880 en 1883-1884 Lehrer Hochschule Frankfurt/Main. Hij gaf een zoon de voornaam Johannes, naar Johannes Brahms, met wie hij bevriend was. Hij was kind aan huis bij de Joachim - Schumann - Brahms groep en wist ook internationaal de weg. Last but not least : de eerste uitvoering in Duitsland, van het toen nog niet complete Deutsches Requiem vond plaats op Goede Vrijdag 10 april 1868 in de Dom van Bremen met Brahms zelf op de bok en Julius Stockhausen als bariton. Bij de Londense première dirigeerde Stockhausen niet alleen, hij zong ook de baritonsolo's ! Anna Regan zong de sopraanaria.
   Op 10 juli zongen Mme Viardot-Garcia en Stockhausen op een party bij Thompson nog twee duetten voor alt en bariton uit op. 28 van Brahms. Daarna reisde Stockhausen meteen naar Duitsland. Hij overleed 26 sept, in zijn huis bij het Hyde Park en is begraven op het Kensal Green cemetary.
Tagebuch von Julius Stockhausen (Autograph) [vorh. auch als Mikrofilm; Sign.: MF 20851]

In Bremen 1868 werd o.a. uit Händels Messiah Ich weiß, daß mein Erlöser lebet gezongen. Ich will euch trösten had Brahms pas in mei - sept voltooid. Op 10 april bevonden zich onder vele anderen Brahms' vader, Clara Schumann en haar dochter Marie, Max Bruch, Adolf Schubring en John Farmer, die veel contact had met Joachim en Brahms en hun concerten bezocht, in het publiek. Thompson kreeg in Londen een kleinere bezetting, al zal de acoustiek mogelijk te wensen hebben overgelaten.

Inline afbeelding 1
London Academy Volume III Tuesday, August 1, 1871, London, Middlesex / www.newspaperarchive.com.

    Die Gesellschaft der Musikfreunde veranstaltet in nächster Wintersaison vier Gesellschaftsconcerte und ein außerordentliches Concert unter Leitung des artistischen Directors Hrn. Johann H e r b e ck, k. k. Hofcapellmeister, und unter Mitwirkung der ausübenden Gesellschaftsmitglieder (Singverein), welche Concerte am 3. November, 1. December 1867, am 8. und 22. März und am 7. April (Chardienstag) 1868 im k. k. großen Redoutensaale stattfinden werden.
[Char = Kar = Klage, Trauer, Wehgeschrei, ook in 'Karwoche' = stille Woche.]
  Erstes Gesellschaftsconcert, Sonntag den 3. November 1867, um halb 1 Uhr Mittags. Programm : B e e t h o v e n, Ouverture in G, op. 115. – M o z a r t, Clavierconcert in D-Moll (mit Orchester), vorgetragen von Hrn. Anton Rubinstein. (Cadenzen von Rubinstein.) – Zwei Volkslieder, vorgetragen vom Singverein. (Neu.) – Claviersolovorträge des Hrn. Anton Rubinstein. – S ch u m a n n, Symphonie in G.
Zur Aufführung in den folgenden Concerten sind unter andern nachstehende größere Tonwerke bestimmt : B a c h Sebastian, aus der „Hohen Messe” in H-moll, Kyrie, Gloria, Sanctus, Agnus. (Zum 1. Male.) – B e e t h o v e n, neunte Symphonie – B r a h m s Johannes, „Ein deutsches Requiem” für Solo, Chor und Orchester. (Manuscript, zum 1. Male.) – Schubert, „Lazarus.” Oratorium. (2. Aufführung.) – S ch u m a n n, „Der Rose Pilgerfahrt” für Solochorstimmen und Orchester. (1. Aufführung mit Orchester.) Das zweite Gesellschaftsconcert findet am 1. December statt.

          Blätter für Musik, Theater und Kunst / Wien, 29. Oktober 1867.

Brahms schreef de sopraanaria pas in de zomer van '68, vandaar "für Solo, Chor und Orchester".

----------

Theater und Kunst.
Wien. Das  z w e i t e  G e s e l l s ch a f t s k o n z e r t , welches am 1. d. M. stattfand, darf in die Reihe der interessantesten Erscheinungen gestellt werden, welche eine musikalische Saison zu bieten vermag. Indem wir hinsichtlich der zur Auff:uhrung gebrachten Werke uns eine nähere Besprechumg noch vorbehalten, müßen wir hier konstatiren, daß die Exekutierung der Stücke sowohl von Seite des Orchesters als auch der Chöre ond Soli (Frln. Magnus und Dr. Panzer) eine vorzügliche war. Das „deutsche Requiem” von Brahms hatte einen entschiedenen Erfolg, würde aber ein zweites Mal, wenigstens in den ersten zwei Sätzen, gewiß mit noch allgemeinerem Beifalle produzirt werden. [...]

      Die Debatte / Wien, 3. Dezember 1867.

----------

[...] Das Gesellschafts-Concert brachte ferner (gleichfalls unter  H e r b e ck' s Direction) ein noch ungedrucktes „D e u t s ch e s  R e q u i e m” von  Joh.  B r a h m s  für Chor und Orchester. Es war nicht die ganze, aus sechs Sätzen bestehende Composition, sondern nur deren erste Hälfte, die aufgeführt wurde. Den Text bilden Bibelstellen, welche die Vergänglichkeit des Erdischen und die Hoffnung auf ein Jenseits aussprechen ; die Composition ist als eine großartige musikalische Todtenfeier mehr noch für die Kirche als den Concertsaal gedacht. Das „Deutsche Requiem” ist ein Werk von ungewöhnlicher Bedeutung und großer Meisterschaft. Es dünkt uns eine der reifsten Früchte, welche aus dem Styl der letzten B e e t h o v e n s ch e n Werke auf dem Felde geistlicher Musik hervorgewachsen. Seit den Todtenmessen und Trauercantaten unserer Classiker hat kaum eine Musik die Schauer des Todes, den Ernst der Vergänglichkeit mit solcher Gewalt dargestellt.
   Over deel 2 schrijft de recensent : Das angefügte B-dur-Allegro erscheint mehr wie ein äußerlicher Anhang, als wie ein organischer Abschluß. Maar deel 2 is tweedelig ! Het grote ABER (DOCH in het Schicksalslied, ABER in de Altrhapsodie) blaast door het plotselinge contrast de eindeloos zich herhalende klacht "denn alles Fleisch, es ist wie Gras" nieuw leven in.
   Het orgelpunt in deel 3 werd een daverende mislukking. Der Componist hat diese in der Partitur imponierende Stelle in ihrer äußeren Wirkung nicht richtig berechnet. Zelfs met een 200 man sterk koor en een royale strijkersbezetting is tegen de luide lage D van c.bassi, 4 hoorns, 3 trombones + tuba, en een forte „in Sextolen schlagenden Pauke” niet op te boksen  – [moet wel slecht gerepeteerd zijn, een flinke tempering, desnoods uitdunning, had het stuk kunnen redden, temeer daar het koper in die tijd minder luid klonk dan tegenwoordig. TK.] Maar het Requiem als geheel werd een succesvolle toekomst voorspeld.

         Neue Freie Presse / Wien, 3. Dezember 1867.

 

          C   H   R   O   N   O       E i n   d e u t s ch e s   R e q u i e m

* Brahms was al jaren bezig met wat hij wel een "humanes" Requiem noemde. Begin 1865 pakte hij de draad weer op en schreef het vierde deel. Ter beoordeling stuurde hij het als klavieruittreksel naar Clara Schumann. Vijf en zes volgden in 1866 terwijl hij aan de eerste drie delen nog schaafde.

* Wien 1 dec 1867 -- Niet het hele (toen nog) zesdelige Requiem werd gebracht, maar de eerste drie delen (Manuscript, zum 1. Male), door de Wiener Singverein voor de Gesellschaft der Musikfreunde in Wien, gedirigeerd door Johannes Herbeck in de Hofburg. De laatste delen moesten wrs nog geïnstrumenteerd worden. Wanneer dat gebeurd was, bestond er één partituur. Dat moesten er meer worden, zodat een paar mensen daaruit orkest- en koorpartijen konden afschrijven. Tijdrovend werk. Brahms was in zijn jeugd een goed pianist maar speelde op latere leeftijd meestal onder zijn niveau omdat hij met al dat geschrijf geen tijd had om te studeren.
* Bremen 10 apr 1868 -- Eerste uitvoering in Duitsland van het nog steeds zesdelige deutsche Requiem met Brahms op de bok en Julius Stockhausen als baritonsolist in de Bremer Dom, op Goede Vrijdag. Aanwezig was o.a. Adolf Schubring. Ín mei 1868 heeft Brahms de aria "Ihr habt nun Traurigkeit" gecomponeerd en als deel V ingevoegd. Brahms zocht nu musici die het hem wilden laten horen, zodat hij de instrumentatie kon beoordelen. *)
In Bremen werden de Contrabassi divisi "durch die 32füssigen Orgeltöne erdrückt", wat ook geen succes was volgens A. Schubring. Toen het stuk al af was, heeft Brahms de instrumentatie d.m.v. contrafagot- en orgelnoten op enkele plaatsen nog kunnen verbeteren (hij was ten slotte nog betrekkelijk onervaren), maar die worden door de dirigenten niet gehonoreerd, omdat ze er geen weet van hebben. In de druk zijn trombones opgenomen, die de fuga in nr 3 Der Gerechten Seelen sind in Gottes Hand, toch een delicaat stuk muziek met hooggestemde jubel (keine Qual rühret sie an), samen met de pauken gewoonlijk grof bederven.
* Zürich 17 sept 1868 -- De aria "Ihr habt nun Traurigkeit" werd voor het eerst gezongen tijdens een besloten uitvoering (private performance) in de Tonhalle te Zürich door Ida Suter-Weber, met het Tonhalle Orchester o.l.v. Friedrich Hegar.
* DESSAU 3 jan 1869 -- Hier heeft de eerste uitvoering van alle zeven delen plaatsgevonden door een dozijn vocalisten onder leiding van Adolf Schubring, die vanaf de vleugel dirigeerde, veel te langzaam volgens Bruch die erbij tegenwoordig was. Het was een huisconcert in Schubrings woning (Kavalierstraße 16). Brahms was er niet van op de hoogte maar vernam het later van zijn vriend Schubring. Deze kreeg in de 60er jaren veel werk, vooral kamermuziek, van Brahms vóórdat het uitgegeven werd toegestuurd en voerde het dan met muziekvrienden in de muziekzaal van zijn huis uit. Verderop meer over de gebroeders Schubring en Dessau.
* LEIPZIG 18 feb 1869 -- De eerste uitvoering met orkest van het volledige zevendelige Requiem zoals wij het kennen vond plaats in het Gewandhaus te Leipzig (na verschillende proefvoorstellingen). Dit was dusna veel trial and error de eigenlijke première, onder leiding van Carl Reinecke, met het Gewandhausorkest en -koor en de solisten Emilie Bellingrath-Wagner en Franz Krüll. De Mendelssohn-leerling Livia Frege** volgde op 5 maart 1869 met een uitvoering met pianobegeleiding tijdens een soirée in Leipzig. In Münster voerde Brahms' goede vriend Julius Otto Grimm het op 18 mrt 1869 uit. In het conservatieve Wenen ging het pas op 5 mrt 1871 onder Brahms zelf.
* London 7 juli 1871 -- De eerste (semi-openbare) uitvoering van Brahms' Deutsches Requiem in Engeland met een koor van c. 30 personen en de pianisten Kate Fanny Loder en Philip Cipriani Potter o.l.v. Julius Stockhausen in het atelier van Sir Henry Thompson te Londen met Anna Regan en Julius Stockhausen als solisten.
* Amsterdam 18 febr 1893 -- In het Concertgebouw klonk het voor het eerst op 18 febr. 1893, onder leiding van Julius Röntgen, met Aaltje Noordewier en Joh. Messchaert als solisten. Tien jaar eerder was het in Dordrecht al gegaan.

       ** Livia Frege, sopraan (1841 première Symphonie Lobgesang), goede vriendin van Mendelssohn, die de zes liederen op. 57, andere liederen en als TK zich goed herinnert Wie die Zeit läuft! voor piano aan haar opdroeg. Max Bruch schreef 25 febr 1869 aan Brahms "U. a. interessiert sich Frau Frege aufs lebhafteste dafür ; sie führt es in acht Tagen mit ihrem Gesangverein, in ihrem Hause, mit Klavier, doppeltem Streichquartett und Orgel auf."
   Frege woonde in Leipzig aan de Georgiring -- ab 1836: Bahnhofstraße 6 (heute Georgiring) -- op plm 8 minuten loopafstand van Mendelssohn's huis. Ze maakte haar zangdebuut in 1832 op 14-jarige leeftijd, in het Gewandhaus, bij een concert van Clara (toen nog) Wieck die op dat moment 12 jaar oud was. Ze raakte naast Mendelssohn zeer bevriend met Clara en Robert Schumann (ze zong Peri in dec 1843 bij de première van Das Paradies und die Peri). Het was bij haar thuis dat Mendelssohn, die haar voor de Elias kwam vragen, zijn fatale hartaanval kreeg.
   Aanvankelijk geen Brahms-fan werd Livia door Clara Schumann (Clara speelde haar vaak Brahms voor) gevoelig voor de schoonheid van Brahms' muziek en liet zich graag door de maestro begeleiden, die "die Freundin Mendelssohn's, als Künstlerin ihres Freundes würdig, als Erscheinung eine Erfrischung für jedes Auge" (Die Grenzboten: Zeitschrift für Politik und Literatur, Vol. 1847-2) op zijn beurt hogelijk gewaarderd zal hebben.


       Brahms in Bremen 1868.
 
*) Es waren in Bremen nach sorgfältigen Vorproben unter der Leitung des Componisten mehrere vollständige Chor- und Orchesterproben möglich, so dass die hiesigen Kunstfreunde Gelegenheit hatten, sich mit dem Requiem vertraut zu machen. Die warmen Farben dieser Schilderung beruhen nicht auf einmaligem Hören, sondern auf dem Eindruck einer genaueren Bekanntschaft. Doch bestätigen hier auch die Laien (und es waren im Dom weit über 2000 Zuhörer anwesend) allseitig den grossartigen Eindruck auf sie. Nicht nur Herrn Brahms können wir von Herzen zu dieser Schöpfung Glück wünschen, welche die Hoffnungen erfüllt, die man einst über ihn aussprach, sondern auch der deutschen Kunst, dass in gleichem Schritt mit der neuen Zeit solche Werke in Deutschland geschaffen werden.
  Das Requiem hatte übrigens nicht nur aus dem benachbarten Hamburg und Oldenburg zahlreiche Gäste herbeigelockt, unter denen man Frau Schumann, Joachim, Grimm, Max Bruch, Dietrich, Dr. Schubring und andere bemerkte. Brahms verdient übrigens auch die volle Anerkennung als ein ausgezeichneter Chor- und Orchesterdirigent.
  Zwischen den beiden Hälften des Requiems erfreute J o a ch i m  durch den Vortrag des Andante aus dem A moll-Concert von S. Bach, sodann durch ein kleines Andante von Tartini und Schumann's Abendlied – alles mit Orgelbegleitung. Nach dem Requiem trugen Herr und Frau Joachim die Arie mit obligater Violine »Erbarme Dich« aus Bach's Matthäuspassion vor, in einer Weise, wie sie nur vom Ehepaar Joachim ausgeführt werden kann. Den Schluss des Concerts bildeten zwei Chöre »Seht das ist Gottes Lamm« und das Hallelujah von Händel, zwischen denen Frau Joachim in höchster Vollendung die Arie »Ich weiss, dass mein Erlöser leb[e]t« sang. Das Requiem selbst dürfte nicht länger als fünfviertel Stunden dauern. Zwar nimmt es die Kräfte des Chors ganz bedeutend in Anspruch, doch wird es von den Sängern als dankbar bezeichnet und ist mit grosser Vorliebe gesungen worden.
© Brahms-Institut an der Musikhochschule Lübeck.   Slot van het artikel van Reintaler in de Leipziger Allgemeine musikalische Zeitung, 6 mei 1868.

Händels aria "Ich weiß, daß mein Erlöser lebet", in Bremen na het Deutsches Requiem gezongen, verwoordt duidelijk de wederopstandingsgedachte, althans de hoop op voortzetting van het leven in een onaardse vorm. Brahms' “Wir werden nicht alle entschlafen, wir werden aber alle verwandelt werden”, "Tod, wo ist dein Stachel? Hölle, wo ist dein Sieg?" en "Die Erlöseten des Herrn werden wiederkommen" was hem om persoonlijke redenen misschien niet genoeg. Maar ik kan me ook voorstellen dat Brahms temidden van al die laag in de kwintencirkel rangerende toonaarden een beetje gallisch werd en snakte naar één stuk met een kruis aan de sleutel, in majeur, voor een hoge sopraan van niet zeer gevorderde leeftijd zonder uitstraling van rampspoed en diepe ontzetting maar veeleer engelachtig, zeg maar angélique. De baspartij was al niet zo opgewekt. Er zijn grenzen als de teneur van het 'humane' Requiem' dat Brahms schreef verzoenend en troostgevend wil zijn. Stoïciteit ('iedereen gaat dood, niet zeuren') past hier niet, de toehoorders zwaarmoedig naar huis laten gaan zonder ze een persoonlijk gericht hart onder de riem te steken is het andere uiterste. Het werd dus "Ihr habt nun Traurigkeit, ABER ......". de ideale tekst voor dit G-dur stuk, het hoogste in de rij toonsoorten die hij gebruikte. Brahms heeft zijn Requiem – in meerdere opzichten – goed gebalanceerd.
   Onderstaande tabel geeft inzicht in de toonaarden die Brahms in het Requiem gebruikte. In kolom 1 staan de majeur-toonaarden, in kolom 2 de mineur-toonaarden, in kolom 3 de kwintencirkel. Drie van de 7 delen staan constant in één toonaard, deel 1, 4 en 5. Ze zijn rood gekleurd. Lange zelfstandige stukken binnen een deel zijn blauw gekleurd, zoals de >150 maten van Herr, du bist würdig in deel 6. De overige toonaarden zijn niet, of kort, of als 'bruggetje' gebruikt. Ze zijn zwart gekleurd. Het begin van deel 6 (de Verwandlung) staat c. 30 maten in 'verzwegen c klein, en c. 35 m. in fis klein ; dan volgen ca 120 m. c klein die ik als overgangspassage met sterke identiteit waardeer, dus als 6b classificeer. In de kwintencirkel is af te lezen hoeveel kruisen of mollen de diverse toonaarden bevatten.
             C = C-dur = C grote terts = C major ; c = c kleine terts = c moll = c minor.

 F♯

 B

 E

 A


 D    3b

 G    deel 4

 C     6c  ———

 F     deel 1 & 7

 B♭ 2b

 E♭ deel 5

 A♭

 D♭

 G♭  2a

 d♯

 g♯

 c♯

 f♯

 b

 e

 a
  ——

 d

 g

 c   6b

 f

 b♭

 e♭

image.png

                                                            —— https://nl.wikipedia.org/wiki/Kwintencirkel ——

Dit is uitzonderlijk. Brahms' symphonieën bijvoorbeeld bestrijken een veel ruimer toonaardenspectrum.

   deel 1  deel 2  deel 3  deel 4
Symphonie   1   C  c   ♭♭♭  E   ♭♭♭  A   ♭♭♭  C     ♮
          ,,             2   D  D   ♯♯  B   ♯♯ ♯♯ ♯  G ♯  D    ♯♯
          ,,             3   F     C     ♮  c   ♭♭♭     
          ,,             4   e  e  ♯  e / E   ♯♯♯♯  C     ♮  e     ♯

De C (c) was de grenslijn tussen leven en dood voor de illuminati onder de componisten. Neem de Krönungsmesse van Mozart. Op het woord ‘mortuorum’ in het Credo zakken de tenoren via f - es - d - c naar H *). Een koortenorpartij heeft als normale omvang c - a'. Een koorpartij komt hoogst zelden onder c. Mozart ‘illustreert mortuorum met een opvallende noot onder de grenslijn, en wel in maat 128, dat is 4 x 32.`Verscheidene tenoren kunnen die lage h niet eens zingen.
        *) In het Duits wordt de noot B met H aangeduid. De toonladder van c luidt daar c d e f g a h c. Ned. Bes = Du. B.

           image.png
Het Kyrie telt 32 maten. Mozart is in de laatste jaren van zijn korte leven door Bach geïnspireerd de harmonische krachten een meer vooraanstaande plaats als constructiefactor te geven, en zich niet zoals Haydn tevreden te stellen met simpele accordiek in grote vormen. Mozart was daar trouwens op eigen initiatief al mee bezig. Maar vooral leerde Mozart contrapuntisch te schrijven en de vrijmetselarij in zijn muziek te betrekken zonder het doodlopende pad van de Kunst der Fuge in te slaan. Bach was op het punt gekomen dat hij bij het in elkaar vlechten van maatgetallen, nootaantallen, jaartallen, contrapuntische circustoeren en gematrie de muzikale component uit het oog verloor.
   In zijn MP hielden muzikale zegging en cryptische constructie elkaar nog in evenwicht, zoals Bach altijd gewend was te werken. In dit verband zij eraan herinnerd dat velen de JP als positiever (en korter) ervaren dan de langere MP die somberder is en geen troost of uitzicht op een hiernamaals biedt. Is dat wel zo ?
   De agressiviteit die in de JP vaak uiting vindt, de schaarse inhoudelijke bezinning, het dobbelstenenkoor, de niet bevredigende vormgeving waarmee Bach zelf duidelijk worstelde, gezien zijn vele bewerkingen en de inlas van een episode uit de MP, ze stoten veel hoorders bewust of onbewust af. De MP staat inhoudelijk dichter bij de luisteraar, het natuurlijke tekstverloop maakt hem het meebeleven gemakkelijker, zoals in nvb 1 te zien is, waar und verschied door Wenn ich einmal soll scheiden gevolgd wordt.
   Laat in elk geval gezegd zijn dat in het voorlaatste koorstuk de Joodse oproerkraaiers Pilatus toeschreeuwden dat Jezus gezegd had Ich will nach dreyen Tagen wieder auferstehen. Datzelfde toonstuk begint in Es en eindigt in D. Wie Es als S en D als Re leest, ziet de opstandingswoorden Resurrectio en Surrexit opdoemen. Met de toonaard D gaat Bach uiterst spaarzaam om. Alleen de koraalbewerking Befiehl du deine Wege staat in D. (RE0
    Bezien we nu het slot van de MP met de ogen waarmee we Mozarts ‘mortuorum’ zagen. De Evangelist deelt het sterven van Christus mee met de woorden und verschied. ”Und”’ (voegwoord, nog niets aan de hand) d — ”ver-’” de grens, er gaat iets veranderen ; c — ”schied”’: met h a schrijdt Bach het rijk des doods, de Hades, in. Maar dan ? De gedachte aan de wederopstanding "houdt de boel bijelkaar" na dit stervensmoment, tot in het slotaccoord. Want de vier fluiten keren in de slotmaat van h unisono terug naar c, naar het leven, De schrede h c is in praktisch alle uitvoeringen onhoorbaar,* maar zou dat wel moeten zijn, omdat over het lange gedeelte tussen ‘und verschied’ en ‘sanfte Ruh’ een spanningsboog ligt, waarvan Mache dich, mein Herze, rein het middel- en hoogtepunt is, een spanning, die de laatste 20-25 minuten van de MP draagt. De gedachte aan – de hoop op – een vorm van wederopstanding is niet alleen in Brahms' Requiem aanwezig.
   Hierbij mag niet vergeten worden dat h en a de eerste letters van het rijk van Hades, de onderwereld, zijn, en dat Charon (c h a) de passagiers over de Styx naar Hades vaart.
       *De dirigenten weten geen raad met de dissonant en laat de hobo's de fluiten wegdrukken ; tot overmaat van ramp spelen meestal twee fagotten mee, hoewel ze niet in Bachs partituren staan en er zich in Bachs orkestmateriaal geen fagotpartijen bevinden. Voor de goede orde : ik heb praktisch alles wat er aan MP-materiaal bestaat in huis, in fotocopie, ook Mendelssohns materiaal voor de uitvoeringen van 1829 en 1841. Geen fagotten.

——— Nvb. 1————————————————f—— Nvb. 2

           d    c    h    a
           
M

   Wenn ich einmal soll scheiden,
   so scheide nicht von mir,
   Wenn ich den Tod soll leiden,
   so tritt du dann herfür.

     h    c
   


                 ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆

 

                         V e r b o t e n e    F o r t s ch r e i t u n g e n               

Brahms kende de regels die aankomende componisten in acht moesten nemen, wilden ze een conservatoriumdiploma halen, net zo goed als Mendelssohn. Deze laatste week er vrijwel nooit vanaf (als jodenkind moest hij in alle omstandigheden voorzichtig zijn, was hem ingeprent), maar Brahms vond dat de schoolregels nodig aan een kritische bespreking toe waren. Hij analyseerde en rubriceerde de parallellen die hij tegenkwam. Hij heeft een groot aantal parallelle octaven en quinten verzameld en van commentaar voorzien, te veel voor een artikel, te weinig voor een boek. Zou hij het ooit als studie of essay willen uitgeven ? Al die notenvoorbeelden nemen veel ruimte in beslag.
   Brahms als schrijver ? Het is niet ondenkbaar. “Sein Zimmer in Düsseldorf war vollgepfropft mit musikalischer und schönwissenschaftlicher Literatur, und seine Bekannten benutzten diesen antiquarischen Schatz als Leihbibliothek. Ein Verzeichnis von Personen und Werken, die jene von ihm borgten, ist noch vorhanden. So liberal er im Verleihen von Büchern war, so genau hielt er auf Ordnung und Pünktlichkeit, und er konnte sehr ungemütlich werden, wenn ihm etwas nicht rechtzeitig wiedergegeben wurde. Was er zurückerhielt, durchstrich er sofort auf seiner Liste. Professor Otto Jahn entlieh im April 1856 von ihm Originalausgaben von Reinhard Keiser, dem alten Hamburger Opernkomponisten, Friedemann, Philipp Emanuel und Sebastian Bach. Die Remittenda sind noch offen, und es ist nicht unwahrscheinlich, daß Brahms deswegen mit dem berühmten Gelehrten nach kaum erfolgter Annäherung nun seinerseits wieder gründlich auseinander kam. Von Ankäufen der damaligen Zeit notierte er Grimms Deutsche Sagen, Simrocks Heldenbuch, Gudrun und Nibelungen, Herders und Lichtenbergs sämtliche Werke, Herodot, Cervantes u.a.” (Kalbeck 1-II-7).
   In 1933 publiceerde Heinrich Schenker een facsimile van Brahms' Octaven u. Quinten u. A. gevolgd door een Erläuterung. Een nieuwe uitgave verscheen in 1980 -- helaas in het Engels -- in The Music Forum Vol. 5, ed. by F. Salzer (1980), als eerste (196 pp) van vijf andere, kortere artikelen.

Die Frage der offenen Oktaven und Quinten, namentlich der Quinten, wurde in der sogenannten Musik-Theorie seit jeher fast als die Hauptfrage der Stimmführungslehre behandelt, gewiß aber zu Unrecht, wenn man bedenkt, daß die Musik (wie ich in meinen Werken zeige) noch mehr und schwierigere Rätsel aufgibt. Jedenfalls deckt die Art, wie die Theorie mit der Quinten-Frage umgegangen ist am deutlichsten ihren Fehler auf, sich auch dort an den Schein zu halten, sozusagen mit den Augen zu hören, wo nur mit künstlerischem Ohr zu hören geboten ist. An den Leistungen der allgemein gangbaren Theorie gemessen, stellt nun die Studie von Brahms einen bedeutenden grundsätzlichen Fortschritt dar, die Neuerung, wirklich mit den Ohren eines Künstlers zu hören, den Schein durch hintergründige Wahrheit zu berichtigen.

     Uit de Erläuterung van Schenker 1933.     Via deze link is O.u.Q.u.A. in te zien.

De open octaven en quinten – Brahms vergat de primen in de titel ! , hij schreef A[nderes] – boeiden hem. Hij paste in zijn eigen composities 'verboden schreden' toe (ook primen). Tegen het eind van zijn leven heeft Brahms veel weggegooid, maar deze verzameling O.u.Q.u.A. niet. Misschien wilde hij er ooit nog eens een boekje over schrijven. Terecht heeft Heinrich Schenker alle notities in 1933 tot een boekje gebundeld. In zijn symphonieën en grote koorwerken hield Brahms zich in, maar in de Liebesliederwalzer zondigde hij met merkbaar plezier tegen de theoriecanon. Naast de artistieke zat er ook een didactische kant aan : Brahms toonde aan dat de geldende schoolregels star waren en de kunst in de weg stonden. Om maar één punt te noemen : een 'foute' stemvoering kan als muzikale illustratie dienen bij begrippen als Schade, Schande, Sünde, Leiden etc. maar ook als teken van uitgelaten blijdschap, en "verenigd in liefde" niet te vergeten..
   Brahms onderscheidt “1. Richtig, gut. 2. Schön, ausdrucksvoll. 3. Beides zugleich. 4. Flüchtigkeit. 5. Schlecht, falsch. 6. Zweifelhaft.” En nog wat gevallen in het grijze gebied bijv. “zur Bequemlichkeit der Spieler”. En “Wann und wo man eigentlich schlechte Fortschreitungen findet, ist gewöhnlich alles Andere gleichfalls so schlecht daß der eine Fehler nicht in Betracht kommt.”
   Lorenz Mizler schrijft in de Musikalische Bibliothek, Bd IV (1754) op p. 118-119 :

Endlich ist noch ein merkwürdiges Exempel anzuführen woraus zu sehen und zu hören, daß man nicht alles gleich tadeln müsse, wenn es wider die Regel zuseyn scheinet, oder vielmehr eine Ausnahme derselben ist. Mancher großer Componist sezt öfters was mit allen Fleiß, und schwingt sich über gewisse Regeln die an und für sich richtig sind. Zum Beispiel, wenn iemand nach Beschaffenheit der Umstände auf einander folgende Quinten mit Fleiß setzet, wie Fig. 14. Tab. III. so wird die Natur hiebey nicht leiden, wohl aber wird sie leiden, wenn man Rückungen machen wollte, um den Quintensatz zu vermeiden, oder die Mittelstimme folgender massen verändern, wie Fig. 15. Tab. III.
   Georg Heinrich Bümler (1669-1745). Als Mizler seine Correspondierende Societät der musicalischen Wissenschaften gründete, wählte er seinen alten Ansbacher Weggefährten Bümler neben Giacomo de Lucchesini als Gründungsmitglieder.
In Juni 1747 trad Bach als 14e lid tot deze Societät toe.

   In Ansbach traf Bümler 1723 mit Sigmund Weißmüller zuzammen. Beide waren sehr an pythaoräischen Fragestellungen interessiert. Bümler hatte unmittelbar vorher eine neun Monate dauernde Studienreise nach Italien unternommen. Mizler berichtet, Bümler habe hier die "Welsche Methode" studiert, mit der vermutlich die im Universal-Lexikon beschriebene Welsche Praktik gemeint ist, die sich auf die Lehre von den Proportionen und Rationen gründet.

         

Lorenz Mizler (1711-1778), in 1731 door de rector van de Thomasschule Gesner naar Leipzig gehaald, ging daar bij Bach muziekles (instr. en theorie) volgen en aan de univ. theologie studeren. Hij promoveerde in 1736. De veelzijdige geleerde en drukke auteur doceerde 'Musikgeschichte, Mathematik und Philosophie’ aan de univ. Bach was voor hem een “guter Freund und Förderer”.
   Nevenstaande quintengangen heeft hij ongetwijfeld aan Bach voorgelegd, als die ze al niet voor hem geschreven had.

Fig. 14 laat openlijk quintengangen zien, fig. 15 dezelfde passage, waarin de quinten weggewerkt zijn. Mizler zegt daarvan : "... daß man nicht alles gleich tadeln müsse, wenn es wider die Regel zu seyn scheinet, oder vielmehr eine Ausnahme derselben ist. Mancher großer Componist setzt öfters was mit allen Fleiß, und schwingt sich über gewisse Regeln, die an und für sich richtig sind. Zum Beispiell, wenn iemand nach Beschaffenheit der Umstände auf einande folgende Quinten mit Fleiß setzet, wie Fig. 14, Tab. III, so wird die Natur diesen nicht leiden, wohl aber wird sie leiden, wenn man Rückungen machen wollte, um den Quintensatz zu vermeiden, oder die Mittelstimme folgender massen verändern, wie Fig. 15, Tab. III.
Bepaalde passages in de mm. 282-312 van deel 6 van Brahms' Deutsches Requiem lijken tegen fig. 14 aan te schuren.
   Onder 'Mathematik' vallen niet alleen de vele stemmingen zoals de 'gleichschwebende Temperatur', die in Mizlers Bibl. III behandeld worden, maar ook de bouw van muziekstukken. “Wenn eine musikalische Composition gefallen soll, auch denen so keine Musik verstehen, so muß es eben die Eigenschaften haben, die ein schönes Gebäude hat, so iedermann [...] gefällt”. De ontdekking van kenmerken en regels in symmetrie en geometrie wordt besproken. “So ist es mit der Buchstaben Rechenkunst, der Naturlehre, der Astronomie etc gegangen, und wir haben in unsern Zeiten bey der Electricität ein noch ganz warmes Beyspiel” (Mizler IV pp. 178-179).
Uit bekende meesterwerken worden nu zeven nvb. getoond, die m.u.v. Mozart niet uit Brahms' verzameling afkomstig zijn. Ze dateren uit de 19e en begin 20e eeuw, niet uit de oer-duitse muziektaal.

◆ In maat 22 van Brahms' Deutsches Requiem deel 1 staat een parallelle quint tussen alt en tenor in een hoogst zeldzaam voorkomende constellatie, die ook ng eens prachtig klinkt. De quint staat onder het woord Leid. Het verdekt parallel octaaf dat Brahms zich tegelijkertijd tussen T en B permitteert, verhoogt de waarde van dit kunststuk voor verzamelaars.

  

————————

◆ In deel 6 van Brahms' Deutsches Requiem komen vijf parallelle primen voor in de mm. 285-286 en 311-312.

                           

————————

◆ Mozart, Jupiter Symphonie deel 4. Begin van het tweede thema. Mm 74-76

 

Mozart maskeert deze 'brutale' kwinten voor het oog door de tweede noot van alt, cello en cb een octaaf hoger te plaatsen. Hij opent het laatste thema van zijn laatste symphonie met iets dat ik alleen vergelijken kan met een van die geniale zetten van de schaker Bobby Fischer, die niemand in de verste verte zag aankomen.

————————

 Mendelssohn, koraal nr 3 uit het oratorium Paulus, tweede versregel, maat 8. De parallelle quint is vrij onschuldig. Ze wordt veroorzaakt door een zgn doorgaande noot in de bas. Maar ze is hoorbaar (in een crescendo !), en illustreert meer voor het oor dan voor het oog het woord Schade. Dat het Mendelssohn daarom ging blijkt 1° uit het feit dat hij vier maten terug onder dezelfde melodie onder het woord Gnade geen 'foute' baslijn schreef, en 2° uit het feit dat de gewraakte noot gewoon weggelaten kan worden. Mendelssohn met zijn volmaakte stemvoering kan die foute noot alleen met opzet ingebracht hebben. Het zal duidelijk zijn dat daarom de vertaling – als zo dikwijls, en ook om andere redenen – niet onder de muziek past.

  

Allein Gott in der Höh sei Ehr und Dank für seine Gnade ;
Darum daß nun und nimmermehr uns rühren kann kein Schade.

—————————

 Tschaikovsky, Fantasie-ouverture Romeo en Julia.

  

Tschaikovski verplaatste Shakespeares drama van Romeo Montague and Juliet Capulet naar Rusland. In het nvb ligt de melodie van Julia boven. Daaronder uit haar minnaar smachtende Seufzer, in eerste instantie gespeeld door de hoorn. In maat 208 laat Julia blijken dat Romeo's aanhouden haar niet geheel onberoerd laat. Ze staat hem in maat 208 een parallelle prime toe, waarvan ieder natuurlijk het zijne mag denken.

—————————

 Liszt maakt in zijn Liebestraum, mm. 20-22, met een dalende quint tussen de buitenstemmen het begrip Liebessehnsucht invoelbaar. De middenstem is erbij betrokken : in feite vinden we hier een parallel dalende drieklank ! Liszt valt voor zijn gedroomde liefde. De herhaling versterkt de expressiviteit :

 

Liszt werd in 1843 geïnspireerd door een gedicht van Ferdinand Freiligrath (1810-1876), een van de voorvechters van de literaire beweging Junges Deutschland, die in de revolutie van 1848 uitmondde. Freiligrath volgde een handelsopleiding, woonde 1831-1836 als handelscorrespondent in Amsterdam, ontmoette Gottfried Keller, satirisch en maatschappijkritisch auteur, werkte samen met Karl Marx, week wegens zijn politieke opvattingen uit naar Zwitserland, België en tweemaal naar Londen, kortom, leidde een boeiend leven. Schreef in 1829 als negentienjarige het gedicht Der Liebe Dauer :

O lieb', solang du lieben kannst! / O lieb', solang du lieben magst!
Die Stunde kommt, die Stunde kommt, / Wo du an Gräbern stehst und klagst!

Und sorge, daß dein Herze glüht / Und Liebe hegt und Liebe trägt,
Solang ihm noch ein ander Herz / In Liebe warm entgegenschlägt![...

volgen nog acht coupletten]

Liszt was niet alleen een pianos-temmer die bij een recital na elk stuk een piano-stemmer nodig had.

—————————

 Rachmaninoff, 2e pianoconcert, laatste deel, tweede thema.

  

Dit is een octaafparallel, heroïsch van karakter, waarmee de melodie de bas a.h.w. meesleept naar haar hoogtepunt.

Vermeld zij dat Brahms ook een paar voorbeelden geeft uit Bizet's opera Carmen, die hij waardeert met "sehr gut!".

Max Graf (1 oct 1873 -24 juni 1958) beschrijft in zijn Legend of a Musical City (1945) dat hij via zijn moeder, die een vriendin was van Celestine Truxa, op bezoek mocht komen bij de grote Brahms om hem enkele composities voor te leggen. Dat moet na 1891 zijn geweest, Graf studeerde in Wenen. Gezien de optekening zo lang na de werkelijke gebeurtenissen, kan het Graf niet kwalijk genomen worden dat er in zijn boek hier en daar foutjes geslopen zijn in de beschrijving en dateringen.
   Tot Graf's verbazing legde Brahms twee vingers over de middelste balken van een 4-st. stuk en bekeek alleen de melodie en de baslijn met de toelichting dat wanneer deze goed geschreven zijn, de middenstemmen ook wel min of meer in orde zouden zijn. Brahms gaf hem de raad tenminste twee jaar lang contrapunt te gaan studeren. Graf vroeg Brahms of hij een leraar kon aanbevelen. "Op het platteland zijn nog wel een paar oude organisten te vinden die grondig les in contrapunt gehad hebben", antwoordde Brahms nors. Dit advies nam Graf ter harte. Hij ging op zoek en vond een 'oude organist' die sinds 1868 niet langer een plattelandsorganist was, namelijk Anton Bruckner. Brahms en Bruckner konden elkaars werk niet waarderen, elkaars vakmanschap wel.

                          ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆   ◆


                         D e   S c h u b r i n g s   i n   D e s s a u

In oudere literatuur wordt de eerste uitvoering van alle zeven delen rond Kerstmis 1868 geplaatst, recentelijk werd de precieze datum ontdekt : 3 jan 1869, "eine Weltpremiere im privaten Rahmen" -- in Dessau, halverwege Leipzig en Potsdam, onder leiding van Adolf Schubring, een halfbroer (niet de vader, zoals her en der - Wikipedia - te lezen is) van Julius Schubring, die samen met Mendelssohn de libretti voor diens oratoria Paulus en Elias opgezet en voltooid had. Adolf Schubring had het Requiem met twaalf vocalisten ingestudeerd. Hij schreef onder de schuilnaam DAS (Dr. A. Schubring) een uitstekende beschouwing over het werk in de nrs 2 en 3 (wo 13 en 20 jan) van jg 1869 van het weekblad Die Allgemeine musikalische Zeitung, waarvan hij correspondent was.

Het Brahms-Museum Hamburg beantwoordde mijn vraag naar de juistheid van de datum 3 jan 1868 als volgt : »Die für uns „autoritative“ Quelle zu Ihrer Frage ist der Aufsatz von Dr. Michael Struck (Wissenschaftlicher Mitarbeiter der Forschungsstelle „Johannes-Brahms Gesamtausgabe“ am Musikwissenschaftlichen Institut der Christian-Albrechts-Universität zu Kiel) mit dem Titel: „Requiem in wechselnden Gestalten – Werk-, Gebrauchs-, Phantom- und Aufführungsfassungen“, erschienen im Ausstellungskatalog „Ich will Euch trösten…“ .«
   »In „Johannes Brahms – Ein deutsches Requiem, hrsg. von Prof. Dr. Wolfgang Sandberger, Brahms-Institut Lübeck (2012), findet S. 27ff die Privataufführung am 3. Januar 1869 in Dessau Erwähnung und wird durch eine unveröffentlichte Briefquelle belegt.«
   Het betreft de brief van Schubring aan Brahms van 9 febr. 1869 (D-Hs, Brahms-Archiv, BRA:Bi1:14). Deze brief werd eerder genoemd in Theodor Müller-Reuter, Lexikon der deutschen Konzertliteratur, Nachtrag zu Band I, Leipzig 1921.

Julius Schubring (Dessau 2 juni 1806 - †Dessau 14 dec 1889, 12 nov 1843 ✕ Anna geb. Nagel), Studium in Leipzig und Berlin, 1828-1830 Hauslehrer bei Friedrich Schleiermacher, 1837 Pfarrer an der Johanniskirche in Dessau und ab 1870 auch deren Konsistorialrat. Verfaßte für Mendelssohn das Libretto zum Paulus und gab Rat und Hilfe bei der Textwahl für Elias. Brahms heeft hem om een operalibretto gevraagd maar dat had Schubring niet op de plank liggen. Een oratoriumtekst over Bonifatius kon hij aanbieden, maar die viel als te weinig dramatisch bij Brahms niet in de smaak. De componist had zijn tanden wel in een Petrus willen zetten, maar het is er niet van gekomen. – Julius Schubring en Eduard Devrient slaagden erin de 20jarige Mendelssohn over te halen Bachs Matthäuspassion uit te voeren. Julius Schubring was gehuwd met Anna Schubring geb. Valentin.
   Ouders : Johann Friedrich Schubring (1771-1823) en Sophie Agnes Schubring geb. De Marèes (1775-1814).

Adolf Schubring (3 März 1817 Dessau - 4 März 1893 ebd., Halbbruder von Julius, X Luise Lange) war beruflich als Dr. jur. (in der Rechtswissenschaft) in Dessau tätig, Richter, zuzüglich Musiker, Musikschriftsteller. Spielte Klavier und dirigierte. Polyglott. Veröffentlichte ab 1861 die Reihe Schumanniana in NZfM und AMZ; Herausgeber von Werken Schumanns. Bevriend met Brahms die hem dikwijls een manuscript ter inzage stuurde (bijv. het 1e pianoconcert). Schubring kreeg waarschijnlijk van Brahms zelf een klavieruittrekstel van het Requiem en bovendien een dito van de toegevoegde sopraanaria. Zoon Richard Schubring schrijft : Von Simrock, dem Hauptverleger der Brahmschen Werke, gingen uns öfters die ersten Druckabzüge ins Haus, und mein Vater, der immer heißhungrig über jedes neue Opus herfiel, nahm Brahms die Mühe des Korrekturenlesens gern ab. Ein Brief des Freundes war für ihn das höchste Fest, und wenn er irgend konnte, folgte er seinen Einladungen zu halbwegs erreichbaren Erstaufführungen.
   Vanaf 1889 staat het echtpaar Schubring op de Albrechtsplatz in het adresboek. De kinderen waren uitgevlogen en de Schubrings zijn kleiner gaan wonen, een groot familiehuis annex concertzaaltje in de drukke Kavalierstraße hadden ze niet meer nodig. De leeftijd zal ook een woordje meegesproken hebben.
   Ouders : Johann Friedrich Schubring (1771-1823) en Hedwig Henriette Wilhelmine Schubring geb. Richter (1791-1839).
Over Adolf Schubring zie ook Peter Clive, Brahms and His World: A Biographical Dictionary (2006).

Richard Schubring, oudste zoon van Adolf, schrijft in de Inleiding van Johannes Brahms, Briefe an Joseph Viktor Widmann, Ellen und Ferdinand Vetter, Adolf Schubring. Herausgegeben von Max Kalbeck 1915. (Briefwechsel Bd 8) :

[...]  "Wie strahlte mein Vater," schreibt Richard Schubring, der obenerwähnte Älteste Adolfs, der als Student die Jurisprudenz mit der Malerei vertauschte, "wie strahlte mein Vater, wenn ein neues Opus von Brahms bei ihm anlangte. Mochten es Lieder, Quartette, Klavierstücke oder Chorwerke sein, vom ersten Tage ab wurde daran studiert. Die Dessauer Kapellisten stellten sich gern zur Verfügung, und einige sangeskundige Herren und Damen wirkten mit. Unser Familien haus, dessen Parterre wir bewohnten, hatte nach vorn heraus drei ziemlich bedeutende Räume ; im mittleren stand der Flügel, an welchem der Vater saß und dirigierte, die zwei äußeren dienten den Gästen als Auditorium. Meine Mutter Luise, geborene Lange, obgleich selbst nicht musikalisch, tat alles, was sie ihrem Mann an den Augen ablesen konnte, und wurde von allen verehrt. Mir lag gewöhnlich das Geschäft ob, die Einladungen zu bestellen, und ich durfte auch einen und den anderen meiner Lehrer dazu bitten. Als die ,Liebeslieder‘ erschienen, spielte ich die zweite Stimme der vierhändigen Klavierbegleitung. Den Höhepunkt aller musikalischen Ereignisse unseres Hauses bildete das Deutsche Requiem, das einige Wochen nach der ersten Aufführung in Bremen recht brav gesungen wurde. 1) Es waren wohl hundert Einladungen dazu ergangen, und der Erfolg war so groß, daß Hofkapellmeister Thiele das Werk bald danach ebenfalls in der Johanniskirche zu Gehör brachte. Das Requiem wurde dann, soviel ich mich erinnere, immer abwechselnd mit der Matthäuspassion am Karfreitag aufgeführt.
               Voetnoot
   1) Bei seiner Besprechung des Werkes, von welchen noch weiter unten die Rede sein wird, beruft sich Schubring, um nachzuweisen, "daß die Schwierigkeiten der Einsätze, des häufigen dynamischen Wechsels und Querstände" verhältnismäßig leicht zu überwinden seien, auf die Dessauer Privataufführung. Sie habe am Klavier stattgefunden mit einem Diminutivchor von sechs Damen und sechs Herren, und das Einstudieren habe nur fünf Proben von anderthalbstundiger Dauer erfordert.
-----------
Brahms kam zum ersten Male nach Dessau als Pathe meines Bruders Johannes Max zur Taufe, die am 24. Januar 1856 stattfand. Ein zweiter Besuch erfolgte etwa ein Lustrum später im Sommer. Der Brief, der seine Ankunft meldete, hatte sich verspätet, so daß er uns überraschte. Am folgenden Tage wurde mit des Herzogs Erlaubnis im Konzertsaale des Theaters von Brahms eine musikalische Matinee gegeben, bei freiem Eintritt, vor einem kleinen, rasch zusammengetrommelten Publikum. Irre ich nicht, so spielte er den etwa dreißig Zuhörern seine Sonaten und das es-moll-Scherzo vor, ohne tieferen Eindruck auf sie zu machen 2).
   Als er später im Vereine mit Stockhausen wieder konzertieren wollte, abermals auf das Honorar verzichtete und nur hundert Taler als Garantie für den Sänger beanspruchte, erhielt mein Vater von Normann, dem damaligen Intendanten, den Bescheid, auf Stockhausen wäre kein Verlaß, er sei von vier Malen dreimal heiser, und Brahms wäre unbekannt, so daß die Kosten nicht hereingebracht würden. Nach der Aufführung des Deutschen Requiems in der Johanniskirche sprach sich Herzog Friedrich voller Bewunderung über das Werk zu meinem Vater aus und sagte, er begriffe nicht, daß ein so großer Meister ihm als unbedeutend und manieriert habe geschildert werden können. Wahrscheinlich waren, wie das Konzert, so auch der Plan, Brahms als Kapellmeister nach Dessau zu berufen, an diesen Einflüsterungen gescheitert.
               Voetnoot.
   2) Fräulein Bürkner in Dessau, eine Cousine Adolf Schubrings, erinnert sich, daß Brahms damals, im Sommer 1862 – er war auf der Reise nach Wien – mit den Geigern der Hofkapelle, den Konzertmeistern Bartels und Hankel, Trio und Quartett aus dem Manuskript vom Blatt gespielt habe, wahrscheinlich das H dur-Trio und das g moll-Quartett. Trotz der kühlen Aufnahme sei er gut ausgelegt gewesen und habe sein sechsjähriges Patchen durch den ganzen Georgengarten Huckepack getragen.
_________

Brahms wurde Patenonkel von Johannes Schubring, dem [zweiten] Sohn seines Freundes Adolf. Zweimal war Brahms nachweislich in Dessau, spielte ein Konzert am Theater und spazierte Huckepack mit seinem Patenkind durch den Georgengarten. [...] Sein größtes Werk „Ein deutsches Requiem“ in der Fassung mit dem eingefügten fünften Satz, [...] feierte am 3. Januar 1869 in der Dessauer Kavalierstraße 16 eine Weltpremiere im privaten Rahmen, bevor es am 18. Februar 1869 im Leipziger Gewandhaus zur öffentlichen Uraufführung kam. Reinhard Mezler in een voordracht, weergegeven in de woorden van verslaggever Danny Gitter in de Mitteldeutsche Zeitung / Dessau -- Rosslau 23. November 2015.

“Although an earlier performance of all seven movements took place in Dessau, under Adolf Schubring, it was a domestic affair with twelve singers and piano and has been well kept secret all these years” Klaus Blum, Hundert Jahre Ein deutsches Requiem (1971). English translation by Geoffrey Payzant.
   "Although" ....? Hoezough, zou ik willen vragen. Ze hebben het toch maar voorelkaar gekregen. De zangpartijen uitgeschreven, vijf repetities van anderhalf uur gehouden. Brahms hoorde er pas enige tijd later van. Blum is er niet in geslaagd de datum van deze wereldpremière - pardon, dit huisconcertje - te achterhalen. En een "well kept secret" was het zeker niet, zie Schubrings artikel over her Requiem in de Musikalische Zeitung van jan. 1869. Het is alleen aan de aandacht van de schrijvende meute ontsnapt.

Ga voor recente informatie over Brahms via deze link naar de site van het Brahms-Institut in Lübeck.


Amalie Weiß *Marburg an der Drau [nu Maribor, Slovenië], 10 mei 1839 Berlijn, †3 feb 1899. Foto ca. 1870.
Porträtfotografie von Ernst Milster, Berlin, Sammlung Joachim Draheim, Karlsruhe.
   

Amalie Joachim-Weiß (geb. Schneeweiß) zong de sopraanaria Ich weiß daß mein Erlöser lebet. Is dat geen vergissing, ze was toch een alt ? Werd de aria getransponeerd, dan moest de vioolpartij op een altviool gespeeld worden. Inderdaad speelde Joachim vaak altviool en componeerde ook voor het instrument. Maar ofschoon Amalie meestal alt of mezzosopraan genoemd wordt, was haar stem tot meer in staat.
  Voor de hand lag dat zij uit de Messiah Er ward verachtet ('He was despised'), de altaria die op Seht das ist Gottes Lamm volgt, zou zingen, maar de tekst was een struikelblok. Aan de uitvoering was namelijk voorafgegaan een discussie met het kerkbestuur, dat het ontbreken van Christus’ kruisdood in Brahms' seculiere ‘Kirchenmusik’ onaanvaardbaar achtte. Daarom moest bij de uitvoering op Goede Vrijdag, twee dagen voor Pasen 1868, de sopraanaria "Ich weiß, daß mein Erlöser lebet" op het programma prijken, anders zou de Bremer Dom niet ter beschikking gesteld worden.
   Er diende dus op korte termijn een sopraan gezocht te worden, maar dat was geen probleem. Amalie Joachim-Weiß had een bijzondere altstem, die als soprano sfogato getypeerd kan worden. Amalie heeft de Fidelio van Beethoven gezongen! (13 dec 1862 Abscheulicher, 30 mei 1863 de hele opera). Haar stem zal overeenkomst getoond hebben met die van Pauline Viardot-Garcia (*Parijs 18 juli 1821; † Berlijn 18 mei 1910), qua timbre (donkere alt), grote expressie, kracht, en omvang (Viardot 3½ octaaf, c-f³). In 1870 vroeg Brahms Viardot voor de première van zijn Altrhapsodie (3 mrt 1870, Jena). Het stuk kreeg in de jaren daarop steeds meer bekendheid door de vertolkingen van de jongere Amalie Joachim.


Amalie werd in 1862 als "alt-sopraan" aan de opera in Hannover verbonden. Daar ontmoette ze de violist Joseph Joachim bij Julius Stockhausen thuis. Ze trouwden 10 juni (niet 10 mei) 1863. Joachim bracht een eigenaardige huwelijksvoorwaarde mee : Amalie mocht geen opera meer zingen. Ze legde zich dus toe op het liedrepertoire. Amalie scheidde van haar jaloerse echtgenoot in 1884. Only in 2005 did the first biography about the Joachim couple appear within the framework of the interpretative-historical study by Beatrix Borchard entitled "Stimme und Geige" = ”Voice and Violin” (Vienna 2005).

   Brahms schreef zijn Zwei Gesänge für eine Altstimme mit Bratsche und Klavier op. 91 voor Amalie en haar man, die ze samen konden uitvoeren. Daarmee hoopte hij iets bij te dragen aan de instandhouding van het huwelijk. Niet voor niets was Brahms de peetvader van de eerstgeborene van de Joachims (12 sep 1864), die Johannes werd genoemd.*) Het eerste lied is Gestillte Sehnsucht (1884), het tweede Geistliches Wiegenlied (1863). Deze stukken zijn voor Amalies lagere register geschreven, omvang a-e². Naarmate ze ouder werd verloor ze aan hoogte en wijdde zich als altmezzo meer aan oratoria, de liedkunst en zangonderricht. De op één na mooiste compositie van Max Bruch, de aria Penelope, ein Gewand wirkend uit Odysseus (1872) is voor haar geschreven.

     *) "Pridie idus Sept. a.h.s. LXIV Johannes Georg Hermann Julius Joachim Hannoveranus natus sum patre Josepho matre Amalia e gente Schneeweiss". schrijft Johannes Joachim in Zur altdeutschen Genesis. Ein Beitrag zu einer Poetik der frühmittelhochdeutschen Dichtung. Diss. Berlin 1893.
  
De Doctorwürde bekwam Johannes op 14 juni 1893. In zijn  V i t a  dankt de 28-jarige geleerde de 18 leraren en de drie onderwijsinstituten die hem zover gebracht hebben. Bij wijze van spreken ontbreken alleen zijn kleuterjuf en zijn peetvader Brahms. Het proefschrift is kort (31 pag. + 1 pag. Thesen) en graaft niet diep. Het biedt geen duidelijke beschrijving van het onderwerp (het zuidrijnfrankisch dialect van het zgn Evangelienbuch, een episch gedicht van 7104 langverzen in stafrijm, eind 9e eeuw) en zijn schrijver (Otfrid) ; dat heb ik op Wikipedia opgezocht. Conclusies ontbreken. Kenmerkende zin : “Eine solche Vergleichung wäre interessant und könnte auch wohl für die Verfasserfrage noch einiges ergeben.” Een proefschrift is er nu juist om zo'n vergelijking te maken.
   Andere schrifturen van Joh. Joachim († c. 1949) zijn mij niet bekend. Ook is het een open vraag of Brahms zijn petekind - hij had er overigens meerdere - met zijn promotie gefeliciteerd heeft.

De altviool zet in Geistliches Wiegenlied in met een melodie waarvan Max Reger later het begin heeft gebruikt in Maria sitzt am Rosenhag und wiegt ihr Jesuskind, een onverminderd populaire kerstzang voor een solostem. Brahms heeft de woorden “Josef, lieber Josef mein, hilf mir wieg'n mein Kindlein fein, Gott wird dein Lohner sein, im Himmelreich der Jungfrau Sohn, Maria, Maria” onder de altviool-solo aan het begin geschreven en laten drukken. Het is een bekend volkslied uit de 14e eeuw, gezet op de noten van het laat-gregoriaanse kerstlied Resonet in laudibus.. De bekendste bewerking daarvan is de vierstemmige van Praetorius. Brahms citeert de melodie vrijwel letterlijk, verandert iets aan het slot aan om de alt een rustige inzet te geven. De melodie van de alt is gevormd uit hetzelfde lied maar ze vangt met de derde toon aan! Toen waren de Joachims pasgetrouwd. Het lied was als huwelijksgeschenk bedoeld. Met Josef wendt Brahms zich direct tot Joseph Joachim. Voor de pianopartij die niet bijster moeilijk is had hij zijn petekind misschien in gedachten, want zulke muzikale ouders zouden het kind vanzelf pianoles laten geven. Alleen 16 maten in het middendeel zijn een beetje lastig, voor een béétje amateur best te doen, maar peetvader Brahms zag hier mogelijk een aandeeltje voor hemzelf liggen.

image.png
image.png

Die Zwei Gesänge für eine Altstimme, Viola und Klavier op. 91 bilden im Liedwerk von Brahms ein ähnliches Kuriosum wie die Shakespeare-Vertonungen. Ihre ungewöhnliche Besetzung erklärt sich, wie die Ophelia-Lieder, durch einen biographischen Entstehungsanlass. Sie wurden für das befreundete Ehepaar Amalie und Joseph Joachim geschrieben : Amalie war Altistin, der Geiger Joseph hat (auch) Bratsche gespielt. [...] Ursprünglich schrieb Brahms den ersten Gesang zur Hochzeit der Joachims 1863, zog ihn dann allerdings wieder zurück, um Bearbeitungen vorzunehmen und sendete dem Paar das Stück zur Taufe ihres ersten Kindes erneut zu. Fast zwanzig Jahre später ergänzte Brahms den ersten Gesang um eine neue Vertonung - als Versöhnungsversuch für die mittlerweile krisengeschüttelte Ehegemeinschaft. Das Stück ist voller humoristischer Anspielungen und sollte offenbar eine Art therapeutische Wirkung in der Ausführung durch das Paar erreichen : So wird etwa die Melodie des weihnachtlichen Volksliedes Josef, lieber Josef mein, hilf mir wiegen mein Kindelein als versteckte Bitte um Joachims Kooperationsbereitschaft einbezogen.
   Im Dezember 1884 hat Brahms die Stücke schließlich als sein Opus 91 veröffentlicht. [...] Amalie Joachim, der die Lieder op. 91 auf den Leib geschrieben sind, galt als besonders erfolgreiche Mittlerin zwischen der Konzert- und der Hausmusikpraxis. Sie pflegte Lieder von Brahms im intimeren Rahmen für die Aufführung im öffentlichen Raum auszuprobieren und dann den jeweiligen örtlichen Anforderungen gemäß auch unterschiedlich zu interpretieren. Brahms selbst scheint hierauf bereits in der Komposition für diese Sängerin, deren Stimme und Interpretationsstil er gut kannte, Rücksicht zu nehmen. [...]

     Matthias Schmidt / Johannes Brahms Die Lieder, ein musikalischer Werkführer / 2015.

Vergelijk Geistliches Wiegenlied met de eerste maten van het lied Maria sitzt am Rosenhag / Und wiegt ihr Jesuskind, Max Reger. — Curieus : Hamilton & Logas 2014 geven een complete opuslijst waarin op. 91 echter ontbreekt.
    Rudolf von der Leyen schrijft in Johannes Brahms als Mensch und Freund (1905) “[brief aan zijn vrouw 29 Jan. 1885] “fand noch eine Kammermusiksoiree statt, in der Brahms mitwirkte und bei welcher gelegenheit u. a. von Fräulein Hohenschild die beiden Altlieder mit Bratsche op. 91 zum ersten Male gesungen wurden.” Alwin von Beckerath, zwager van Von der Leyen, speelde de altvioolpatij.
    Von der Leyen (litt.), een vermogend man uit een familie van zijdewevers en textielfabrikanten, was de intendant van het concertorganisatiecomité in Krefeld en een uitstekend amateurpianist. Hij heeft op 25 mei 1884, in de week voor Pinksteren [brief aan zijn vrouw], op een korte vakantie met Brahms en anderen in Italië, diens juist gedrukte arrangement van de 3e symphonie voor twee vleugels à vue met de componist gespeeld, in de Villa Carlotta van de hertog van Meiningen aan het Como-meer. “Aber nach dem Essen gings los, [...] Onkel Brahms und ich, nein, es war zu herrlich ! er spielte sich in eine riesige Begeisterung hinein, ihm blätterte der Herzog um, mir die Freifrau. Sie weinte vor Freude und sagte einmal, als die Nachtigall draußen so recht hell schlug : »Das hier ist doch noch viel schöner«. Brahms' Augen leuchteten vor Vergnügen, denk' dir, und ich war ganz ruhig, da ich fest entschlossen war, mein Bestes zu thun. Wir haben die Symphonie mehrmals hinter einander gespielt. [... Brahms] kam immer, klopfte mir auf Kopf und Schulter und sagte zum Herzog : »Ja, ja, so musicirt man in Crefeld, und  D i e s e r  ist noch der Jüngste«.” De volgende dag oefende het gloednieuwe klavierduo de 3e symphonie nog eens om het stuk 's avonds voor hoog bezoek uit Keulen (Wüllner?) ten gehore te brengen.

Brahms heeft tijdens een repetitie eens tegen de zangeres Alice Barbi gezegd, dat ze zich niets aan hoefde te trekken van de voordrachtsaanwijzigingen die bij een lied gedrukt stonden, hij zei woorden in de geest van "daar sta jij boven, je bent geen student, je bent niet bij mij op zangles, spring er vrij mee om, ik volg je wel".

Hierop aansluitend is bij Max Friedländer, Brahms’ Lieder, te lezen : Als die Sängerin Alice Barbi in Wien im Jahre 1890 einmal Brahmssche Lieder mit Begleitung Dr. Ludwig Rottenbergs gesungen hatte, schwärmte dieser in Brahms’ Gegenwart von ihrer Wiedergabe, setzte aber hinzu: Merkwürdig war das gedehnte Zeitmaß in der „Nachtigall", worauf Brahms antwortete: „ach, das kann mir gar nicht breit genug sein". Vgl. Eduard Behm „Aus meinem Leben", Deutsche Tonkünstler-Zeitung Berlin, 1911, S. 167.

Na haar scheiding begon Amalie a.h.w. een nieuw leven als Amalie Joachim-Weiss. Haar Bühne-uitstraling en dramatische stem brachten haar in de theaters van Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk-Hongarije, Holland en België, de Baltische staten, Finland, Rusland, Zweden en de USA.
  Ze heeft ‘Orfeo’ van Gluck en ‘Le prophète’ van Meyerbeer gezongen. Meyerbeer schreef voor de zangers van zijn tijd. In de 20ste eeuw was alleen Marilyn Horne in staat de rol van Fidès naar behoren gestalte te geven. Speciaal voor haar werden er uitvoeringen georganiseerd in Turijn (1970) en in de Metropolitan Opera van New-York (1977), onder haar echtgenoot Henry Lewis, 1989-1991 chef van het Ned. Radio Symph. Orkest, fenomenaal dirigent, lastige man, heb toch wel met hem kunnen praten. Over Lewis werd verteld dat het N.Y. Symph. Orch. na een concert met hem een week vrij kreeg om bij te komen. Luister eens naar haar O prêtres de Baal. Wat een stemomvang, wat een virtuositeit, wat een voordracht ! Projecteer de aria O mon fils qua expressie eens op Brahms' Altrhapsodie.
Natuur-mezzosopraam Cecilia Bartoli heeft het Deutsches Requiem gezongen ('uitschuif-alt').

afbeelding.png
          Algemeen Handelsblad 28 feb 1867

image.png    

1. Musikalische Zeitung / Leipzig 26 Aug 1868.
NB 1: D e m n ä ch s t  (binnenkort) ; Brahms zal de repetities in Zürich begin sept eerst nog wel hebben willen horen.
NB 2: De juiste spelling is Ein deutsches Requiem. Met d. Als zelfs Die deutsche Wehrmacht . . .
NB 3: Brahms schreef het Clavier-Auszug en het Clavier-Auszug zu 4 Händen zelf. Tijdrovend werk ; het eerste had hij in grote trekken al klaarliggen, maar het Clavier-Auszug zu 4 Händen verscheen pas in januari 1869.
2. Erstdruck der Partitur vom November 1868, Titelblatt Sammlung Kurt Hofmann, Hamburg. uit Johannes Brahms / Leben und Werk / Breitkopf & Härtel / Wiesbaden.

Benjamin-Gunnar Cohrs, Bremen : The full score of the work's initial version [?] was finished by the summer of 1866. It was also performed piecemeal : the first three movements were introduced to a Viennese audience in the city's Redoutensaal at the second concert of the Gesellschaft der Musikfreunde on 1 December 1867. The chorus was the local Singverein and the conductor was Johann Herbeck. In the wake of the performance, Brahms undertook a number of changes to the score, adding an organ part and - in the event of the non-availability of such an instrument - a part for a contrabassoon.
    The
real first performance [?] was given in Bremen, Cathedral on 10 April 1868, when Brahms himself conducted the city's 200-strong Singakademie at the invitation of its principal conductor, Carl Martin Reinthaler. The large orchestra featured no fewer than twenty-four violins. The programme included not only a number of pieces for solo violin played by Joseph Joachim, who almost certainly acted as leader for the rest of the concert, but also three movements from Händel's Messiah, "Behold the Lamb of God", "I know that my Redeemer liveth" and the "Hallelujah" Chorus, and, finally, the aria "Erbarme dich" from Bach's St Matthew Passion sung by Joachim's wife, Amalie Weiß. The British Brahms scholar, Robert Rascall, has noted that this group of works offers "interesting commentary on the structure , expressive range and message of the Requiem itself". In particular, "I know that my Redeemer liveth" for soprano solo served as a model for what is now Requiem's fifth movement, "Ihr habt nun Traurigkeit", which Brahms added only after the Bremen performance and which was originally intended to be in fourth position. The first complete performance of all seven movements was given in Dessau at Christmas 1868 [? 3 Jan. 1869] when Adolf Schubring conducted a chorus of twelve with piano accompaniment. In January 1869 he reported enthusiastically on the performance in the columns of the Leipzig-based Allgemeine musikalische Zeitung.

LONDEN

De als 'London Version' betitelde vierhandige pianopartij heeft nooit bestaan, althans, is niet gedrukt. Loder en Potter speelden uit de in 1869 door Brahms gemaakte – en uitgegeven – bewerking van het Requiem voor piano vierhandig, zonder koor en solisten, louter bestemd voor het thuis musiceren. Een surrogaat dus. Dat woord heeft een onsympathieke bijklank die het in dit geval niet verdient, zeker niet als het gemaakt is door een Liszt, een Kirchner of een Brahms. In de 19de eeuw klonken de symphonieën van Beethoven veel vaker in de huiskamers dan in de concertzalen ! Tegenwoordig zet je een plaat of cd op, maar dat kon toen niet. De gedrukte partij à quatre mains van Loder is bewaard gebleven. Deze transcriptie was voor een semi-privaat concert met vocalisten niet geschikt. Er stonden veel te veel noten in – doublures van koor- en solistenpartijen. Dirigent en pianisten waren geen musicologen maar uitvoerende musici, ze schrapten verscheidene doublures vóór de repetities met inkt en waren mans genoeg om on the spur of the moment niet aangeduide schrapnoten bij de repetities en uitvoering weg te laten, of op een wenk van Stockhausen te reageren. En zo ontstond een reconstrueerbare versie die geklonken heeft maar niet gedrukt is. Je kunt wat hier uitgevoerd is geen fantasma noemen, nee, het IS uitgevoerd, met aangepaste pianopartijen, grotendeels genoteerd. Wat er klonk mag zonder bezwaar The London Version genoemd worden.

Het Brahms Instituut in Lübeck heeft een brief van Johannes Brahms verworven. De brief gaat over Ein deutsches Requiem en telt vier pagina’s. Johannes Brahms geeft in de brief antwoord aan zijn uitgever Jakob Melchior Rieter-Biedermann. Die had gevraagd om een vierhandig piano-arrangement van Ein deutsches Requiem. Brahms gaat op een ironische manier op de wens van de uitgever in: Ik heb besloten mijn onsterfelijke werk ook voor piano vierhandig te schrijven, zodat ook op die manier van het werk kan worden genoten. Het is overigens een voortreffelijk werk geworden. Het is nog makkelijk en vlot speelbaar ook, aldus Brahms in zijn brief.

De 'London version' is a.h.w. een nieuwe orkestratie waarbij het vocale aandeel beter tot zijn recht komt dan bij de grote orkestbezetting, zeker nu, anderhalve eeuw later, alle instrumenten en vooral het koper luider klinken dan in Brahms' tijd. Bij Thompson werd het stuk in het Engels gezongen. Het was de eerste (private) volledige uitvoering van Brahms' Requiem in Engeland. De eerste openbare uitvoering in Engeland vond in 1873 plaats, met orkest.
The first complete performance of all seven movements was given in Dessau at Christmas 1868 (dat is onjuist en was op 3 Jan. 1869) when Adolf Schubring conducted a chorus of twelve with piano accompaniment. In January 1869 he reported enthusiastically on the performance in the columns of the Leipzig-based Allgemeine musikalische Zeitung.
   De wereldpremière van het Deutsches Requiem heeft in 1869 in het Gewandhaus in Leipzig plaatsgevonden op 18 feb 1869 onder Carl Reinecke met het koor en orkest van het Gewandhaus en Emilie Bellingrath-Wagner en Franz Krückl als solisten.

———————

SCHICKSALSLIED

image.png

        W. A. Thomas-San-Galli, Johannes Brahms, 1912 ; 5. Aufl. 1922.

    

Hermann Levi, who made the acquaintance of the Schicksalslied before its completion, dissuaded Brahms from repeating the text of the beginning. And so the work, as it sounds, closes with the original epilogue.
   This instrumental passage  rounds off both the inner content and the external form of the work, and ranks among the master's most moving inspirations. Even Brahms did not often write melodies so simply inspired, so broadly flowing.

[...] The vocal part ends on a note of sorrowful resignation, and the effect ic now overwhelming when the message of salvation is heard in the C-major Adagio of the instrumental epilogue, uniting the lot of men and gods in one reconciling bond.

Karl Geiringer, Brahms, His Life and Work. Third, enlarged edition 1982.

De lezer moet dit zo begrijpen, dat het hele orkestrale naspel al kant en klaar was, maar Brahms twijfelde of hij het koor helemaal weg kon laten. Maar op welke tekst dan ? een onoplosbaar dilemma. hij schreef in de mm. 11-16 en 23-27 begeleidende accoorden op de achtergrond, op de tekst van de aanhef "Ihr wandelt droben im Licht auf weichem Boden, selige Genien !" Ik meen dat Hermann Levi hem van deze obsessie afgeholpen heeft.

De enige mij bekende uitvoering die in de nabijheid komt van Brahms' wensen betr. het postludium is er een van Claudio Abbado. Bij hem is de begeleiding pp, bij hem heeft het slotakkoord met de majeur-terts in C groot zin. Majeur na de nodige aarzelingen en strubbelingen in het naspel. Hölderlin eindigt negatief, Brahms voegt met zijn postludium aan diens zwartgallige gedicht a.h.w. een nieuwe strofe toe, zonder woorden, en zonder kruisen of mollen aan de sleutel, dat wrikt aan Hölderlins onontkoombaar vastgespijkerde noodlot en uitzicht opent op minder sombere levensomstandigheden. Natuurlijk, het toeval speelt een grote rol, en je kunt op het verkeerde moment op de verkeerde plaats geboren worden of terechtkomen, maar op de sterveling ligt niet automatisch een portie ellende te wachten, het kan best meevallen, en het leven is in zekere mate maakbaar, hoop is niet alleen voor naïevelingen daar. Het leven kan zelfs veel moois bieden, hoewel auch das Schöne sterben muß en de Parthen zich niet ontzien iemand geschmäht und geschändet in nächtliche Tiefen te werpen. Brahms relativeert Hölderlin, hij wijst op het leefbare midden tussen pessimisme en optimisme, tussen pech en geluk, en verklankt door de vergeestelijking van het preludium in het naspel de gedachte "ich will euch wiedersehen.'"

That Brahms actually had some such intention in adding the postlude is in the personal knowledge of the present writer. He regarded it as not merely accessory, but as being, in a sense, the most important part of his composition. In rehearsing the work, it was over this portion that he lingered with peculiar care; and when conducting its performance he obtained from the postlude some of his rarest and most exquisite effects of ethereal tenderness.        Florence May, The Life of Johannes Brahms, vol. II, p. 105.

Dit postludium zegt in dertig maten zonder tekst practisch hetzelfde wat het hele Requiem mèt tekst zegt. Wie het naspel belabelt met “het is het omgekeerde van wat Beethoven in zijn Negende doet” is wel vlot bezig -- de bal is makkelijk in te koppen -- maar heeft er weinig van begrepen. Niet van Beethoven, niet van Brahms.

Brahms has known how to supplement his [Hölderlin's] text with a short, but most exquisitely conceived, orchestral postlude, which, whilst it rounds the work musically into a whole, brings to the despairing soul a message of consolation, hope, faith, courage, such as it is within the peculiar province of music to convey, and which has the more power over the heart since it cannot be translated into articulate words.
     Florence May, idem
.

Mooier kan de kracht van muziek die de mens grijpt tot in zijn oudste vezels niet beschreven worden. Nee, ik bedoel niet ‘diepste vezels‘, maar oudste roerselen, terugvallend in het tijdperk waarin geluid maken zich ontwikkelde van seinen (er is gevaar / hier is voedsel) tot taal en muziek & dans. Taal ging richting verstand, redeneren, greep op de wereld ; muziek richting gevoelens, waaronder medeleven maar ook wantrouwen jegens de taligheid. Muziek (het natuurleven, de hele mens, groepsverband) en taal (intellect, details, de robot) groeiden uitelkaar.
   Grofweg speelt de rechterhersenhelft een rol bij emotie, verbeelding, kleur, muziek, ritme, dimensie, ruimtelijke inschatting, taal (woordgebruik, lezen). De linkerhersenhelft houdt zich bezig met taal (woordkennis, voordracht), tellen, logica, analyse, volgorde, details.

   “... since it cannot be translated into articulate words”.

Het schrijven en laten drukken van stukken als het Deutsches Requiem en meer nog het Schicksalslied, was voor Brahms niet alleen een uiting van zijn kijk op het leven, een statement. Het in de openbaarheid loslaten van deze scheppingen ging gepaard met de radeloze vraag ‘zou iemand begrijpen dat ik aan Hölderlins uitzichtloze gedicht een positieve wending zonder woorden geef – zou die iemand dan aanvoelen hoe het gespeeld moet worden ?' Componeren is in dit geval tegelijkertijd vooruitzien, met buikpijn hopen op dirigenten die . . . of is alles voor niets geweest ? Nee, Brahms heeft aan Reinthaler en anderen tenminste duidelijk en herhaaldelijk laten weten hoe hij het Schicksalslied uitgevoerd wilde hebben, en heeft dat ook laten horen door het zelf ook te repeteren en uit te voeren, evenals het Requiem. Hij heeft zich veel moeite getroost om deze stukken een gelukkige start mee te geven, stukken waarin Brahms' levensbeschouwelijke toon sterk doorklinkt.
   Bij dichters en componisten uit die tijd moet niet vergeten worden dat ze traditioneel, of uit voorzichtigheid, of uit puur lijfsbehoud soms, de schrijnende verschillen tussen de heersende klassen (adel en clerus) het gewone volk in eigen land niet beschreven, maar deze naar de mythische klassieke oudheid verplaatsten.

A. Hillman (1844-1933) schreef in zijn Brahmsbiografie “[...] ett kort orkestralt efterspel, vilket samtidigt med att det ger en avrundning åt hela det musikaliska verket bringar den tvivlande själen budskap om tröst, hopp, tro, mod.
    Själv betraktade Brahms denna avslutning som den viktigaste delen av sitt verk.”

          Adolf Hillman, Brahms (1918).

In de Nederlandse en Duitse kranten en muziekbladen uit die tijd valt te lezen dat Brahms' Schicksalslied bij publiek en recensenten goed viel. Het werd gezien als een van Brahms' indrukwekkendste werken. Herhaaldelijk werd het allesomvattende postludium besproken. Bijvoorbeeld :

Bijzonder gelukkig komt mij het idee van den componist voor, daar, waar hij ons, niet als de dichter, na de schildering van onze ellende, aan ons zelven overlaat, maar door een heerlijk naspel voor orkest, als het ware tot de hoogere sferen der hemelingen opvoert.
     Nieuws van den dag 7 juni 1875

N.a.v. een uitvoering door "Toonkunst Amsterdam" in het Concertgebouw :

Als 't ware als inleiding tot den Manfred was de avond geopend met Schicksalslied, een der schoonste composities van Brahms. De tekst is een hoopeloos pessimistisch gedicht van Hölderlin, den volgeling van Klopstock en Schiller, maar onder Brahms' handen is het werk feitelijk van aard veranderd. Terwijl de tekstdichter ons schildert, hoe 't het lot van het menschdom is „blindlings von Klippe zu Klippe ins Ungewisse hinab", geworpen te worden, spreekt de toondichter een vertroostender taal tot ons. Reeds in de inleiding voor orkest waarschuwt Brahms als 't ware, dat er ook zonneschijn in het leven is en als de laatste woorden van het koor zijn weggestorven, giet het orkest in een vriendelijk, vertroostend naspel balsem in de wonde. Er valt wellicht nog te philosopheeren over de vrijheid, die Brahms zich aldus veroorlooft om Hölderlin's tekst te corrigeeren en aan te vullen, maar erkend moet worden, dat het Schicksalslied in ieder geval een zijner schoonste werken is. Met betrekkelijk sobere middelen weet hij de juiste stemming aan te geven en met welk een meesterschap zijn koor en orkest daarbij behandeld! Koor en orkest waren, onder leiding van den heer Röntgen, hoogst gelukkig in de vertolking van het werk.
     Algemeen Handelsblad 7 febr 1896

     image.png      

Waarschuwing voor nep-informatie :
“De première van het Schicksalslied vond plaats op 13 oct 1871 in Karlsruhe o.l.v. Hermann Levi.”
Der Philharmonische Verein was ‘van’ Hermann Levi. Dat genereerde het eerste misverstand. Ten tweede werd een advertentiedatum versleten voor de uitvoeringsdatum (dat gebeurt wel vaker). Deze slordigheden werden overgenomen tot in Wikipedia toe. Eerdere aankondigingen dan 18 oct. zijn in de Kasseler nieuwsbladen niet te vinden.
De première van het Schicksalslied vond op woensdag 18 oct 1871 in Karlsruhe plaats o.l.v. Brahms zelf. Zie hiernaast.


< < Karlsruher Tagblatt 14 oct 1871.


Tagesgeschichte.
Musikbrief.
C a r l s r u h e.
   Der Monat October [
1871] brachte uns zwei grössere Aufführungen, das erste Concert des Philharmonischen Vereins und das erste Abonnementsconcert des Hoforchesters.
   Der Philharmonie Verein war so glücklich, sich das Verdienst um die erste Aufführung eines Werkes zuschreiben zu dürfen, welches in seinem Genre wohl das Bedeutendste genannt werden kann, was die musikalische Literatur bisher hervorgebracht hat.

[...]
Halten wir diesen und ähnlichen Werken nun das Schicksalslied aus Hölderlin's Hyperion, componirt für Chor und Orchester im Mai 1871 von Johannes Brahms, entgegen.
[...]
Der letzte Orgelpunct auf C leitet in das erste Adagio zurück, von welchem die ersten 28 Takte - jetzt in dem ruhigen C dur - mit reicherer Instrumentation wiederholt werden. Der eigentliche Hauptgedanke des ganzen Werkes ist ja die selige Ruhe im Jenseits, das ruhelose Diesseits ist nur der Gegensatz, der von der Hauptstimmung überwunden wird.
  Der Chor hat im Allegro mit des-c abgeschlossen, wird im Adagio nicht weiter gehört ; das scheint mir vom psychologischen Standpunct aus nicht ganz ohne Bedenken.
  Dass die Menschenstimme das vollendetste und zugleich das modificationsfähigste Musikorgan ist, steht wohl fest. Warum soll nun das Orchester, dessen Organe doch allein der untermenschlichen Natur entnommen sind, zugleich der würdigste Vertreter für das Uebermenschliche sein ? Ich glaube,
dass der sechsstimmige Knaben- oder Frauenchor, selbst noch mit Tenören unterstützt, das günstigere physiologische Material für die Stimmung übermenschlicher, ungetrübter, leidenschaftsfreier Seligkeit ist. Hat sich das Ohr aber erst im Verlaufe eines ziemlich langen Stückes an den Chorklang gewöhnt, so vermag es auch die reichste Instrumentation eines Orchesterschlussatzes nicht vollkommen zu entschädigen.
   Abgesehen von diesem geringfügigen Mangel, der übrigens von hiesigen Kunstenthusiasten für einen Genieblitz angesehen wird, haben wir es unstreitig mit einer Leistung ersten Ranges auf diesem Gebiete zu thun. Die edlen, erhabenen Gedanken fliessen leicht in vollendetster Form dahin, der Wohlklang in Chor und Orchester ist sehr wohlthuend, die Harmonie ganz frei von jener etwas ungelenken Sprödigkeit, wie sie in einzelnen früheren Werkes des Meisters vorkommt.
   Die Concertdirectionen mögen sich daher beeilen, um mit dem hiesigen Philharmonischen Verein um eine möglichst frühe Aufführung des Schicksalsliedes (jetzt noch Manuscript) zu concurriren. [...]

          C. v. Radeçki in Musikalisches Wochenblatt / Leipzig 17. November 1871.

----------

C a r l s r u h e , 26. Oct.  Auch hier beginnt es sich mit dem Nahen der kalten Tage musikalisch zu regen, und  hat  mit  den  verschiedenen Concerten der Philharmonische Verein schon am 18. Oct. im Museumssaale den Reigen begonnen. Neben dem neuen Werk für Chor und Orchester : „Schicksalslied" aus Hölderlin's „Hyperion” von Johannes Brahms (Manuscript), geleitet vom Componisten, kamen zur Aufführung : Ouverture und „Gartenscene” [mitsamt der Sclußscene des 2. Teiles [TK] aus Rob. Schumann's Musik zu „Faust” von Goethe, Lieder von Franz Schubert („Greisengesang” und „Geheimes”), gesungen von Hrn. Julius Stockhausen, die Begleitung für Orchester instrumentirt von Joh. Brahms. [...]
           Schicksalslied..   Unbedingt  interessant  und fesselnd, die orchestrale Begleitung wie herausgewachsen aus dem Ganzen, ist das Werk des Hrn. Brahms, das, wie wir hören, nunmehr auch in Wien zur Aufführung gelangen soll.
         
Musikalisches Wochenblatt / Leipzig 3. November 1871.

 

----------

 

WIEN Das letzte der ordentllchen Gesellschaftskonzerten hatte ein sehr gewagtes Programm. [...] Nach Gade kam Brahms mit seinem „Schicksalslied”. Das Hölderlin'sche Gedicht, das in den ersten beiden Strophen das unveränderte, schicksalslose Glück der Himmlischen, in der dritten, als Gegensatz, die wechselnden Leiden der Sterblichen besingt, scheint uns, so weit wir auch die Grenzen der musikalischen Ausdrucksfähigkeit gezogen wünschen, zur Komposition nicht geeignet, und gar für Herrn Brahms ist ein didaktisches Gedicht eine besonders verführerische Gelegenheit, sich ins Grübeln und Spintisiren zu vertiefen.

Neues Wiener Tagblatt 25. Januar 1872.

----------

 

WIEN, 25. Januar [1872]. Viertes Gesellschafts-Concert. [...]
Eine Tondichtung von tiefem Gehalt und prägnanter Eigenthümlichkeit ist B r a h m s' „Schicksalslied” für Chor und Orchester (Op. 54). Das schöne Gedicht H ö l d e r l i n's erscheint zwar weder dem Inhalt noch dem Versmaß nach besonders günstig für Musik ; es konnte jedenfalls nur einen so ernsten, den Ideen des Großen und Unvergänglichen unbeirrt zugewendeten Tondichter wie B r a h m s anlocken. Die beiden ersten Strophen des Gedichtes preisen die selige Ruhe der Olympischen Götter, welche „droben im Licht schicksalslos athmen” ; der Chor singt diese Strophen in einem edel und breit ausklingendes Adagio (Es dur 4/4-Takt). Die dritte Strophe des Gedichtes schildert als Gegenbild das beklagenswerthe Los der Menschen, denen es „gegeben ist, auf keiner Stätte zu ruh'n”. Mit erschütternder Beredtsamkeit und ohne durch genrehafte Züge den großen Styl des — Werkes zu trüben, bringt der Componist diesen Gegensatz in einem düsteren Allegro (C-moll 3/4-Tact zur Darstellung. Wie anschaulich und mit einfachsten Mitteln geschildert ist der Sturz „von Klippe zu Klippe”, wie durchbohrend der lange Halt der Stimmen auf dem Worte „Jahrlang” ! In dieser Trostlosigkeit schließt der Dichter — nicht so der Componist.
    Es ist eine überaus schöne poetische Wendung, welche uns die ganze verklärende Macht der Tonkunst offenbart, daß Brahms nach den letzten Worten des Chors zu der feierlich langsamen Bewegung des Anfanges zurückkehrt und in einem längerem Orchesternachspiel das wirre Mühsal des Menschenlebens in seligen Frieden auflöst. In ergreifender, Allen verständlicher Weise vollzieht Brahms diesen Gedankengang durch reine Instrumental-Musik, ohne Hinzufügung eines einzigen Wortes. Die Intrumental-Musik tritt also hier ergänzend und vollendend hinzu und spricht aus, was sich in Worte nicht mehr fassen läßt : ein merkwürdiges Gegenstück zu dem umgekehrten Vorgang in Beethoven's Neunter Symphonie. Brahms' „Schicksalslied” gemahnte uns in Styl und Stimmung wie ein Nachklang seines bewunderungswürdigen „Deutschen Requiems”, dieselbe christliche Anschauung, nur in griechischer Form. Obwohl das „Schicksalslied” weder leicht zu fassen noch melodisch bestechend ist, erzielte es doch im Gesellschafts-Concert einen entschiedenen großen Erfolg. Diese Wirkung wird sich ohne Zweifel noch steigern bei einer zweiten, hoffentlich vollkommeneren Aufführung, denn der Dirigent, Herr Rubinstein, übereilte den Allegro-Satz so sehr, daß Text und Musik undeutlich wurden. R u b i n s t e i n dirigirt manchmal, als wenn er Clavier spielte — er läßt sich fortreißen.

Neue Freie Presse, 26. Januar 1872.

----------

 

HAMBURG 8 Jan. Im 4ten Philharmonischen Concert, welches am 5. Jan. stattfand, [...] war die zweite Nummer des Programms : „Schicksalslied” [...] von Joh. Brahms, [...] das zum ersten Male hier aufgeführt wurde, eine farbenreiche, mit der Gewandtheit des Meisters ausgeführte Composition, die aber durch die Anlehnung an dieses Hölderlin'sche Gedicht für uns ebenso Hölderlinisch-geisterhaft-schwimmend geworden ist, ein Eindruck, der selbst durch die Auffassung des dritten Verses, der dem Ganzen Bewegung gibt, nicht verwischt werden konnte. Das Ganze kann schön genannt werden, wir betrachten aber das, was der Componist dem Hölderlin'schen Gedichte hinzuthat, resp. wodurch er das Gedicht auszumalen dachte, für künstlerisch nicht nothwendig.

Musikalisches Wochenblatt, 26. Januar 1872.

----------

 

WIEN
Theater, Kunst und Literatur.
Das  v i e r t e   G e s e l l s ch a f t s k o n z e r t  (Sonntag den 21. d.) [... brachte] endlich  B r a h m s’  neueste und, wie wir freudig konstatieren, sehr edle, stimmungsvolle und klangschöne, nur vielleicht zu breit ausgesponnene Komposition für Chor und Orchester : „Schicksalslied” von Hölderlin. Die von einem weihevollen Orchestersatz cyklisch eingerahmte, sehr beifällig aufgenommene Tondichtung trifft die Stimmung des poetischen Vorwurfes ganz trefflich, frappirt durch die kühne Rhythmik bei den Worten „von Klippe zu Klippe”, nähert sich aber in der orchestralen Behandlung, ja selbst in der Melodisirung im Verlaufe immer mehr Richard  W a g n e r , den sonst Brahms nicht besonders gut leiden kann.
        
Neues Fremden-Blatt, 26. Januar 1872.

----------

 

Das "Schicksalslied” schliesst nämlich mit einem Instrumenalsatze, der ethisch einen vollständigen dritten Theil des Werkes bedeuten will. Das "Schicksalslied" ist im Allgemeinen ein Chorwerk ; da es nun aber von hier etwas thut, was bei Chorwerken für gewöhnlich nicht Brauch ist, was Wunder, dass es der kritischen Polizei Anstoss errege ! Mir will gerade dieser Abschluss des Werkes gefallen, er ist mit einer besonderen poetischen Beziehung so gemacht wie er ist.
        
Dr. Hermann Kretzschmar im Musikalisches Wochenblatt / Leipzig 20. Februar 1874.

 

----------

 

Aufgeführte Novitäten. Musikalisches Wochenblatt, 29. Mai 1874.
Brahms (J.), 4—7 Satz a. dem Deutschen Requiem. (Brünn, 2. Musikver.-Conc.). [Brünn = Brno, Moravië.]

Als Novität könnte gewissermaassen auch das im 4. Gesellschaftsconcerte vorgeführte „Schicksalslied” von Brahms gelten, da die sehr mangelhafte erste Aufführung dieses Werkes unter Rubinstein durchaus kein hinreichendes Bild zur Beurteilung bot. Wir gestehen, dass wir selten eine Brahms'sche Schöpfung mit solcher Begeisterung hörten, als gerade diese, und dass wir Hrn. Dr. Kretzchmar für seine meisterhafte Analyse des „Schicksalsliedes” im Geiste die Hand drückten. Von allen seinen sonstigen musikalischen und poetischen Vorzügen abgesehen, wie k l i n g t Alles im „Schicksalslied”, wie ist die Haltung desselben so echt modern, so überseugend ! Wenn sich die beiden gröddten lebenden deutschen Musiker Richard Wagner und Joh. Brahms irgendwo geistig nahe stehen, so idt es in des Letzteren „Schicksalslied”.
        
Musikalisches Wochenblatt / Leipzig 5. Juni 1874.

 

----------

       

Johannes Brahms. Erläuterung seiner bedeutendsten Werke von B. Beyer, R. Heuberger, Prof. J. Knorr, Dr. H. Reimann, Prof. J. Sittard, C. Söhle und Musikdir. G. H. Witte. Nebst einer Darstellung seines Lebensganges mit besonderer Berücksichtigung seiner Werke. Von A. Morin. 1897, pag. 172.

Terug naar Ein deutsches Requiem. Het duet tussen sopraan „Ihr habt nun Traurigkeit" en koor „Ich will euch trösten" is door Brahms eerst na de Bremer uitvoeringen aan zijn werk toegevoegd. Het werd in Mei 1868 gecomponeerd, sommigen menen ter nagedachtenis aan zijn drie jaren eerder gestorven moeder. Zingt het koor niet “wie einen seine Mutter tröstet” en zingt de sopraan niet tegelijkertijd “Ich will euch wiedersehen” ? Het Requiem zelf ervaar ik enerzijds als een bijzonder bouquet bloemen op het graf en de nalatenschap van de zo jammerlijk aan zijn einde gekomen Schumann, anderzijds als Brahms' visie op dood en leven ; in die visie betrok hij in het Schicksalslied ook het maatschappelijk leven. Het Schicksalslied heeft een duidelijke politieke strekking :
         Lees voor die Götter, die Genien :
      VVD, Rutte, Pechtold, Big Oil, Big Tech, Big Pharma, Big Food, Big Data etc.
         Lees voor die leidenden Menschen, von Klippe zu Klippe geworfen :
      de machteloze burgers en dieren, bij uitstek de natuur - HET LEVEN.
Het is ondoenlijk namen te noemen van de miljoenen die door de usurpators bestolen, beschadigd, benadeeld zijn, of te lijden hebben van de wantoestanden die de elite toedekt en laat voortbestaan bij de gezondheidszorg, de gaswinning, de banken, de pensioenfondsen, de veeteelt en zoveel meer. Van de Gele Hesjes moet nog blijken of ze “helden of hooligans” (Joke Hemsen in De Groene) zijn. Wil ik namen noemen dan zijn het die van Marianne die tegen de overmacht in standvastig blijft strijden, en meer op globaal terrein de Schotse Polly Higgins, ‘de advocaat van de aarde’, die haar baan als jurist opgaf om het wereldwijde ecovandalisme te bevechten.

Met uitzondering van Marianne Thieme noem ik de volledige namen van de politici niet, want Rutte, Pechtold, Buma c.s. hebben als stromannen / marionetten geen voornaam nodig, Zij masseren met holle woorden de maatschappij om de belangen van de grote graaiers te verdoezelen en te doen accepteren, zelf staan ze nergens voor, nou ja, partijbelang en eigenbelang. Aan de andere kant van de streep strijdt men als levende burgers op persoonlijke titel tegen de corruptie waarvan de gevolgen steeds bedreigender worden. Op particulier niveau kan men weleens iets bereiken via een ombudsman of d.m.v. publiciteit. Sommige poldermedia doen keurig verslag van wat er gedaan wordt – of juist verzuimd – in deze tijd die weleens de eindtijd zou kunnen zijn. Hun gedragscode is die van de meeste politici : ‘k stond er bij en ik keek er na’.

————————————————

Maar het werk van onderzoeksjournalisten, bepaald niet ongevaarlijk, heeft dikwijls effect waarover men zich kan verheugen, hoewel de verantwoordelijken voor de geitenkoorts, de chroomverf etc. voor een gerechtelijk onderzoek niet hoeven te vrezen, de slachtoffers moeten jarenlang procederen om hun gelijk te halen, en vervolgens om dat gelijk in schadevergoeding omgezet te krijgen. Nederland is een bananenrepubliek geworden en dreigt een technostaat te worden – of moet ik zeggen één grote gevangenis met managers als toezichthouders ? Eindelijk een taak voor deze nutteloze beroepsgroep die tussen leidinggevenden en werknemers is ingeschoven en, lijkt het wel, voornamelijk formulieren produceert die zonder duidelijk doel ingevuld c.q. afgevinkt moeten worden. Een tijdverspilling van jewelste, waarover eindeloos geklaagd wordt zonder dat er iets verandert.

—————————

Bij een begrafenis, kerkelijk of niet-kerkelijk, speel ik buiten het gangbare repertoire om soms Barbers Adagio for strings of het slot in C van het Schicksalslied. Onlangs voor een dierbare teckel. Wie nu zegt "maar een hond heeft toch geen ziel" moet daar wel een definitie van 'de ziel' bij geven. Dat is een schier onmogelijke opgave. "Maar een hond heeft toch geen geest, of laten we zeggen zelfbewustzijn of zoiets". Ik vrees dat enkele hondenrassen dat wèl hebben, maar voor de discussie die dan ontstaat is dit geen geschikte plaats.
  Brahms was een natuurmens, hij wandelde urenlang, graag blootvoets, maar niet met geweer en weitas bij zich. Haydn, Beethoven, Schubert, Mendelssohn, Spohr, Schumann, Weber, allemaal schreven ze jachtliederen en schallende jachtkoren. Goed, gejaagd moet er worden, maar "Juchhe, juchhe, der Wein ist da" van Haydn vind ik een dieptepunt van smakeloosheid.
  Wat was nu Brahms' bijdrage tot dit populaire genre ? Twee volksliedjes waar hij een begeleiding onder gezet heeft Der Jäger im Walde en Der Jäger. En een spotternij :

Der Jäger

 

Mein Lieb ist ein Jäger, und grün ist sein Kleid,
Und blau ist sein Auge, nur sein Herz ist zu weit.

Mein Lieb ist ein Jäger, trifft immer ins Ziel,
Und Mädchen berückt er, so viel er nur will.

Mein Lieb ist ein Jäger, kennt Wege und Spur,
Zu mir aber kommt er durch die Kirchtüre nur !

 

    Eligius Franz Joseph, Freiherr von Münch-Bellinghausen (1806 - 1871), pseud. Friedrich Halm.

Over 'Brahms en de liefde' is veel geschreven. Maar het onderwerp Alice Barbi verdient wel enige uitdieping. En de verlovingsring aan Brahms' hand mag hier niet ontbreken.

         
            Brahms.  Foto Ernst Milster, Berlin.                                                         Agathe von Siebold (1835-1909).
                                                     © Brahms-Institut an der Musikhochschule Lübeck.

Johannes Brahms mit Verlobungsring und seine Jugendliebe Agathe von Siebold.

De gemiddelde Würzburger heeft er geen weet van dat Agathe von Siebold in 1858 met Johannes Brahms verloofd geweest is. Zie hier. De verloving duurde niet lang, ze werd „bald wieder fluchtartig gelöst“. Brahms schreef Agathe: „Fesseln tragen kann ich nicht“ en toen maakte zij het met bloedend hart uit. In 1930 verscheen een biografie over Agathe von Siebold, geschreven door Emil Michelmann, getiteld „Agathe von Siebold – Johannes Brahms Jugendliebe“.

Die Verbindung dauerte nur wenige Monate, von September 1858 bis Februar 1859. Der 25 Jahre alte, noch weitgehend unbekannte und mittellose Komponist hatte die zwei Jahre jüngere Professorentochter im August/September kennengelernt. Am Neujahrstag tauschten sie Ringe. Ein Foto in der Vitrine zeigt Brahms mit dem Verlobungsring an der Hand. Ein Freund beschwor ihn, sich zu erklären. In Göttingen wurde ein Heiratsantrag erwartet. "Ich liebe dich. Ich muss dich wiedersehen. Aber Fesseln tragen kann ich nicht", schrieb Brahms an Agathe. Sie löste daraufhin die Verlobung. Brahms lebte zwar viele Freundschaften, scheute aber lebenslang die eheliche Bindung.
   Uit de inleiding bij de tentoonstelling Brahms und seine Verlobte in der Villa Eschenburg in Lübeck. Beziehungszauber. 1. Februari bis Ende Mai 2017. Auteur TD.

 



  Alice Barbi  

   


Alice Barbi, portretfoto uit Brahms’ bezit. © Brahms-Institut an der Musikhochschule Lübeck.

Maria Teresa Alice Laura Barbi werd in Modena (niet in San Giovanni di Persiceto) geboren, in juni 1858 (of 1859 of 1861 of 1862). De jaren 1859 en 1861 worden zelden genoemd (wschl drukfout, vergissing). Alice is overleden te Rome op 4 sept 1948, 90 jaar oud. Ze was een uitzonderlijk begaafde mezzo-sopraan en violiste. Ze componeerde ook, Brahms' letzte Liebe.

Het zoeken naar gegevens over Barbi's jeugdjaren is een crime. Er is weinig te vinden en de gevonden 'feiten' spreken elkaar dikwijls tegen. Na 1873 beginnen meer gegevens los te komen in de vorm van gebeurtenissen, namen, plaatsen en datums die op te diepen zijn uit o.a. de kranten van destijds. Maar daarvóór . . . We willen de spelden in de hooiberg wel zoeken, maar waar staat de hooiberg ?
   Het jaartal 1858 is het enige dat met redelijke zekerheid aangewezen kan worden als geboortejaar.
1. omdat Giuseppe Tomasi di Lampedusa - Barbi's schoonzoon - vermeldt (in Ricordi d’infanzia, I racconti, 1961) dat Alice bij haar afscheidsconcert op 21 dec. 1893 in Wenen 35 jaar oud was (1893 – 35 = 1858).
2.
omdat haar kinderen en verdere familie in correspondentie en in druk vermelden dat Alice na de dood van haar eerste man, baron Boris von Wolff-Stomersee, hertrouwde met Pietro Tomasi, markies van Torretta, die 15 jaar jonger was dan Alice. Tomasi is geboren op 7 april 1873 in Palermo. Over dat huwelijk is wel enig rumoer geweest in de familie.
3.
omdat Gioacchino Lanza Tomasi en Salvatore Silvano Nigro in een noot bij de Engelse vertaling van Giuseppe Tomasi di Lampedusa, Viaggio in Europa, (op. posth.) schrijven : “young Alice in court dress : A reference to Alice Barbi, wife of Pietro Tomasi della Torretta, Giuseppe di Lampedusa's uncle. She was a celebrated Lieder singer and a muse to Johannes Brahms in his old age. In the family she was known by the nickname of ‘young Alice’, because she was fifteen years older than her husband : she was born in Modena in 1858, while Pietro Tomasi was born in Palermo in 1873.” Giuseppe Tomasi, schrijver, getrouwd met Barbi's dochter Licy, gerespecteerd psychoanalist, was bevriend met Gioacchino, die hij eerder adoptief in zijn huis had opgenomen.
4. de geboortedag is 5 juni 1858 volgens de gedegen studie van Bianca Maria Antolini Alice Barbi, una cantante da concerto in Europa tra Otto e Novecento. In : Giuseppe Martucci e la caduta delle Alpi, 2008. Haar bron in deze is Guido Forni, zie litt. Bijna altijd wordt 1 juni opgegeven, een enkele keer 10 juni.
   Documenten (officiële of geboorteberichten etc.) zijn difficilissimamente te vinden of zijn onjuist : "Alice è nata a Modena il 10 giugno 1862", uit : Dizionario Biografico degli Italiani - Volume 6 (1964). 10 giugno zal een typefout o.i.d. zijn.
   Het jaar van Alice's geboorte is 1858, maar ook 1862 wordt vaak genoemd. In de Weense Neue Freie Presse van 13 en 14 juni 1932 wordt door Marie Herzfeld (een zeer goede bekende van Barbi) gememoreerd aan Alice's 70ste verjaardag. In het Neues Wiener Tagblatt van 1 juni 1938 wordt haar 80ste verjaardag gevierd. Om langer in aanmerking te komen voor 'jonge' rollen – die zijn er ook in de liedkunst –, om het leeftijdsverschil met haar tweede echtgenoot niet zo groot te doen lijken en misschien door een vleugje ijdelheid kan ze, op wat hogere leeftijd, 1862 als geboortejaar opgegeven hebben. Waarschijnlijker is dat Barbi haar vader Enrico, bekend musicus, wilde behoeden voor vervelende kritieken (hij werd vader op veertienjarige leeftijd) en een ander geboortejaar is gaan gebruiken.  

 ————————       ———————       —————— 

De eerste delen van een artikel over Alice Barbi van 13 en 14 juni 1932 in het dagblad Neue Freie Presse (Abendblatt Wien) gebruiken wij om enige structuur aan te brengen in de wirwar van elkaar tegensprekende gegevens voorzover die al aanwezig zijn, en voegen er de resultaten van eigen onderzoek aan toe. Het artikel, o.i. het beste tot dan over Barbi geschreven, is van Marie Herzfeld. Zij heeft Barbi in Wenen leren kennen.

 
Marie H e r z f e l d *1855 in Güns (Hongarije), † 1940 in Mining (Oostenrijk), schrijfster, recensent, vertaler, nauw betrokken bij het artistieke reilen en zeilen rond de eeuwwisseling, had levendig contact met o.a. Rainer Maria Rilke, Gustav Klimt en Hugo von Hofmannsthal.
   In Wien seßhaft geworden, widmete sie sich in den achtziger Jahren, der vom Norden ausgehenden naturalistischen „Moderne” folgend, dem Studium der jungskandinavischen Literatoren und brachte diese durch kritische Essays und Übersetzungen, die sich durch eigenartig getreue Interpretation des inneren Wesens der Dichtung auszeichnen, dem deutschen Leser nahe.

   Herzfeld war 1901-1919 als Vizepräsidentin, später als Ehrenmitglied im Wiener Verein der Schriftstellerinnen und Künstlerinnen tätig und erhielt 1904 den Bauernfeld-Preis. [Wiki].
  Um 1900 wandte sie sich unter dem Einfluß des damaligen Enthusiasmus für die italienische Renaissance und im besonderen über Anregung A. Barbis der Erschließung dieses Kulturzeitalters für das deutsche Publikum zu, was nun zu ihrer Lebensarbeit wurde. Ab 1904 erschien ihr Leonardo-Werk in mehreren Auflagen Die begleitende Monographie (Aufl. 1–3) wird heute noch zu den besten Darstellungen Leonardos gezählt.

      Österreichische Nationalbibliothek          Österreichisches Biographisches Lexikon ; Wikipedia.


————————       ———————       ——————

Alice Barbi,  von  Marie Herzfeld. —— Neue Freie Presse, Wien, Montag, den 13. Juni 1932, Abendblatt.

— Der 70. Geburtstag der großen Sängerin, der in diese Tage fällt, sei der Anlaß, einmal von Alice Barbi zu sprechen, die es nie geliebt hat, von sich sprechen zu machen, es wäre den als Künstlerin. So kommt es, daß fast Niemand etwas von ihr weiß, und deshalb sei es der Verfasserin dieser Zeilen, die mit ihr seit mehr als einem Menschenalter innig verbunden ist, gestattet, ein paar Außenlinien ihres Lebens, ihrer Entwicklung, ihrer Schicksale zu geben und einen Umriß ihrer Persönlichkeit und ihres künstlerischen Wesens zu zeichnen.
Alice Barbi wurde am 1. Juni 1862 in San Giovanni di Persiceto bei Bologna geboren. Die Familie ihrer Mutter stammte aus Bozen und war im Nonstal begütert ; doch zur Zeit Kaiser Franz' ließ ihr Großvater Tomasetti
1 Grund und Boden und engere Heimat im Stich, seiner nationalen Gesinnung zuliebe, und wanderte nach Italien aus. 2 Merkwürdigerweise finden wir in der heraldischen Zeitschrift “Der Adler”, daß auch die Famlie Barbi, wenigstens ein Zweig von ihr, zu Beginn der Neuzeit im Nonstal saß und da adelige Gerechtsame wie das der niederen Gerichtsbarkeit innehatte. Das Wappen der Tiroler Barbi war das gleiche, das Alice Barbis Vater im Siegelring trug, wie der Name, ist auch die Herkunft identisch. Zu den Verwandten gehörte der berühmte Dante-Forscher Michele Barbi ; ein anderer war Hofkapellmeister des Herzogs von Modena gewesen und erzählte gern von Wien, wohin er manchmal zum Besuch des vertriebenen Fürsten kam. Auf diese Art schien sich in Alice Barbis Wesen vielerlei schicksalhaft vorzubereiten.
In ihren Adern floß mancher Tropfen deutschen Blutes, was allein schon die blauen Augen ihrer Mutter bewiesen, und dadurch war ihr das Verständnis für deutsche Musik schon als Erbgut angeboren. Wien jedoch war dem Kind eine Märchenstadt und das Ziel einer Sehnsucht die sich einmal erfüllen sollte . . . Alice Barbis Vater war gleichfalls Musiker, ein Geiger von Rang, den nur die Gleichgültigkeit gegen Ruhm und äußere Ehren, denen er die Heimat und ein ruhiges Leben vorzog, verhinderte, in ganz Europa bekannt zu werden. 3
    

Schon der vierjährigen Alice gab er, nicht unbedingt zu ihrer Freude, die Violine in die Hand 4 , und da er 1870 als erster Konzertmeister nach Aegypten berufen wurde, nahm er die Kleine, um ihr Studium nicht zu unterbrechen, nach Alexandria, wo er sie französischen Nonnen in Obhut gab. Hier trat sie 1872 zum ersten- und einzigenmal als Wunderkind in die Oeffentlichkeit und wirkte mit zwei Nummern tapfer bei einer großen Veranstaltung mit.
Heimgekehrt, besuchte sie in Bologna die Schule mit solchem Eifer, daß zum Beispiel die Regententafel der römischen Imperatoren ihr heute noch im Gedächtnis haftet. Ihre Hauptarbeit galt freilich immerfort der Musik. Seit ihrem fünfzehnten Jahr lebte sie, fast an Kindes Statt, im Hause der edlen, kunstsinnigen Fürstin Corsini
5 in Florenz, wo ihre Ausbildung in jeder Hinsicht von den besten Lehrern vollendet wurde. Hier begann sie auch ernstlich das Studium des Gesanges unter den berühmtesten Meistern, die am Arno lebten. 6
Als letzter leitete den Unterricht Professor Vannuncieni 
7, der die Vorliebe seiner Schülerin für deutsche Musik höchst ungern sah. Er behauptete, diese verderbe die Stimmen. Als er dann einmal zur Stunde erschien und einen vergessenen Band Schubert auf dem Klavier entdeckte, brach er in hellen Zorn aus, lief davon und kam niemals wieder.
Von da an studierte die Barbi ‘bei sich selbst’, wie sie sagte. Bald war sie in ihrem Können so weit gelangt, um ‘entdeckt’ zu werden. Die florentinische Loggia del Bigallo ging dem Altersruin entgegen ; Malereien und Skulpturen hatten schwer gelitten. Um die Kosten der Wiederherstellung zu decken, veranstaltete die Aristokratie einen musikalischen Abend, in dem Alice Barbi mitwirkte. Sie spielte Violine, und sie sang ; sie war sehr schüchtern ; ihre Stimme noch zart ; um so rührender klang Rossinis Romanze von der Weide 
8.
Der Erfolg war märchenhaft. Die Königin Margherita von Italien ließ die junge geniale Dame zu einem Hofkonzert nach Rom einladen
9 ; ihrem Beispiel folgte Viktoria, die Königin von England.


-- V O E T N O T E N --

1 De meisjesnaam van Alice's moeder luidt hier Tomasetti. Gevonden is ook Tofanetti (Italia : Nati e Battesimi, 1806-1900, Modena).
2 Zuid Tirol hoorde eeuwenlang bij de Habsburgers en maakte van 1804 tot 1867 deel uit van het Kaisertum Österreich onder Ferdinand. Onder Franz Joseph (1867-1918) hoorde het bij de Österreichisch-Ungarischen Monarchie.
3 Aldo Enrico Maria Barbi *Modena, 12 nov 1843 (Italia, Nati e Battesimi, 1806-1900, Modena) was veertien jaar oud toen zijn dochter Alice geboren werd. Hij verhuisde in 1859, snel na de geboorte van Alice, van Modena naar Persiteco (vgl. Antolini). Dat zou verband kunnen houden met de schande die hij over de familie Barbi had gebracht. Hij moest geld verdienen en werd violist in het orkest aldaar. Hij werd de primarius en was jarenlang directeur van de muziekschool waar Alice haar vioolstudie begon.
4 Alice leerde van haar vader Enrico Barbi, zelf begenadigd violist en leraar aan verschillende vooraanstaande conservatoria in o.a. Rome, al op jonge leeftijd veel over muziek. Naast viool en zang onderrichtte hij haar in muziektheorie. Ze speelde op 7-jarige leeftijd viool als een wonderkind in spe, speelde piano en zong.
5 Prinses Ida Corsini : er wordt op Wikipedia en in het Borgo-artikel gesuggereerd dat deze prinses een vriendin van moeder Barbi zou zijn. Antolini schrijft dat prinses Ida begin zeventiger jaren Barbi ergens in een Toscaanse spa heeft ontmoet, gehecht raakte aan het getalenteerde meisje, haar in huis opnam en haar de gelegenheid bood een exquise muziekopleiding in Florence te volgen.
6 Alice woonde dus bij de Corsini's. Daar kwamen veel muzikale beroemdheden over de vloer van wie ze advies kreeg vooral haar zangcarrière op te pakken ; Francesco Paolo Tosti, Franz Liszt.
7 Vannuncieni is schrijf- of drukfout : de naam wordt altijd Vannuncini geschreven.
8 Het concert voor restauratie van de Loggia vond plaats op 25 mrt 1881. De Romanze van Rossini is Assisa a' piè d'un salice is uit de opera Otello.
9 Het hofconcert vond plaats op 27 mrt 1882. Zeer kort daarna regelde impresario Carlo Andreoli (*Modena 1840-1908) – zelf ook musicus, pianist, bevriend met Joseph Joachim – een concert voor Barbi in Milaan op 2 april 1882. Dit concert wordt in het algemeen als haar zangdebuut beschouwd. Maar Alice zong in Florence al op 1 dec 1880 tijdens een concert in de Accademica Filharmonica.

-- A L G E M E E N  C O M M E N T A A R --

Een zekere Giovanni Barbi was getrouwd met Carolina Fabbri. Zij kregen op 12 nov. 1843, wonende te Modena, een zoon, Aldo Enrico Maria Barbi (roepnaam Enrico). Deze Enrico was 14 jaar oud toen hij met Maria Tofanetti of Tomasetti op 1 juni 1858 een kind kreeg. Ze waren ongehuwd. Later werd er over een "frühzeitige Heirat" gesproken. Het kind werd Alice genoemd. Er volgden nog drie meisjes. Een zus (naam onbekend) van Alice trouwde Dante Mattinzzi, eigenaar van de grootste muziekhandel in Bologna, de tweede zus van Alice, Emilia Vittoria Clementina Barbi (*Modena 27 maart 1877) trouwde met dr. Adolfo Ferratini, professor in de chemie aan de universiteit van Messina, en de jongste (naam onbekend) trouwde een arts, Dr. Giacomo in Montegaldella bij Vicenza. De ouders Barbi-Tofanettti waren afkomstig uit gegoede families. Hun vier dochters trouwden op stand. Over hun eigen huwelijk is praktisch niets met zekerheid bekend.
   Over Barbi's moeder verneemt de lezer van Herzfeld alleen dat haar familie uit Nonstal in Zuid-Tirol afkomstig is, gelegen aan de Torrente Noce 20 km van Bozen (= Bolzano) in Italië, midden in de Tiroolse Alpen. De meerderheid van de bewoners is duitstalig. Geen woord over de drie zusjes van Barbi, die de oudste was.
   Vader Enrico had zich in in 1859 in Persiceto gevestigd, Alice werd daarom vaak "una persicetana" genoemd. Het dorp San Giovanni in Persiceto, gelegen in de provincie Bologna, werd 1912-1927 om anticlericale redenen Persiceto genoemd ; de naam is onhandig lang, dus men schrijft vaak Persiceto en zegt Sanzwâ. Enrico bleef er tot zijn dood in 1906 wonen, gaf vioolles en speelde in plaatselijke ensembles. Maria Barbi-Tofanetti liet Enrico en hun kinderen in de steek (wanneer is onbekend) -- "la madre pianta in asso il marito" -- (Giorgina Neri in BORGO ROTONDO, dec. 2011) en ging in Bologna bij haar moeder wonen ("dalla genitrice").

----    ----

In nov 1869 was het Suezkanaal geopend onder enorme belangstelling van staatslieden en burgers uit alle windstreken. Enrico kreeg in 1870 in Egypte, Alexandrië, als concertmeester van een orkest (vermoedelijk in oprichting) een benoeming. Vanaf het jaar 1860 kreeg Alexandrië een kosmopolitische identiteit ; veel Europeanen vestigden zich in deze stad waarbij ze zich niet assimileerden aan de lokale Egyptische bevolking. Ze richtten hun eigen scholen, kerken, clubs op en behielden zo de culturele eigenschappen van hun land van afkomst. Enrico zal zijn dochter gedurende de bootreis hebben laten optreden om haar vertrouwd te maken met het geven van een voorstelling. Een boottocht over het kanaal was een gewilde attractie. Enrico zal met Alice in de twee jaar dat ze in Egypte woonden, Port Said (gesticht in 1859, met ook daar een Europese enclave) hebben bezocht. Prins Hendrik 'de zeevaarder', broer van koning Willem III, liet er een hotel voor de verwachte zakenlieden, toeristen en Indiëgangers bouwen. Enrico bracht Alice op het internaat van de Franse nonnen in Alexandrië zodat ze haar studie kon voortzetten. In Alexandrië trad Alice als wonderkind in de openbaarheid op. Teruggekeerd in Italië in 1872 kreeg Alice zowel viool- als zangles.

Violiste / Zangeres
Vanaf haar vijftiende jaar (ca 1873) woonde Alice in Florence bij de graaf en gravin Corsini van Tresana, waar Franz Liszt haar een glansrijke artistieke toekomst voorspelde. Ze kreeg van de beste docenten onder meer een grondige opleiding in muziektheorie en vreemde talen. Anderen werkten aan de vervolmaking van haar vioolspel. Ze kreeg haar eerste officiële zanglessen o.a. van Luigi Vannuccini (1828-1911).
   In de beginjaren van haar muzikale loopbaan concentreerde ze zich op haar vioolspel. Ze speelde solo's bij het Weens Damesorkest dat o.a. op 7 nov 1874 in Plymouth een concert gaf, Alice was destijds 16 jaar oud. Daarna speelde ze vioolsolo's bij het Europeesch Dames-Orchest (1876-1878), dat in 1876 na Zweden ook in Nederland concerten gaf. Langzamerhand putte Alice geen voldoening meer uit het orkestrale leven. Ze wilde méér dan meewerken aan het statisch gebeuren van veertig op een podium zittende dames. Ze wilde meer contact met het publiek. Bij de combinatie van poëzie, muziek en persoonlijke voordracht voelde ze zich pas gelukkig. Ze voelde sterk de behoefte om zich als kunstenaar te uiten en haar muzikale grenzen te verkennen.
   In de Biblioteca della Musica di Bologna valt te lezen dat Alice Barbi in 1878-1879 leerling viool en altviool was aan het Liceo Musicale van Bologna. Carlo Verardi staat daar tot 1878 als viooldocent te boek. Hij overleed namelijk op 15 nov 1878 en werd opgevolgd door Federico Sarti. In 1879 deed Alice eindexamen, waarvoor ze o.a. de Ëtudes van Graviniès instudeerde. In Bologna kreeg Barbi zangles van L. Zamboni en A. Busi. Een herdenkingsrede over Alessandro Busi, "prof. di contrappunto, composizione e canto nel Liceo musicale" werd tijdens een bijeenkomst in 1896 gehouden in de Regia Accademia Filarmonica di Bologna door president Luigi Torchi (als boekje van 32 blz. gedrukt). "Nel 1850 la Bertinotti, più che settuagenaria, si ritrava anche dall'ínsegnamento non prima però d'aver passato le consegne al nipote Cesare R. Bertinotti, musicista, coadiuvato dal tenore Luigi Zamboni che si rivelò presto un ottimo docente."
           (Strenna storica bolognese, Volume 40, p. 14-27).

     
 Teatro Comunale Persiceto,  Wikipedia © Public Domain.
 
Giorgina Neri schrijft in haar artikel in Borgo Rotondo (lokale uitgave van de Comune di San Giovanni in Persiceto) dat Alice Barbi haar zangdebuut als mezzosopraan maakte in het plaatselijke Teatro Comunale in de opera "La forza del destino" van Verdi. Het zou de enige keer geweest zijn dat Barbi zich aan een operadrama gewaagd heeft.
   Het Teatro Comunale di San Giovanni in Persiceto is in 1786 gebouwd en in 1860 gerenoveerd. Tijdens WO I is het gebouw voor graanopslag gebruikt, en nadien als bioscoop ingericht. Gedurende WO II is het verwoest maar uiteindelijk volledig in de oude staat hersteld.
   Alice zal met haar vader regelmatig in deze zaal te vinden zijn geweest.


Volgens Antolini is Alice Barbi voor het eerst als musicus te vinden op 28 mei 1880 tijdens een liefdadigheidsconcert in Bologna . Ze speelde daar piano ! Tegelijk met 23 andere pianisten op 12 vleugels bracht ze o.a. een menuet van Boccherini. In 1880 trad ze ook op als violiste, in Bologna, dat bleef niet onopgemerkt. Biaggi beschreef zelfs een optreden uit 1872 in Bologna, waar ze (een kind nog) voor haar vioolspel bejubeld werd.
   Alice's zangdebuut was, zo schrijft Antolini, op 1 dec 1880 in Florence, in de Accademica Filharmonica, waar ze onder meer Rossini zong (Una voce poco fa) uit de Barbier van Sevilla. Niet het wijd en zijd vermelde concert van 2 april 1882 in Milaan was haar eerste zangoptreden. Op 17 jan 1881 werkte ze, ook in Florence, mee aan een concert waar ze Haydn en Meyerbeer bracht.
   Op 25 maart 1881 zong en speelde ze tijdens een door de aristocratie georganiseerde muziekavond om geld in te zamelen voor de afwerking van de Loggia del Bigallo in Florence. Ze speelde viool en ze zong. De Loggia was in 1865 gerestaureerd, maar in de jaren 1880-1882 waren toch renovaties nodig.
   Gravin Ida Corsini had nauwe contacten met koningin Margherita van Italië. De koningin nodigde de uitzonderlijk getalenteerde jongedame uit voor een hofconcert. Alice genoot sindsdien de gunst van de Italiaanse koningin, deze Margherita van Savoye steunde kunstenaars en schrijvers en richtte verschillende culturele organisaties op. Zo zong Alice op 27 maart 1882 in het Quirinaal te Rome. Kort daarop regelde impresario Carlo Andreoli (*Modena 1840-1908) – zelf ook musicus, pianist, bevriend met Joseph Joachim – een concert voor Barbi in Milaan op 2 april 1882. Er volgden concertreizen waar ze met liederavonden in de jaren '82 t/m '86 door heel Engeland reisde. Ze bleef naast zang viool studeren want op 5 juli 1882 speelde ze de 'Caprice de Concert' (uit 1871) van Ovide Musin (1854-1929, Belgisch violist en componist), op piano begeleid door de negenjarige (!) Cesare Galeotti (1872-1929, Italiaans toekomstig componist, dirigent en concertpianist) in St. James's Hall te Londen. Dat moet quite a happening geweest zijn met deze twee jonge hoogbegaafden.

          
                The Morning Post 6 juli 1882

Barbi kwam voor 1883 al in Engeland. Ze maakte dan onderdeel uit van een concertprogramma van bijv. Joachim.. Na 1883 was ze tijdens de concerten het hoofd- (of enige) programmadeel.
   Het is aannemelijk te veronderstellen dat Francesco Paolo Tosti (1846-1916) Barbi naar Engeland gehaald heeft. Hij heeft haar horen zingen toen ze bij de Corsini's in Florence woonde. Tosti kwam door zijn vriend Sgambati in contact met de toenmalige prinses Margherita, Tosti werd haar zangleraar. In 1875 ging hij voor het eerst naar Londen en woonde daar sinds 1880 permanent tot 1913. In de jaren '80 verbleven veel Italiaanse musici gedurende het seizoen in Engeland. In 1885 was Tosti de populairste liedcomponist van Engeland. Hij werd in 1894 tot leraar aan de Royal Academy of Music in Londen benoemd. Als zangleraar van de koninklijke familie, hij was genaturaliseerd tot Brit, werd hij in 1908 geridderd. Tosti heeft enkele van zijn liederen aan Barbi opgedragen. In 1913 ging hij naar zijn geboortegrond bij Rome terug om er in 1916 te sterven.

MADAME PUZZI'S CONCERT

Madame Puzzi gave her annual concert on Monday afternoon at St. George's Hall, under the most distinguished patronage. As usual, a very liberal and representative programme was provided ; liberal with regard to the variety and quantity, and representative inasmuch as it contained many new pieces by rising composers, combined with works of established popularity. The artists who had undertaken to assist Madame Puzzi (with the exception of Madlle. M. Marimon, who was laid up with bronchitis in Paris) were all present, viz., Madlle. Eugénie Papritz, Madame Colonibo Mattel, Miss Alice Barbi, Miss Mary Cummings, Miss Hope Glenn, Miss De Fonblanque, and Madame Marie Roze, with Messrs. C. T. Cobham, Shakespeare, Maas, Zoboli, Foli, Von Zur-Mühlen, and Maybrick, and Mr. Edward Plater's Glee Union as vocalists ; M. Ovide Musin, violin ; Signor Tito Mattei, the Chevalier E. Pirani, as solo pianists, with Messrs. Pinsuti, Romano, Parker, and Ganz as accompanists. The hall was filled by a distinguished and genial assembly, who enjoyed the music and the performance, which was not only good in character, but plentiful in measure.
        Morning Post 24 mei 1882.

De duitse Wiki, update 18 oct 2018, zegt : “Kurz darauf sang sie bei einem Konzert im Quirinalspalast [regeringsgebouw] in Rom vor der italienischen Königin unter der Leitung des Komponisten Giovanni Sgambati. Als königliche italienische Hofsängerin begab Alice Barbi sich auf erfolgreiche Konzerttourneen durch die italienischen Musikzentren. Des weiteren nach England, wo sie erstmals 1884 in den Londoner Popular Concerts auftrat, Deutschland, Österreich, wo sie 1889 erstmals in einem Konzert in Wien auftrat und auf eine große Russland-Tournee 1888, die sie bis nach Taschkent und Samarkand führte. Als sie wegen ihrer Heirat mit dem deutsch-baltischen Baron Boris von Wolff-Stomersee, dem Kabinettssekretär der Königin Olga von Württemberg, [...] am 21. Dezember 1893 in Wien ihr Abschiedskonzert gab, kam der greise Johannes Brahms aus dem Publikum auf das Podium [*onzin*] und übernahm die Klavierbegleitung. Nach dieser Heirat lebte sie zumeist auf den Besitzungen ihres Gatten in Russland / Livland und an der italienischen Riviera.”


   De grafsteen op het kerkhof van Persiceto, waarop Enrico's gelaatstrekken vereeuwigd zijn.
uit marmer geheiteld door Leonido Malaguti (Malaguzzi?)
 Borgo Rotondo dec 2011

ALLA MEMORIA DI
ENRICO BARBI
ESIMIO VIOLINISTA E CULTORE DI MUSICA
SOCIO DI MERITO DELLA R. ACCADEMIA DI SANTA CECILIA
IN ROMA

LA FIGLIA ALICE BARONESSA DI WOLFF-STOMERSEE
PIENA L'ANIMO DI AFFETTO E GRATITUDINE
PER LUI CHE LE FU NELLA VITA
ESEMPIO DI MITEZZA INTEGRITÀ E MODESTIA
E NELL' ARTE
AMOREVOLE VALENTISSIMO MAESTRO
QUESTA LAPIDE POSE

M C M I X

[ P r o f e s s o r  E n r i c o  B a r b i ]
Von geschätzter Seite wird uns geschrieben : Am Gründonnerstag starb in S. Giovanni di Persiceto bei Bologna der Vater Alice B a r b i s, Professor Enrico B a r b i, in verhältnismäßig jungen Jahren ; er hatte die gute Seite der Sechziger noch nicht überschriten. Er entstammte einer italienischen Offiziersfamilie, deren letzte Sprossen sich der Kunst und Wissenschaft zugewendet hatten ; der bekannte Dante-Forscher Michele Barbi war sein Verwandter. Ein eminenter Geigenspieler, hatte Enrico Barbi sich zuerst der Virtuosenlaufbahn gewidmet ; doch eine frühzeitige Heirat und eine gewisse Vorliebe für ein ruhiges, geregeltes Leben ließen ihn diese Laufbahn nicht bis zu den Höhen der großen Ruhmes verfolgen, zu dem sein Talent und sein können ihn prädestinierten. Er wirkte als vorzüglicher Lehrer an verschiedenen Konservatorien, als Primgeiger in großen Orchestern und war Ehrenmitglied der Königlichen Accademia di St. Cecilia in Rom. Er erkannte frühzeitig das musikalische Genie seiner ältesten Tochter, die er vom zartesten Alter an aufs sorgfältigste im Violinspiel unterrichtete ; später vor die Wahl zwischen Geige und Gesang gestellt, entschied sie sich für letzteren. Professor Barbi war Künstler durch und durch, nicht bloß ein trefflicher Musiker, sondern auch ein unbewußter Poet. Seine Briefe waren kleine Meisterwerke plastischer Phantasie und naiver Erzählerkunst. In jeder Lebensäußerung originell, eine warme, aufrechte Natur voll Wahrhaftigkeit und Stolz, war er würdig, Alice Barbis Vater zu sein, die ihm in vielen Zügen ihres Talentes und ihres Wesens gleicht, wenngleich die zaubervolle Anmut eher von ihrer verstorbenen Mutter stammt, einer wunderschönen, reich gegabten Frau, deren Familie aus dem österreichischen Nonntal nach Italien ausgewandert war. Professor Barbi hinterläßt vier Töchter, deren älteste bekanntlich an den livländischen Gutsbesitzer und russischen Geheimen Staatsrat Freiherrn Boris von Wolff-Stomersee vermählt ist ; eine Schwester Alice Barbis ist mit Dante Mattinzzi, dem Inheber der größten Musikalienhandlung Bolognas, eine andere mit dem Professor der Chemie an der Universität zu Messina, Dr. Ferratini, und die jüngste mit einem Artzt, Dr. Giacomo Borin in Montegaldello bei Vicenza, verheiratet.

       Neue Freie Presse 20 april 1906

Dieser Erfolg -- es war ja alles wunderschön, entsprach aber nicht auf die Dauer den Wünschen Alice Barbis. Sie fühlte sich als Künstlerin und ersehnte stärkere Proben ihres Könnens, ein weiteres Feld für ihr Wirken, die die Höfe ihr boten. Mit Rat und Beistand des in London lebenden Professors Cesi 1 schloß sie einen Vertrag ab, der sie auf einer Konzertreise durch ganz England führte 2 – zuerst als Mitwirkende des großen Geigers Josef Joachim, und zwar als Sängerin. Sie hatte eingesehen, sie müsse wählen zwischen den zwei anspruchsvollen Instrumenten, der Violine und der Geige, und ihr Urteil wies ihr den richtigen Weg. In England weilte sie oft als Gast im Hause des Mr. Leyland, eines reichen Reeders, der seinen Speisesaal Whistler zur Gestaltung überlassen hatte. Der bizarre Künstler überzog, zum Entsetzen Leylands, die wundervolle spanische Goldledertapete mit Farbe und malte Pfauen darauf. Das führte zu Verdruß, zu Streit ob des Honorars ; Whistler behielt recht und malte zur Rache das Zimmer fertig, indem er über dem Kamin einen Hahnenkampf malte, wobei dem einen Vogel die Goldfedern tüchtig gerüpft werden. Das Pfauenmotiv nahm die Goldstickerei eines blauen Tischläufers wieder auf, dessen samtene Pracht man von der Platte nicht entfernen wollte. So verzichtete man darauf, die Tafel mit einem Damasttuch zu decken und stellte Teller, Glaswerk, Silber direkt auf das Mahagoniholz : eine Sitte, die sich dann überall eingebürgert hat. In dem berühmten Peacock-Haus des Mr. Leyland (und auf dem Land in seiner Villa) fand man eine erlesene Sammlung italienischer Kunst aus dem Quattrocento, unter andern eine Folge kleiner Szenen, die Botticelli nach einer Novelle des Boccaccio für Hochzeitstruhen gemalt hatte. Da sah man ferner Gemälde und Entwürfe der Praeraffaeliten, die zu Leylands Freunden gehörten ; es gab da, zum Beispiel den Karton von Burne-Jones „Goldener Treppe”. Welche Einführung, dieses Haus, in das künstlerische Leben, für ein junges Gemüt gleich dem der Barbi, das für Schönheit schwärmte ! Wohl an die zwei Jahre verbrachte sie  in England, singend,
    

schauend, lernend. 3 Dann ging sie nach Rußland 4 und gab stürmisch bejubelte Konzerte. Einmal folgte sie sogar einer Einladung des Gouverneurs General Kaufmann, kam bis nach Turkestan und begeisterte durch ihre Schönheit einen georgischen Häupling so sehr, daß er sie heiraten wollte und ihrem Vater 10.000 und noch mehr Schafe für sie bot. Nachdem sie Deutschland im Siegeslauf erobert, kam sie 1888 5 zum erstenmal nach Wien. Was sich hier zugetragen, brauche ich kaum zu schildern. Hanslick hörte sie bei ihrem ersten Konzerte, in dem die Unbekannte nur vor drei bis vier Reihen der Zuhörer sang ; er schrieb einen herrlichen Aufsatz über sie und am gleichen Tag stürmte man die Konzertkasse bei Gutmann ; alle wollten die Barbi hören. Der dritte Liederabend fiel auf jenen verhängnisvollen Februartag, an dem der Kronprinz Rudolf auf der Bahre lag. Das Konzert wurde abgesagt, verschoben, doch niemand gab sein Billet zurück, sondern wartete auf das Ersatzkonzert. Von da an hatten wir in Wien jedes Jahr drie bis fünf Liederabende der Barbi – musikalische Feste, die sich mit nichts vergleichen ließen. Schon der Anblick des Saales – alles anwesend, was die Stadt an Adel des Geistes, der Geburt, der Schönheit besaß. In allen Herzen pochende Erwartung. Liebesbereitschaft für alles Große, die selige Täuschung eines einzigartigen Augenblicks, als wäre man mit all diesen Menschen zu einer hohen Gemeinschaft im Namen edelster Kunst verbunden. Das ungefähr die Stimmung, die uns jedesmal im Bösendorfer umfing. Wer dabei war, lächelt nicht ; denn er hat es an sich selbst erfahren. Wenn dann die Barbi auf dem Podium stand, der rauschende Applaus, der sie empfing, verschollen war, sie einen Moment sich sammelte un währenddessen ihr machtvoller Blick die Hörer in Bann schlug, ehe sie den Mund geöffnet hatte – wer trüge das nicht in seiner Erinnerung ! Strömten aber dann die ersten Töne des herrlichen „Come raggio di sol” groß und feierlich in den Saal hinaus, so überrieselte es einen wie mit einem Schauder des Glücks und des Entzückens . . .


-- V O E T N O T E N --

1 Met Cesi zal Herzfeld Tosti bedoeld hebben. De pianist Beniamino Cesi kwam pas in juli 1885 voor de eerste keer naar London, Barbi was op dat moment al een bekendheid in het Verenigd Koninkrijk. In Juli 1886 gaven Cesi en Barbi samen twee concerten in Londen. De componist, pianist en zanger Paolo Tosti woonde sinds 1880 in Londen, hij kende Barbi uit Florence.
2 Voordat Alice in de zomer van 1883 haar jarenlange concertreeks in Engeland begon, gaf ze concerten in Italië, geïnitieerd door Bazzini ; in Brescia, nogmaals Milaan (ook als violiste), Verona, Padua en Venetië.
3 Barbi gaf in de jaren tussen 1883 en 1886 iedere zomer concerten in het Verenigd Koninkrijk. Veel Italiaanse musici (zangers, pianisten, violisten en componisten) trokken in die tijd naar de Engeland om concerten te geven.
4 Begin 1887 zong ze achtereenvolgens in Helsinki en Berlijn. In februari in Nederland en in maart gaf ze drie concerten in St. Petersburg.
5 In Gutmann's Aus dem Wiener Musikleben, 1914 is in het hoofdstuk over Barbi een portret van haar weergegeven met het onderschrift : Albert J. Gutmann in dankbarer Erinnerung an meine Wiener Concerten 1889-1905. Alice Barbi Baronin Wolff Stomersee. Hetgeen zou kunnen betekenen dat Alice in 1889 voor het eerst in Wenen zong. Maar Antolini geeft 1888 of begin 1889 met een vraagteken.

-- A L G E M E E N  C O M M E N T A A R --

image.png

-------

image.png

------

The concert given by Signorina Alice Barbi on Thursday at Sir Julian and Lady Goldsmid's house was one of the best and most fashionably attended concerts of the season. Signorina Alice Barbi sang eight pieces, including songs of Gluck, Bononimi, Caldara, and Jommelli, composers who flourished towards the commencement of last century, and which few except the students of old music have often the opportunity and the charm of hearing. Signora Alice Barbi limited herself to singing music of a classical character, and did so with unrivalled perfection. Her singing of Schubert's "Trock'ne Blumen," and Haidenröslein, and Schumann's "Widmung," was most perfect. She was assisted by the Chevalier Lebano, by Signor Ezio Ciampi-Cellai, who possesses a splendid and powerful voice, by Madame Carlotta Patti, Signor Papini, the Chevalier Eugenio Pirani, who has acquired so great a reputation in Berlin as a pianist, and by the Chevalier Ernest de Munck. Signor Vannuccini, Mr.Bird, and Signor Caracciolo accompanied.
     Morning Post 9 July 1883

Op 19 feb 1885 zong Barbi in Manchester tijdens een concert waaraan ook Joseph Joachim meewerkte. In de aankondigingen stond Vocalist : Signorina Alice Barbi boven Solo Violin : Herr Joachim vermeld. In 1887 werkten ze weer samen bij een concert in Berlijn, Joachim dirigeerde de orkeststukken, Alice zong met een pianist.
   Pas in jan 1889 (vgl. Gutmann) kwam Barbi voor het eerst als zangeres naar Wenen, waar ze voor 54 toehoorders (zat Brahms er tussen ?) een concert gaf in de Bösendorfer-Saal. Niet in 1872 zoals Graf p. 181 beweert. Albert Gutmann nam in 1889 het risico de onbekende Barbi te boeken. Wenen beschouwde zich als het centrum van de klassieke = duitse muziek en als hoeder van dit erfgoed. - Die Wiener waren mit Wagners Werk erstmals durch Johann Strauß Sohn in Berührung gekommen, der oft Bruchstücke aus Wagners Opern zur Aufführung brachte. So hörten sie im März 1853 im Volksgarten die Einleitung zum dritten Akt "Lohengrin" und den Pilgerchor aus "Tannhäuser" und ein Jahr später im Sophiensaal das Tannhäuser-Vorspiel, wobei ein verstärktes Strauß-Orchester spielte. - Ook voerde Strauß delen uit de onspeelbaar geachte Tristan und Isolde uit bij zijn concerten in de Volksgarten.
   Men kan zich voorstellen dat Brahms, in wiens omgeving gehoorzame jongelingen volgens de conservatoriumregels bloedeloze symfonieën schreven, de walskoning een warm hart toedroeg. Zelf kon Brahms uit het blote hoofd een uur of langer dansmuziek voor feestgangers spelen en improviseren. Zo had hij in Hamburg als tiener in kroegen en bordelen uren spelend door moeten brengen om zijn ouders te steunen in het gevecht tegen de armoede.

Miss Alice Barbi, who will be well remembered as a prominent vocalist in England a season or two back, and who is now better known in private life as Madame Tosti, * has been appointed Imperial Court singer to the Emperor of Austria, an appointment which carries with it some emolument and a good deal of credit. This lady had the reputation of being drawing-room singer in London during the period in which she sang regularly in public, but has not appeared often in this country during the last year of two. She is the possessor of a singularly refined and artistic method which always enabled her to display her pure soprano voice to the best advantage. For a short time Miss Barbi took the part of Gretchen in Planquette's succesful operetta, "Rip Van Winkle", which had one of the longest runs upon record ; but her stage experience was not of a kind to enable her to fully satisfy the ordinary run of frequenters of light opera, and her admirable singing was not properly appreciated.
     Manchester Courier and Lancashire General Advertiser - Monday 28 July 1890.

* Madame Tosti ? Persoonsverwisseling. De Britse zangeres Berta Pierson Verrue was in 1889 getrouwd met Francesco Paolo Tosti. Zij was bekend in de Londense muzieksalons en trad ook op in lichte theaterproducties onder het pseudoniem Mademoiselle Baldi. De reporter heeft de klepel in de verkeerde klok gehangen.

In 1854 beleefden Praag en Graz de uitvoering Tannhäuser Wagner (*1803, dus twintig jaar ouder dan Brahms). Het behoudende Wenen volgde in 1857. Wenen was zo conservatief dat een geplande uitvoering van Wagners Tristan door de Opera afgelast werd. Het werk werd als immoreel bestempeld. Wagner zelf probeerde het nog eens in 1861 maar na 77 repetities werd Tristan ‘moordend voor de stemmen’ verklaard. De eerste volledige Tristan in Wenen werd 4 oct 1883, na Wagners dood, door Hans Richter gebracht. Bruckner trof hetzelfde lot. Barbi verging het heel anders. Trokken Barbi en haar programma de eerste keer weinig publiek, haar twee volgende concerten waren uitverkocht en ook alle volgende tot haar afscheid in 1893.
   Haar zangcarrière explodeerde als het ware. Impresario's haalden haar o.a. naar Rusland, Roemenië, Polen, Engeland, Oostenrijk, Zweden, Denemarken, Zwitserland, Finland, Duitsland. Ook kwam ze naar Nederland. Mej. Barbi uit Bologna gaf hier in de jaren 1887 t/m 1892 liederavonden in verschillende concertzalen. Ze kreeg kritieken die meer dan lovend waren.
   Gutmann schreef in zijn Wiener Musikleben over het ontstaan van de Liederabende in Wenen. Er waren weinig zangers die de moed hadden zoiets aan te durven. Langzamerhand, midden jaren '70, begon het publiek de liedkunst in de concertzaal te waarderen. Gutmann haalde o.a. Amalie Joachim en Johannes Messchaert naar Wenen. Maar : Die Begeisterung des Publikums für Liedervorträge erreichte erst ihren Höhepunkt, als der sonnige Süden uns eine Wunderblume sandte, die Alice Barbi hieß. ★ Hier ★ is Gutmann's hoofdstuk over Barbi in te zien.
   De combinatie van haar Italiaanse gevoel voor melodie, zuidelijke schoonheid en rechtstreeks uit de ziel voortvloeiende expressieve vertolking, ze beoefende ‘Seelenkunst’, maakten haar tot een bijzondere artieste.
Behalve de liederen van Schubert en Schumann nam Alice liederen van Hugo Wolf en Brahms in haar repertoire op. Ze zong zoals ze gewend was viool te spelen : "Man muß so viel auf einen Atem nehmen, wie man auf einem Bogen nimmt".
   Ze raakte nauw verbonden met Brahms en zijn muziek. Brahms schreef Clara Schumann in feb 1890 dat veel liederen niet mooier gezongen konden worden dan door Barbi. Hij werd toen hij haar voor de tweede keer hoorde getroffen en beval Clara Schumann aan, Barbi ter kennismaking uit te nodigen in haar huis in Frankfurt. Brahms schreef Clara : “daß man das Schumannsche Lied Mutter, Mutter überhaupt nicht schöner singen könne, als er es von Barbi gehört habe”.

— Es gab Leute in Wien, die waren ernstlich erbost, daß Alice Barbi 1894 heiratete, weil sie durch ihre Ehe mit dem Baltischen Freiherrn Boris von Wolff-Stomersee der künstlerischen Laufbahn entzogen wurde. Sie gab noch vorher ein Abschiedskonzert, das sich, und nicht bloß vonseiten des Publikums, zu einer rührenden Ehrung für sie gestaltete ; denn statt mit ihrem gewöhnlichen Begleiter erschien die Barbi am Arm des großen Meisters der Tonkunst, Johannes Brahms, der sich ans Klavier setzte und sie von A bis Z akkompagnierte. Damit wollte er vor aller Welt dartun, wie sehr er sie bewunderte und schätzte, er, der ihr gesagt hatte : „Ich habe gar nicht gewußt, daß meine Lieder so schön sind” ; er der so genau die Sicherheit ihres musikalischen Urteils kannte, daß er sie bat, alle seine Vortragszeichen, seine Tempi, seine Tonarten nach Gutdünken zu ändern – ein Recht, von dem Gebrauch zu machen sie bei Brahms niemals Anlaß fand.

— Als Brahms, zu dessen Triumph als Liederkomponisten sie so mächtig beigetragen hatte, 1897 starb, kam die Barbi im Jahr darauf nach Wien und gab einen Abend, der nur s e i n e r Kunst gewidmet war und dessen Ertrag sie, als erste, der Errichtung eines Denkmals bestimmte. — 1902 nahm die Barbi ihre Konzertreisen wieder auf ; doch sang sie nur für wohltätige Zwecke. Diese Rückkehr zur Kunst fand ein viel zu frühes Ende. 1905 brach die Revolution in Rußland aus und griff im Sommer auf Livland über.
 
— Schloß Stomersee ging in Flammen auf. Die Familie kam wohl heil davon ; doch neben den Wundern einer Bibliothek sondergleichen, neben den Kunstwerken der Einrichtung verbrannte die alte Geige der Barbi ; es verbrannten ihre Noten, die zum Teil kostbare Widmungen trugen – eine von Bastien-Lepage ! 1 – ; es verbrannten alle Programme, Kritiken ; das ganze Künstlerleben der Barbi schien versunken. Der Eindruck auf ihre Seele war erschreckend. Es kam wie eine Versteinerung über sie. Sie konnte sich nicht mehr entschließen, zu singen, zu musizieren. Das dauerte jahrelang. Als man in Wien den Bösendorfer-Saal niederreißen wollte, richtete eine Gesellschaft junger Enthusiasten ein Schreiben an sie mit der Bitte, sie möge nach Wien kommen und noch einmal, zum Schluß und als letzte Weihe, in dem geliebten Raum singen. Die Antwort geschah wohl schweren Herzens, doch sie lautete : „Nein.” Dann folgte der Krieg ; es folgte die Russische Revolution. Im Februar 1917 erlag Baron Wolff einen Schlagfluß. Die Bolschewiken sequestrierten die Banken, in denen sein ganzes Vermögen ruhte. Zu erzählen, was die Barbi in diesen Zeiten durhgemacht hatte, würde zu weit führen. Es gelang ihr, unter dem Kugelregen der aufständischen Letten auf ein britisches Kriegschiff zu flüchten, das sie und ihre Kinder nach wochenlangen Lavieren zwischen den Gefahren schwimmender Minen nach England und in Sicherheit brachte. Von hier nach Italien heimzukommen,war ihnen nicht mehr so schwer.


-- V O E T N O T E N --

1 Jules Bastien-Lepage (1 nov 1848 – 10 dec 1884) was een van de schilders uit de begintijd van het Franse naturalisme. Geboren in Damvillers dicht bij Luxemburg, gestorven in Parijs.
Met Les Foins (hieronder afgebeeld), werd hij de leidende naturalistische schilder en had zoveel succes dat een kunstcriticus in 1883 schreef : "Iedereen schildert nu als Bastien-Lepage, zodat het lijkt alsof Bastien-Lepage net zo schildert als iedereen".
   Een van zijn bekendste schilderijen is het portret van Sarah Bernhardt. Hij componeerde niet. Dat hij een muziekstuk (van een Franse componist) aan Alice Barbi opdroeg, is onwaarschijnlijk, niet onmogelijk, maar ik vraag me af of de overlevering er niet een beetje naast zit. Bastien-Lepage woonde in Parijs maar was 1881-1884 voor zijn gezondheid meestal in Italië. Zou hij een portret van Barbi geschilderd hebben ?
Rodin heeft hem vereeuwigd in een beeld.

Jules Bastien-Lepage (1848-1884), Les Foins, 1877, olieverf op doek, 181 x 199 cm, Musée d'Orsay, Parijs       

image.png

Jules Bastien-Lepage / Les Foins {Hay Making] / 1877 / Musée d'Orsay, Paris / Wikipedia.   Auguste Rodin / Jules Bastien-Lepage / 1887 / Wikipedia.

————————       ———————       ——————

Brahms en Barbi

Brahms was verrukt over haar zang. "Ik heb mijn liederen voor het eerst horen zingen" bleef hij uitroepen nadat hij de gerijpte Alice Barbi in 1892 weer had horen zingen. Bij de eerste keer (misschien 1889) was hij nog niet bijzonder onder de indruk. Zij was een mezzosopraan met een fluwelen timbre en een volmaakt natuurlijke voordracht. Bovendien, omdat ze geen kracht op de stem zette, kon ze een smetteloze hoge bes² zingen.*) Ze had geen 'heruntergekommene Sopranstimme'. Ook kon ze een vioolrecital geven. Opera zong ze niet, op een paar aria's van Gluck, Rossini e.a. na die ze opnam in haar liederavonden, voorzover bekend met pianobegeleiding. Dus niet 'on stage'. In Verona zou ze Fidelio van Beethoven gezongen hebben ; wrs in Fidelio de rol van Marzellina. De aria ‘O wär ich schon mit dir vereint’ moet haar goed gelegen hebben.
       *) Billroth's comment on the physical aspects of singing the bigger Wagner roles [is] illustrated by Clara Schumann with her assertion that Joachim's wife "had ruined her high notes" in this way (Schumann-Brahms Briefe II, p. 546). Citation from Michael Musgrave, The cultural world of Brahms. In: Brahms, Biographical, documentary and analytical studies ed. Robert Pascall, 1983, p. 41.

Brahms en Barbi raakten innig bevriend. Brahms vertrouwde Ignaz Brüll of diens weduwe ooit toe dat zij de enige vrouw was met wie hij in de tweede helft van zijn leven wel getrouwd had willen zijn. Op 18 april 1892 lieten 'die fernen Geliebten' Brahms en Barbi zich wandelend fotograferen op de Ringstraße in Wien. Maar Barbi wimpelde zijn aanzoek af. Hij was te oud, zij wilde kinderen.
   De relatie was platonisch. Er werd natuurlijk hevig over geroddeld. Maar Alice trad op 30 jan 1894 in Menton in het huwelijk met baron Boris von Wolff-Stomersee (1850-1917) en op 26 apr 1920 in Londen met Pietro della Torretta (1873-1962), eveneens een man van adellijke afkomst.
   In dec. 1893 gaf Barbi drie concerten ten afscheid, het laatste begeleid door Brahms, in de Bösendorfersaal te Wenen (zie de onderstaande prent van dit evenement).


© Alamy / K6WGFK / IY01089013

Deze prent is ruim drie jaar na het concert, na Brahms' overlijden, vervaardigd. Links op de muur is namelijk Johannes Brahms 1833 1897 te lezen. Boven de deur Anton Rubinstein, boven de lamp Franz Liszt. "The occasion has been preserved for us in a lithograph by Ludwig Bösendorfer" (in: Giuseppe Tomasi di Lampedusa door Gioacchino Lanza Tomasi, 1998). Het is evenwel geen steendruk, het is een nieuwerwetsche fotodiepdruk.
“Ludwig Bösendorfer, the owner of the concert hall, had arranged for the event to be recorded in a heliogravure (the artist's name is not known)”. Peter Clive p, 19 (2006). De gravure is van een foto gemaakt.

Brahms voelde zich serieus aangetrokken tot deze vrouw ‘mit den verträumten schwarzen Augen’. Maar het mocht niet zo zijn. Alice trouwde 30 jan 1894 in Menton de Russische edelman Boris Baron von Wolff Stāmeriena. Van 1879-1892 was hij kabinetssecretaris van de grootvorstin van Rusland en koningin van Württemberg, Olga Nikolajevna. Na Olga's overlijden werd hij hofmeester van Tsaar Nicolaas II. Barbi en Wolff hadden elkaar in 1893 in Dresden voor het eerst ontmoet. Voorafgaand aan haar huwelijk reisde Alice naar Wenen om daar in dec 1893 drie afscheidsconcerten te geven. Tijdens het laatste van deze concerten, op 21 dec 1893, begeleidde Brahms haar aan de vleugel, tot verrassing van de toehoorders. Brahms had haar ‘gesmeekt’ of hij dit optreden mocht begeleiden. Alice liet zich dat geen twee keer vragen. Op het programma voor die avond stond geen pianist vermeld, wel "Für dieses Konzert sind sämmtliche Billete vergriffen". De programmering was een andere dan die van de tweede avond, waarop Alice door Georg Liebling begeleid werd. Het was geen all-Brahms avond, zoals Max Graf (p. 103) zich meent te herinneren. -- Max Graf heeft Brahms gekend ; hij was een van de psychiaters (Freud, Reik) die Oostenrijk tijdig verlieten. Graf ontkwam in 1938, voor de Anschluß, op het nippertje naar de U.S.A., Freud moest door vrienden min of meer gedwongen worden. -- Er klonk werk van Bizet ("Brahms had a special predilection for Bizet's Carmen and kept the score in his library, Max Graf), Bononcini, Händel, Pergolesi, Schubert en Schumann, en van Brahms An die Nachtigall ; Der Tod, das ist die kühle Nacht ; Ich muß hinaus en Meine Liebe ist grün, wat als een hommage maar ook als een verzwegen wederzijdse liefdesverklaring opgevat kan worden. Brahms zeker, en Barbi vermoedelijk ook, musiceerden die avond als bezegeling van de uitzichtloze genegenheid voor elkaar.
   Max Graf was er getuige van dat Brahms, op dat moment 60 jaar oud, liet horen dat hij nog steeds een groot musicus was. Brahms placht grote zangers op een aparte wijze te begeleiden. Niet, zoals te doen gebruikelijk, op de achtergrond zich schikkend naar de vertolking van de vocalist, maar zelfstandig partij gevend. Zo ook tijdens dit afscheidsconcert waar Brahms en Barbi, twee sublieme musici, elkaars gelijke waren in het liefdevol overbrengen van de composities op het publiek. Zij belichaamden op dat moment de muziek.
   Brahms zal voor dit concert duchtig geoefend moeten hebben, want hij was, voor zover bekend, in 1876 gestopt met solistisch optreden (recitals, concerten met orkest), wat inhield dat zijn speelvaardigheid nog verder verminderde. Zijn spel had aan precisie verloren, hij sloeg er te vaak naast. Brahms liet tijdens het begeleiden van zangers altijd een stevige baspartij horen, ''hij had een zware linkerhand''. Zijn spel was verstoken van de gecompliceerde nuances en kleurschakeringen die de spelers uit de Liszt-school kenmerkten. Zijn begeleidingen kropen niet weg in correcte ‘dienstbaarheid' aan componist en vocalist. Hij liet ze horen zoals ze waren, daarbij gebruik makend van een klassieke opbouw zoals hij deze ook in zijn symphonieën toepaste. Dat gold natuurlijk minder voor zijn volksliederen dan voor zijn kunstliederen.

Richard Specht (1870-1932) Oostenrijks dichter, (toneel)schrijver, muziekcriticus en musicoloog. Hij droeg zijn Brahms-biografie aan Barbi op :

AN ALICE BARBI

Die dunkle Stimme glaub' ich noch zu hören,
von Seele schwer, wie keine andre klang.
Versunkne Zeit hilft sie heraufbeschwören,
sie rief dies Buch, das jäh zum Licht mir drang.
Steig auf, geliebter Schatten ! Lebe wieder !
Und sprich zu ihr, froh deines guten Gebens,
zur ersten wahren Säng'rin deiner Lieder,
zur letzten wahren Liebe deines Lebens.

Na Brahms' overlijden op 11 april 1897 zong Amalie Joachim in de Bechsteinzaal in Wenen een hele avond Brahmsliederen ‘zum Gedächtniss des heimgegangenen Componisten’. Barbi zong op 30 maart en 1 april 1898 ter nagedachtenis een avond lang Brahmsliederen in de Bösendorferzaal ten bate van het fonds voor het geplande Brahmsmonument. Geheel in stijl overhandigde ze de volledige recettes aan het organiserend comité waarvan Joachim voorzitter was. Begin mei zou ze, van Nice naar St. Petersburg terugkerend, in Wenen nog een derde Wohlthätigkeits-Concert geven met een programma van oud-Italiaanse, Franse en Duitse liederen. Later liet ze zich in Wenen nog horen tijdens liefdadigheidsconcerten in 1902, 1903 en 1905.
   Alice koos haar repertoire altijd zeer zorgvuldig. Ze zong alleen liederen waarbij ze vol overgave, met al haar gevoel kon zingen. Wanneer ze met een vers geen Seelenverwandtschaft meer voelde zong ze het niet meer. Ze heeft zich door geen enkel bod laten overhalen naar Amerika te gaan. Ze was ervan overtuigd dat het lied daar niet voldoende werd erkend. Evenzo wilde ze geen opnames van haar stem laten maken. Ze vond dat de wisselwerking tussen musicus en publiek, die de schoonheid van een lied tijdens een concert mede bepaalt, niet op een grammofoonplaat te vangen was. Barbi en Brahms hadden veel gemeen.

Uitgaven

Barbi gaf in 1890 een album met tien 18e-eeuwse liederen uit bij Albert Gutmann, muziekhandelaar en impresario te Wenen, die haar naar Wenen had gehaald. Slappe kaft, foto van Alice op de franse pagina. Herdruk 2018. Wie de begeleidingen heeft geschreven wordt niet vermeld, Barbi kan het zelf gedaan hebben. De uitgave heeft een slappe kale omslag zonder opsmuk.
   Het hieronder afgebeelde exemplaar dat wij met veel geluk konden bemachtigen heeft een harde kaft, verluchtigd met een voorstelling van planten, guirlandes, een harp, een luit, een posthoorn, een muziekboek en een paar nachtegalen in de lucht. Een unicum. Speciaal voor Gutmann heeft Barbi het binnenwerk laten voorzien van een speciale kaft en een foto met dedicatie. In dit speciale Barbi Album (1890) staat een busteportretfoto van haar waarop ze een groot formaat onderscheiding draagt met het gezicht van een man en profil, een man met een sikje, een andere foto van Barbi dan in de gewone uitgave. Op deze foto schreef ze een opdracht van Barbi aan Gutmann. Linksboven schreef ze
     À Monsieur A. Gutmann afin qu’il se souvienne de mes concerts à la soutien desquels il a tant contribué.
En rechtsonder onder haar handtekening   5.3.91.   

   
    Het voorplat heeft ernstig geleden. Het boek moet lang op een natte ondergrond gelegen hebben.
         Coll. TK
Van
Van de opdrachten die Barbi aan dierbare kennissen en vrienden stuurde is deze gericht aan “Herrn K. Rath Albert J. Gutmann”, impresario, uitgever, hofmuziekhandelaar en organisator, die portretten van haar in zijn boek Aus dem Wiener Musikleben. Künstler-Erinnerungen (1914) opnam “in dankbarer Erinnerung an meine Wiener Conzerte 1990-2905”. De opdracht liet Barbi vergezeld gaan van de beginmaten van tekst en muziek van het lied Come raggio di sol van Antonio Caldara (1678-1763) en van de Sapphische Ode van J Brahms Rosen brach ich nachts mir am dunklen Hage. Ondertekend Alice Barbi / Baronin Wolff Stomersee. Tekening door Lorenzo, 1904, Wien.
   Het zijn twee lievelingsstukken van Barbi. Come raggio di sol heeft ze in haar bundel Musica antica italiana opgenomen. De ligging van de hele bundel is voor mezzosopraan, omvang bes/c - a2. Uitg. 1890, speciale luxe editie 1891. Daarin bijgebonden een prachtig portret van Barbi waarbij ze schrijft : À Monsieur A. Gutmann afin qu'il se souvienne de mes concerts à la réussite desquels il a tant contribué.

Het lied Nuvola d'oro van Alie Barbi verscheen in de bundel Album IL BEL CANTO (Milaan 1900) samen met werk van andere componisten.

Brieven van Alice Barbi aan Albert Gutmann uit de periode 1889-1908 : Hier in te zien

Barbi heeft ook poëzie geschreven. Sommige van haar verzen zijn door Antonio Bazzini op muziek gezet. Uitgegeven zijn :
Antonio Bazzini: "DUE STORNELLI: O luna bella, o luna innamorata en Sono stanca infin di lamentarmi". Parole di Alice Barbi. Per canto in chiave di sol con acc. di pianoforte. -- Een stornello is een lied in vrije vorm.
Antonio Bazzini: NUVOLA D’ ORO. Parole di Alice Barbi.


O luna bella               Coll. TK

 

Stornello 1

 O luna bella, o luna innamorata,
 Che mi rammenti tante dolci sere,
 Ora, che lo mio damo mi ha lasciata,
 Ti vorrei coprir di nubi nere.
 Ti vorrei far di nubi un fitto manto,
 Per nascondere a lui nell'ombra il  pianto.
 Ti vorrei far di nubi un manto fitto,
 Per nasconder così 'l mio core afflitto.

 L'ingrato s'è trovato un' altra bella
 Che dicon bionda come un Cherubine,
 Cogli occhi azzurri e colla vita snella,
 Col viso bianco e i labbri di rubine.
 Bionda come le spighe del frumento ;
 Le teste bionde sono il mio tormento.
 Bionda siccome l'oro che si fonde,
 Ah ! mi fan morir le teste bionde !

O schone maan, o maan van liefde, je herinnert me aan vele zoete avonden, nu mijn vriend me verlaten heeft,
ik zou je graag bedekken met zwarte wolken.
Ik zou er een dikke deken van willen maken om mijn tranen, mijn hartepijn in het donker te verbergen.

De ondankbare heeft een andere schoonheid gevonden, een blondje als een cherubijntje zeggen ze, met blauwe ogen en robijnen lippen, een wespentaille en een wit gezicht, en blond, blond als tarwe oren.
Blonde haren zijn me een kwelling. Blond als smeltend goud, ah ! ik ga dood van blonde hoofden.

Stornello 2

Sono stanca alla fin di lamentarmi ...
Non voglio più pensare a quel tormento.
Se mi ha lasciata voglio consolarmi
E di non pianger più fo giuramento.
E se qualcun di lui vorrà parlare,
Per non sentir mi metterò a cantare,
E se di lui qualcun vorrà ridire
Mi metterò a cantar per non sentire.

E s'egli scenderà nella vallata
Mi metterò a cantar degli stornelli,
E canterò che sono innamorata,
E che il mio bene ha gli occhi neri e belli.
E vuo' cantar in modo allegro e lesto :
Che ride mal, chi ride troppo presto ;
E vuo' cantare in tono acuto e sveglio :
Che, chi l'ultimo ride, ride meglio.

Sono stanca

 

Stornello 2

Dat geklaag, ik heb er genoeg van, langer wil ik
mezelf niet kwellen door steeds maar te denken
"hij heeft me verlaten". Ik red me wel, en ik zweer
geen traan meer om die knul te laten.
Als iemand over hem wil praten begin ik te zingen
om zijn naam niet te horen, en als iemand over hem
wil roddelen, zing ik er dwars doorheen
om het niet te horen.

En als hij naar beneden komt in het dal zet ik mijn stem op
en zing luid dat ik verliefd ben
en dat mijn lief welzeker mooie zwarte ogen heeft.
Ondertussen vrolijk aan het werk, zing ik verder
dat wie te vroeg lacht wel eens beteuterd
op zijn neus kan kijken, en op hoge toon
schal ik er achteraan
"wie het laatst lacht, lacht het best".

NUVOLA D’ ORO

Viaggia serena traversando il cielo
Una nube dorata ;
Languida in terra piega sullo stelo
Una rosa assetata.

Un solo effluvio del tuo fresco umore,
Può ridarmi la vita.
Abbi pietà d' un moribondo fiore
E gli concedi aita.

Ogni speranza mia pongo in te sola,
Nel mio istante supremo ... –
Ma la nuvola passa, e l' aura invola
Al fior l' olezzo estremo.

Tu sei la lieve nuvola dorata
Non curante del fiore,
E i' anima mia triste e desolata
È la rosa che muore.

 

EEN GOUDEN WOLK

Vredig drijft langs de hoge hemel
      Een wolk van goud.
Beneden buigt loom op haar stengel
      Een dorstende roos.

Een vleugje zuivere geur uit je kelk
      kan mij mijn leven teruggeven.
Heb meelij met de gedoemde bloem, o wolk,
      En help haar om te overleven.

Op jou alleen kan ik nog hopen,
      Dit is het laatste uur ... –
Maar voor wat regen gaat de wolk niet open,
       Weg zweeft de laatste rozegeur.

Jij lichte gouden hemeling, je schonk
      De bloem geen druppel levensvocht,
Mijn ziel is droevig, eenzaam en verlept.
      Zij is de roos die sterft.

Nuvola d'Oro                                                Vrije vertalingen TK.


Haar verzen, op muziek gezet door de vioolvirtuoos Antonio Bazzini uit Brescia, die in 1844 in Hamburg optrad toen Brahms daar nog woonde, dienden voor een Italiaans publiek. In anderstalige landen kon ze er niets mee. Maar Nuvola is door de uitgever F. Lucca te Milaan ook met Duitse tekst uitgegeven,

   Waarschuwing : Pakketpost / buitenmodel brievenpost uit het buitenland niet aangetekend laten verzenden. PostNL gaat dan afleveringnummers plaatsen en barcodenummers veranderen doordat ze na de ontslagrondes te weinig goed opgeleid personeel over hebben om e.e.a. goed af te handelen. Pakketten raken dus zoek. Of zijn bij aankomst in Ned. al geplunderd. PostNL werkt niet mee, enige kans voor de klant om zijn waardevolle stukken in handen te krijgen : klacht bij de Consumentenbond, Klacht.nl of advocaat in de arm nemen. Er zijn verschillende opslagplaatsen in Nederland met zgn onbestelbare post. Inkomstdatum wordt bijgehouden, na een jaar wordt het pakket vernietigd. Klant bezit alle, alle, alle papieren en gegevens, maar PostNL verschuilt zich achter o.a. 'redenen van privacy' en 'regels zijn regels' om maar niet een onderzoek te hoeven instellen met personeel dat er niet is. Wel heeft PostNL een telefoonkantoor voor de klantenservice, waar de medewerkers op elke vraag een standaard antwoord van hun scherm voorlezen. Ook beschikt PostNL over voldoende medewerkers om de zoekgeraakte post te laten vernietigen. Klacht via Cosumentenbond leidt ertoe dat het pakje naar de afzender in Milaan wordt teruggestuurd (regels zijn regels -- kan een maand duren). EK is naar Milaan gevlogen om het op te halen . . . "als de inhoud nog aanwezig is", ik hoor het de lezer al zeggen.

Barbi heeft ook zelf gecomponeerd. Wij hebben nog geen composities van haar gevonden in druk of als manuscript.

Veel composities werden aan Barbi opgedragen. O.m. door Francesco Paolo Tosti, Giuseppe Martucci, Antonio Bazzini, Eugenio Pirani, Luigi Caracciolo.

   
        Tosti           Martucci           Caracciolo

1. “Alla Sigra Alice Barbi / Senza di te ! / Serenata / Reminiscenze Abbruzzeti / Parole di Ferdinando Fontana / Invenzione di A. Paolo Tosti.
2. heruitgave 1945.

3. Unless -- Words by Elizabeth Barrett Browning, music by Luigi Caracciolo. Dedicated to and sung by Signorina Alice Barbi. G. Ricordi and Co., London 1888.

Volgens KLASSIKA -- Die deutschsprächigen Klassikseiten -- Johannes Brahms (1833-1897), Werke sortiert nach Opuszahl heeft Brahms geen lied aan Alice Barbi opgedragen.


     Coll TK

Il Ruscello e L'Augelletto uit  Endimione parte I  van Pietro Metastasio

Quel ruscelletto
Che l'onde chiare
Or or nel mare
Confonderà,
[ Nel mormorio
Del foco mio
Colle sue sponde
Parlando va. ]
      
Hoe melodie en tekst van het liedje verder lopen is niet bekend. Het karakter is pastoraal, het tempo Allegretto.
Barbi schreef de beginmaten "ter herinnering aan mijn verblijf in de ontwikkelde en kunstzinnige stad München".
        

Arietta di Paradies (Napoli 1700)
      Quel ruscelletto l'onde chiare
      or or col mare confonderà

Ricordo del mio passaggio
per la intelligente e artistica città di Monaco.
M
Alice Barbi                      18 novembre 90

Alice Laura Barbi, albumblad met autograaf notenschrift en italiaanse tekst. Gesigneerd en gedateerd 1890. Komt uit een verzameling autografen van het hotel Vier Jahreszeiten te München uit de jaren 1880-1895. München? Inderdaad, München wordt in het Italiaans Monaco di Baviera genoemd.


Baronin Alice von Wolff-Stomersee


 

De adellijke familie Wolff is afkomstig uit Sagan (het huidige Poolse Żagań) in Neder-Silezië. Sagan was een hertogdom, ontstaan uit de opsplitsing van het Hertogdom Silezië. De hoofdstad heette ook Sagan, ruim 100 km zuidoostelijk van Dresden. Sagan ligt aan de rivier de Bóbr, deze mondt uit in de Oder. Sommigee Wolffs verkasten begin 19e eeuw naar Lijfland, een tocht van bijna 1000 km.
  Boris von Wolff (5 oct. 1850–10 mrt 1917) uit het huis Stomersee was van 1879–92 kabinetsecretaris van koningin Olga van Württemberg. Hij was verantwoordelijk voor alle stichtingen tot nut van 't algemeen en liefdadigheid van de koningin, o. a. het Königin-Olga-Stift. Werd ‘Hofmeister des Zaren’ Nikolaus II. Wat deze functie inhield is niet helemaal duidelijk. De hofmeester was een vertrouweling van de tsaar, die tot minister bevorderd kon worden, Boris was een halve diplomaat die bepaalde zaken ‘regelde’. Zijn broer Paul (1866–1940) was Deputierter der russischen Reichsduma, livländischer Landrat, zat volledig in de politiek dus. In elk geval vertoefde Boris meestentijds in Petersburg aan het hof van de tsaar. Zijn oudste dochter Alexandra is naar eigen zeggen in Petersburg opgegroeid.
  Samen met Paul bezat en beheerde Boris het landgoed Stomersee. Boris huwde in 1894 Alice Barbi. Hij stierf 10 mrt 1917 in Petersburg tijdens de russische revolutie.

Baron Boris von Wolff-Stomersee (*Stomersee 1850 - St. Petersburg 1917).  Wikipedia

Ter verduidelijking een stukje politiek-geografische en taalkundige geschiedenis van de kuststreek aan de Oostzee tussen Stettin (Szczecin), waar de Oder in zee uitmondt (de Duits-Poolse grens), en St. Petersburg (Leningrad). Voor ons onderwerp is voornamelijk de strook tussen Königsberg (Kaliningrad) en Petersburg in het tijdvak 1850-1920 van belang. Het probleem is, dat de namen van verschillende steden, dorpen en landstreken wisselden bij elke nieuwe bezetting of tijdelijke zelfstandigverklaring, zodat het voor de auteurs en lezers niet meer te volgen is en we dus een systeem voor de naamaanduiding moeten invoeren. Velen weten nog wel dat Danzig Gdańsk is geworden, sommigen weten dat de Duitse taal er plaats maakte voor het Pools, maar daar houdt het op. Danzig is een van uitzonderingen. Talen bleven grotendeels op hun plaats, maar politieke grenzen niet.
   Evenals Koerland vinden we Lijfland in de Baltische staten. Lijfland kwam oorspronkelijk ongeveer overeen met het gebied van de huidige staten Estland en Letland. Later was het meer een gebied ten oosten van de Golf van Riga. Het bestond toen uit het noordelijk deel van Letland en het zuiden van Estland. Thans vinden we Lijfland terug als de historische Letse landstreek Vidzeme en Latgale (Letgallen) en als de Estste historische landstreek Liivimaa.
Lijfland dankt zijn naam aan de Lijfen. Zij waren de oorspronkelijke bewoners van dit gebied. In Lijfland zijn de Lijfen al vrij vroeg opgegaan in en vermengd met de Letten. Alleen aan de kusten vinden we nog iets terug van de Lijfse taal.

■   ■   ■   ■   ■   ■   ■


     Wikipedia

De zuidkant en de oostkant van de Oostzeekust, van Stettin tot St. Petersburg. Huidige grenzen.
Bij de rode stip Stomersee.
       niet ingevuld = niet bekend.

   Duits  Pools  Litouws  Lets  Lijfs  Ests  Russisch
               
 Duitsland  Deutschland  Niemcy  Vokietija  Vācija  Saksāmō  Saksamaa  Germaniya
 Stettin  Stettin  Szczezin  Ščecinas  Stettin    Stettin  Shchetsine
 Polen  Polen  Polska  Lenkija  Polija  Pūoļmō  Poola  Pol'sha
 Gdansk  Danzig  Gdańsk  Gdanskas  Gdanska    Gdansk  Gdan'sk Гданьск
 Koningsbergen  Königsberg  Królewiec  Karaliaučius  Karalauči    Königsbergi  Kaliningrad
 Litouwen  Litauen  Litwa  Lietuva  Lietuva    Leedu  Litva Литва
 Koerland  Kurland  Kurlandia  Kuršas  Kurzeme  Kurāmō  Kuramaa  Kurljandiya
 Stomersee  Stomersee      Stāmeriena      
 Lijfland  Livland  Inflanty    Livonija  Līvõ  Liivimaa  Lifljandiya
 Estland  Estland  Estonia  Estija  Igaunija  Ēstimō  Eesti  Estoniya
 Rusland  Rußland  Rosja  Rusija  Krievija  Krievōmō  Venemaa  Rossiya Россия
 Wit-Rusland  Weißrußland  Biała Rosja  Balta Rusija  Baltkrievija    Valgevene  Беларусь, Bjelo-
 Riga  Riga  Ryga  Ryga  Rīga    Riia  Riga     └ Rossiya
 Vilnius  Wilno  Wilno  Vilnius  Viļņa    Vilnius  Vil'nyus
 Petersburg  Petersburg  Petersburg  Peterburgas  Pēterburgā    Peterburi  1917 Petrograd

  Frans : Stomersée.
Russisch : Duitsland = Германия. Wit-Rusland = Belarus = Беларусь .
Boris von Wolff = Борис фон Вольф = Boris fon Vol'f .--. Alice Barbi = Алиса Барби = Alisa Barbi.
Italië = (Lets) Itālija, (Lijfs) Ĩtālmō, (Russsisch) Италия , Italiya.
 Dorpat = Tartu (Duits), Дерпт Derpt (Russisch), Mētraine, Tērbata (Lets), universiteit, de tweede stad van   Estland.

■   ■   ■   ■   ■   ■   ■


Livland um 1800 und heute.  www.hoeckmann.de   Bij de rode stip Stomersee.

Letland was tot de 12e eeuw een onafhankelijke staat. Omstreeks 1200 werd het door Duitse ridders bezet die het gebied in twee gewesten verdeelden t.w. Koerland en Lijfland (Livland, Livonia). Uit Duitsers die zich hier blijvend vestigden ontstond de Baltisch-Duitse adel. Lijfland bestond toen ruwweg uit het het huidige Letland en het huidige Estland. Het gebied heeft door veroveringen onder Pools, Deens en Zweeds bewind gestaan. Hierdoor heeft het staatkundig en geografisch verschillende gedaantes gehad.
In 1721 viel Lijfland, met als hoofdstad Riga, onder Russisch bestuur door de inname van tsaar Peter de Grote en vormde het met het toenmalige Estland en Koerland een van de drie gouvernementsgebieden aan de Oostzee. Het Russische Gouvernement Lijfland werd tot 1919 autonoom beheerd door de Duits Baltische adel.

Aus einer ursprünglich aus dem Niederschesischen entstammenden und ab dem 17. Jahrhundert in Livland ansässigen adligen Familie kommend, wurde Johann Gottlieb Freiherr von Wolff auf Schloss Elisabethenburg, der Residenz der Herzöge von Sachsen-Meiningen (Meiningen in Thüringen) als Jagdpage erzogen. 1778 trat er als Leutnant in das kurfürstlich-sächsische Garderegiment der Grenadiere in Dresden ein und wurde kurfürstlich-sächsischer Kammerjunker. Von 1783 bis 1789 war Johann Gottlieb von Wolff Walkscher Kreismarschall und wurde am 29. April 1798 zum Livländischen Landrat gewählt. Als solcher war er zugleich auch Ober-Kirchenvorsteher des Wendenschen Kreises.
   Johann Gottlieb von Wolff besaß in Livland umfangreichen Grundbesitz nebst mehreren Herrenhäusern und Schlössern. So war er Herr auf Neu-Laitzen, Reppekaln, Luxenhof, Friedrichshof, Semershof, Marienstein, Alt-Schwanenburg (Vecgulbene), Blumenhof, Walmeshof, Fianden am Marienburger See, Lettin und Stomersee.

   Schloss Alt-Schwanenburg (Vecgulbene muižas pils): Das 1763 von Burkhard Christoph von Münnich errichtete „Schloss Alt-Schwanenburg“, auch „Weißes Schloss“ genannt, gelangte 1789 in den Besitz von Otto Hermann von Vietinghoff und wurde 1802 von Johann Gottlieb von Wolff (Lets: Johans Gotlībs fon Volfs, 1756-1817) erworben. In den 40er Jahren des 19. Jahrhunderts von dessen Enkel Rudolf Gottlieb Magnus von Wolff (1809–1847) im Stil der Neorenaissance großzügig ausgebaut, wurde das Schloss um 1880 durch Rudolfs Sohn Johann Heinrich Gottlieb von Wolff (1843–1897) erweitert.
     Wikipedia

Johanns jongste zoon Heinrich Johann Friedrich von Wolff (1794-1832) betrok na het overlijden van zijn vader slot Stāmeriena (dat Johann in 1809 in de buurt van Alt-Schwanenburg had laten bouwen) waarna 'Stomersee' bij zijn naam gevoegd werd. Diens zoon Johann Gottlieb Eduard von Wolff-Stomersee (1817-1883) was de vader van o.a. Boris en Paul. Zij erfden aan het begin van de 20e eeuw slot Stomersee. Antolini schrijft dat de route naar Stomersee vanuit het zuiden als volgt verliep : met de trein van Pskow naar Werro. Van dit station was het een 8-uur-durende rit per koets naar het slot. -- Vermeldenswaardige figuren uit de families Wolff en Romanov zijn (titels, functies, landnamen e.d. zijn onvertaald gelaten) :

 Johann Gottlieb von Wolff (1756–1817), Kurfürstlich-sächsischer Leutnant und Kammerjunker, Landrat und Gutsbesitzer in Livland. Zeker geboren in Lijfland.
Johann Gottlieb II Freiherr von Wolff (lett. Barons Johans Gotlībs fon Volfs, * 19. März 1756 in Wittenhof (lett.: nu Vite) bei Lemburg (lett.: Mālpils) in Livland; † 7. Juli 1817 in Neu-Laitzen (lett.: Jaunlaicene) in Livland). In 1920 werd Lijfland verdeeld tussen Letland en Estland. Lijfland houdt dus in 1920 op te bestaan.

 Anna Paulowna Romanov werd in jan 1795 geboren in St. Petersburg. Zij was de dochter van tsaar Paul I, huwde 1816 prins Willem van Oranje-Nassau, de held van Quatre-Bras en Waterloo, en werd zodoende in 1840 koningin der Nederlanden. Woonde na 1849 op Soestdijk, waar zij Pieneman de opdracht gaf tot het wandvullende doek ‘De Slag bij Quatre-Bras’ in de Waterloozaal. Overleed mrt 1865 in Den Haag.

 Grootvorstin Olga Nikolajevna van Rusland,;; * St Petersburg 11 sept 1822 – † Friedrichshafen, Württemberg 30 oct 1892, lid van het Huis Romanov, de russische Keizerlijke Familie. Werd door haar huwelijk (1846) met Karl I koningin-gemalin van Württemberg. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Olga was de tweede dochter van tsaar Nicolaas I van Rusland en diens vrouw tsarina Charlotte van Pruisen (Alexandra Fjodorovna). Ze was een zuster van tsaar Alexander II. grootvorst Alexander Nikolajewvitsj (1818-1881). De dochters van Barbi (Alexandra en Olga) werden naar leden van de Russische keizerlijke familie vernoemd. Als ze nog een zoon had gekregen, zou die dan Enrico of Boris hebben moeten heten ?

 Sophie (Russisch Sonja) von Wolff (1840–1919): Achterkleindochter van Johann Gottlieb von Wolff. Trouwde in 1868 met Eberhard von Zeppelin.
 Isabella (genoemd ‘Bella’) von Wolff (1846–1922) was een nicht (Cousine) van Sophie von Wolff, evenals zij een achterkleindochter von Johann Gottlieb von Wolff. Isabella huwde 1869 Ferdinand von Zeppelin, de uitvinder van de naar hem genoemde Zeppelin-Luftschiffe.
 Nikolas von Wolff (1866–1940), Deputierter der russischen Reichsduma, livländischer Landrat.
 Joseph von Wolff (Landrat) (1868–1922), livländischer Landrat.
 Kurt Freiherr von Wolfurt, eigenlijk Baron Kurt von Wolff (Livland 1880 -- München 1957), Komponist, Dirigent, Musikschriftsteller ; woonde 1920-1945 in Berlijn ; Sekretär der Musikabteilung der Preußischen Akademie der Künste 1923-1945 ; Leiter der Meisterklasse für Komposition an der Akademie der Künste in Berlin 1936-1945.

Herbert von Wolff (1886–1967), deutscher Verwaltungsbeamter, Verwaltungsrichter und Ministerialbeamter.

 Alexandra von Wolff a.d.H. Stomersee (auch „Licy“ genannt) (1894–1982), Psychoanalytikerin, Tochter von Boris von Wolff und Alice Barbi und eine Ur-Urenkelin von Johann Gottlieb von Wolff. Heiratete 1932 Giuseppe Tomasi di Lampedusa.
 Hans von Wolff (1903–1944), deutscher Oberst, Träger des Eichenlaubs zum Ritterkreuz des Eisernen Kreuzes.

 

Vanaf 1762 regeert het Huis Romanov-Holstein-Gottorp, te beginnen met Catharina de Grote 1762-1796.
Nu begint de mannelijke lijn van vader op zoon weer. Voor de duidelijkheid :

Geboorte- en Regeringsjaren
van de laatste zes tsaren
van het Russische Keizerrijk :
Paul I
Alexander I
Nicolaas I
*1754
*1777
*1796
1796-1801              
1801-1825
1825-1855
Alexander II
Alexander III
Nicolaas II
*1818
*1845
*1868
1855-1881
1881-1894
1894-1917


Men spreekt van Tsaar, Czar, Keizer, van de zelfde woordstam als Caesar. In 1721 nam Peter de Grote de titel imperator (keizer) aan. Maar de benaming tsaar bleef in gebruik.
Paul I en Alexander I werden geboren in Petersburg, Nicolaas I in het Zomerpaleis Gatsjina ten Z. v. Petersburg, Nicolaas II in het Alexanderpaleis ten Z. van Petersburg, Alexander II in het Kremlin, Alexander III in het Winterpaleis in Tsarskoje Selo, thans Poesjkin, ‘het Soestdijk van Rusland’ ten Z. van Petersburg.
Paul I, Alex. II en Nic. II werden vermoord.

___ Twee parallelle levens ___

Merkwaardig is in dit verband de historische roman De Amerikaanse prinses (2015) van Annejet van der Zijl. Het leven van Allene Tew (1872-1955) toont verrassende overeenkomsten met het leven van Alice Barbi. Beide vrouwen verkeerden in dezelfde tijd in de hoogste (adellijke) kringen. Dankbaar mag men Van der Zijl zijn voor het uitgebreid en duidelijk tijdsbeeld waarin ze haar knap geschreven biografie laat spelen.
   Allene kocht voor haar ouders een appartement in Nice. Alice verbleef ook regelmatig in Nice, van oudsher bezaten Russische en Europese aristocraten daar woningen. Op een gegeven moment veranderde Allene van geboortejaar, van continent en van haarkleur, om de start van een nieuw leven in te leiden. Ook Alice haalde vier jaar van haar leeftijd af, wellicht op het moment dat ze haar vijftien jaar jongere echtgenoot huwde. Ook Allene trouwde een veel jongere man, ze was twaalf jaar ouder dan haar laatste en vijfde echtgenoot. Deze Pavel Pavlovitch Kotzebue (Paul) was sinds 1912 door tsaar Nicolaas II als kapitein aangesteld in de favoriete verblijfplaats van het tsarengezin, het Alexanderpaleis bij Sint Petersburg. Het kan moeilijk anders dan dat deze Paul Kotzebue en Boris Wolff elkaar gekend hebben.

————————       ———————       ——————

Barbi werd bij haar huwelijk dus Baronin Alice (von) Wolff-Stomersee, wonende in Letland op het landelijk gelegen slot Stomersee. Ze kreeg twee dochters, Alexandra Alice Marie 'Licy' (*Nice 13 nov 1894 †Palermo 22 juni 1982) en Olga 'Lolette' (23 juli 1896-1984). 's Winters bezocht Alice, "la persicetana", haar geboortestreek en reisde concerterend door Europa.

Boris Biancheri Chiappori (zoon van Barbi's jongste dochter, Olga) schrijft in L'ambra del Baltico (1994) dat Alice Barbi na haar huwelijk met Boris Wolff overrompeld werd door verveling in het afgelegen slot Stomersee. Daarom verbleef ze veel in Berlijn, München en Nice. Het zuidelijke klimaat vond ze beter voor haar opgroeiende dochters. Na het overlijden van Boris in 1917 vluchtte ze zo snel mogelijk uit Rusland weg, naar Riga en vervolgens naar Engeland waar ze de Italiaanse diplomaat Pietro della Torretta, die ze uit St. Petersburg kende, trof.



Der Musiksaal im Schloß Stomersee.  Die Woche, 1905, foto Willy Klasen, de huispianist. Het blad, opgericht in 1899 te Berlijn, vermeldde in deze jaren geen namen van journalisten en interviewers. "Die Woche" : moderne illustrierte Zeitschrift, August Scherl Verlag, Berlin, Ausgabe Nr: 31 aus dem Jahr 1905, S. 1347ff. De 31ste week van 1905 lag eind juli - begin augustus. Het artikel is ★ hier ★ in te zien.
Deze foto is door Willy Klasen genomen vlak voordat de brand in 1905 het kasteel vernielde. Alleen de naakte muren bleven staan. De wandversiering boven de vleugel komt overeen met een deel van de decoratie linksonder op het voorplat van het speciale exemplaar van het Barbi Album dat Barbi in 1890 voor Gutmann had laten maken.

 
Alice met haar dochters Alessandra (Licy) en Olga (Lolette) op Stomersee ca. 1900.
Grootvorstin Olga Nikolajevna van Rusland (1822-1892) was een zuster van tsaar Alexander II van Rusland. Olga was dus lid van de Russische keizerlijke familie en werd door haar huwelijk met Karl I koningin-gemalin van Württemberg. Stuttgart was de hoofdstad van het koninkrijk Württemberg dat in 1918 ophield te bestaan.
   Boris zal zijn oudste dochter Alessandra naar de vrouw van de tsaar vernoemd hebben, en zijn jongste dochter naar grootvorstin Olga.

Wikipedia © Public Domain.


In tegenstelling tot wat algemeen beweerd wordt bleef Alice na haar huwelijk optreden (honoraria gingen deels naar de in min of meer constante hongersnood verkerende bevolking in Letland (Russsisch), in 1903 na een extra concert in Helsingfors naar Noord-Finland. En ze bleef nieuw repertoire instuderen, Hugo Wolf, Richard Strauss. "Ich kann ohne Kunst nicht leben. Ich bin krank wenn ich nicht singe", zegt ze in 1917.
   Tijdens de revolutie van 1905, die in Rusland begon maar zich snel naar Letland uitbreidde, verwoestten opstandige boeren en arbeiders het paleis *) van Boris en Alice, tezamen met honderden bezittingen van andere Baltisch-Duitse baronnen, in Letland (toen een Baltische provincie van Rusland). Op het platteland en in de bossen heerste volslagen anarchie, terwijl in de steden de arbeiders door soldaten nog enigszins in bedwang gehouden konden worden. Politie en bestuur bestonden niet meer, de landgoederen vormden een makkelijke prooi. “Het bezit van de jonkers (slechts 71 families mochten de titel 'baron' dragen) overschreed het voorstellingsvermogen, hun rijkdom was fabuleus. De familie Wolff-Stomersee bezat dertig landhuizen en herenboerderijen en 290.000 hectare grond, ze liet vanaf de spoorlijn een zijtak naar hun landerijen aanleggen. De Baltische baronnen (Duitsers) spraken de taal van de machthebbers, eerst de Polen, later de Russen. De Baltische adel was een Duits onderonsje. Het Lets of Lijfs van hun werkvolk was voor de meesten Chinees”. Praktisch gezien heerste er lijfeigenschap.
          *) Te onderscheiden zijn kastelen (gefortificeerd), paleizen (zeer grote land- of stadhuizen, vgl paleis Soestdijk), 'gewone' landhuizen en boerderijen.
   De baronnen handelden hun zaken af met Duitse advocaten en notarissen, gingen naar Duitse artsen en apothekers, bestelden karren, ploegen en rijtuigen in Duitsland, hadden Duits huispersoneel en - oh la la - Franse gouvernantes. Hun hegemonie duurde tot 1905. Toen begon op 22 jan met Bloedige Zondag de opstand in St. Petersburg, die zich als een bosbrand over Estland en Letland verspreidde. De macht van de baronnen brak uiteindelijk pas in 1919. Van de 6000 Baltische kastelen/paleizen was toen de helft verwoest. In 1918 riepen Estland, Letland en Litouwen de onafhankelijkheid uit. Toen zich nationale regeringen gevormd hadden, was hun eerste maatregel het grondbezit op maximaal 110 ha. te stellen. Vele baronnen en hun netwerk van advocaten, dokters enz. vertrokken naar Duitsland, de laatst overgeblevenen werden door Hitler in 1939 'zurück in die Heimat' geroepen.
        Vrij (inkortingen, verplaatsingen, inlassen) naar Jan Brokken, Baltische zielen (2010).

In 1898 ging Anton Philips naar Petersburg om gloeilampen te verkopen. “Begin augustus verliet hij Eindhoven om over Libau, Riga en Reval naar St. Petersburg te reizen”. Reval is Tallinn. De havenstan Liepāja (historisch Duits: Libau) is een stad in het zuidwesten van Letland, de voornaamste stad vanKoerland (Kurzeme). Liepāja heeft veerverbindingen met Zweden en Duitsland en een marinehaven. Er is ook een vliegveld.

----------

Der Gatte der Sängerin Alice Barbi
verteidigt sein Schloß gegen eine Bauernbande.

Eine furchtbare Zeit ist über Rußland hereingebrochen. An allen Ecken und Enden des Kaiserreichs lodern die Flammen des Aufruhrs empor und auch die schwerfälligen, stupiden Bauern in den Provinzen sind nun schon in die Revolutionsbewegung hineingezogen. Mit wilder Roheit wenden sie sich in Livland vornehmlich gegen ihre Gutsherren, und viele Rittersitze und Gutshöfe sind bereits ein Raub der Flammen geworden, nachdem sie der Uebermacht der Angreifer zum Opfer gefallen und  ausgeplündert worden. Manch einer der Besitzer verlor sogar mit seiner Familie das Leben in der Verteidigung seines Eigentums.

image.png

          5. Bogen des "Neuigkeits – Welt – Blatt”.
Wien, Donnerstag, den 4. Jänner 1906.


image.png

    

Diese letzte fürchterliche Katastrophe ist nun zwar dem Gatten der auch in Wien wohlbekannten Konzert-sängerin Alice Barbi, dem Baron Wolff-Stomersee und den seinigen erspart geblieben, aber sein schönes Schloß in Livland mit wertvollen Kunstschätzen is vernichtet, geplündert und eingeäschert.
Bereits im Sommer war nebst andern Herrensitzen auch Stomersee das Ziel einer Belagerung durch die aufgewiegelten Bauern, 1400 an der Zahl, gewesen. Sie waren von dem Baron, mit wenigen bewaffneten Leuten, in die Flucht gejagt worden und ihre Anführer festgenommen.
In Voraussicht derartiger Vorfälle wandelte Baron Wolff sein Schloß nunmehr durch Verschanzungen zu einer Festung um. In der Tat gärte und tobte der Umsturz seit November in der ganzen Gegend, und am 4. Dezenber war die Gefahr so groß geworden, daß die Frauen und Kinder unter dem Schutz einer bewaffneten Eskorte nach Riga gebracht werden mußten.
Baronin Wolff-Stomersee, bekannt als Alice Barbi, eilte nach Petersburg um militarische Hilfe. Erst am 13. konnte sie diese erlangen und nun fuhr sie zu ihren Kindern nach Riga. Der Baron war in Stomersee zurückgeblieben um sein Besitz gegen die aufrührischen Bauern zu halten, bis die Hilfe käme, die seine Gattin erwirken wollte.
Als die Soldaten von Petersburg am Bahnhof von Bolwa (Lets Balvi) unweit Stomersee einlangten, blieben sie dort über Nacht, weil sie den Wald in der Dunkelheit scheuten. Am 15. erst kamen sie bei Stomersee an. Das Schloß, die Wirtschaftsgebäude, alles war ein Flammenmeer. Die Angreifer hatten Sprengbomben verwendet und da gab es kein Widerstand mehr.
Baron Wolff kam wohl mit dem Leben davon, aber sein Besitz ist dahin, eine Beute just jener Bauern, denen Alice Barbi stets nur Wohltaten erwiesen hat. Wieviele wertvolle, schöne Kunsterinnerungen sind nun zu Asche geworden ; das große Besitztum zerstört, in vandalischer Weise zugrunde gerichtet.
Unser vorstehendes Bild veranschaulicht nach eingelaufenen Schilderungen die Szene, wie Baron Wolff und seine Leute, wohlbewaffnet, den Feind erwarten, der gebieterisch an die Pforte des Schloßes pocht. Dieser erste Ansturm wurde noch glücklich abgeschlagen ; der wahrhaft indianischen Kampfweise mit Dynamit und Petroleum von außen anzugreifen, waren die tapferen Schloßverteidiger nicht mehr gewachsen. Die beliebte Künstlerin und ihr Gatte sind wohl des allgemeinen Mitgefühls sicher
.

De afdruk van de tekening in het tijdschrift "Neuigkeits – Welt – Blatt” is nogal wazig. Hiernaast een verduidelijking van de situatie op de trap en de overloop.
Wie goed kijkt ontwaart bovenaan op de overloop links en rechts van het kindermeisje (wie anders?) de dochtertjes Licy en Olga. De volwassen vrouw middenin is Barbi (“is”, want het is een fantasietekening). Onder aan de trap staan een onbekende (wrs een huisknecht) en Boris Wolff, de laatste met geweer bewapend. 
De dames lijken reeds in nachtgewaad, de heren houden in huiskleding de wacht.

----------
Das Schloß der Konzertsängerin Alice Barbi eingeäschert.

Von livländischen Bauern erobert und ausgeplündert.

Aus der verwirrenden Menge von Schreckensnachrichten, die aus Rußland kommen, taucht zuweilen eine besonders erschütternde Kunde auf. Während man nachgerade fast abgestumpft wird, wenn man wieder und wieder von zerstörten Häusern, geplünderden Schlössern, belagerten Gutsbesitzern u. dgl. hört, erwacht unser Mitgefühl und unsere Teilnahme in verstärkter Weise, wenn wir die Namen bekannter Persönlichkeiten unter den Opfern der furchtbaren Wirren hören.
   Ein solcher, den Wienern wohlbekannter Name, ist jener der gefeierten Konzertsängerin Alice  B a r b i. Die Künstlerin hat in Wien wahre Triumphe gefeiert und die Konzertabende, die sie veranstaltete, boten den Hörern erlesene Genüsse. Vor zehn Jahren ehelichte sie den immens reichen livländischen Baron W o l f f - S t o m e r s e e. Den größten Teil des Jahres verbrachte sie auf der prächtigen Besitzung ihres Gatten. Nunmehr ist das Schloß von den Revolutionären in Brand gesteckt und gänzlich zerstört worden.
   Schon im Frühling hatte es unter den Bauern der Umgebung zu gähren begonnen. Im Sommer kam es zu Aufständen. Stomersee selbst wurde von einer drohenden Menge belagert ; aber damals gelang es Baron Wolff mit einer handvoll Bewaffneter 1400 Personen einzuschüchtern, und die Rädelsführer wurden verhaftet. Die Gegenwart von 30 Kosaken genügte bis zum Spätherbst, die Ruhe aufrecht zu erhalten ; dann aber wurde die Lage in der ganzen Gegend höchst gefährlich.
   Baron Wolff verschanzte das Schloß und verwandelte es langsam in eine Art kleiner Festung, in der sich Vertriebene und Bedrohte von weit und breit sammelten. Ringsum tobte seit Ende November der wildeste Aufruhr. In letzter Stunde, unter dem Schutze bewaffneter Herren, während in der Ferne geschossen ward und am Horizont das Rot der Brände flammte, wurden am 4. Dezember die Frauen und Kinder nach Riga gebracht.
    

Während aber Baron Wolff nach Stomersee zurückkehrte, um das Schloß zu halten, begab sich seine Gemahlin, Alice Barbi, nach Petersburg, um dort die schreckliche Gefahr der Lage darzustellen und zu erwirken, daß man Truppen nach Stomersee sende, um zu retten was im Lande noch zu retten war. Mit der größten Entschlossenheit führte sie diese Aufgabe durch ; am 13. Dezember endlich gingen die Soldaten ab und Baronin Wolff benützte den ersten Zug, der von Petersburg nach Riga führte, um dort ihre Kinder aufzusuchen.
   Am 14. Dezember abends trafen die Truppen in Bolwa ein, weigerten sich jedoch, in der Dunkelheit durch den Wald zu marschieren, der von den Aufständischen besetzt war. Als sie endlich am 15. Dezember vor Stomersee eintrafen, war es zu spät. Das Schloß mit allen Gebäuden des Gutes brannte seit Stunden lichterloh. Ein erster Sturm war abgeschlagen worden ; dann aber begannen Sprengbomben ihr Zerstörungswerk und Petroleum vollendete es.
   Baron Wolff gelang es wohl, das Leben zu retten ; aber Stomersee mit allem, was es an Einrichtung und Kunstschätzen enthalten hat, ist vernichtet.

Petersburg, 29. Dezember.
Alice Barbi~Baronin Wolff~Stomersee ist mit ihren Kinder glücklich in Petersburg eingetroffen, wohin sich auch Baron Wolff begeben hat. Es war ihm gelungen sich mit einigen Herren aus dem brennenden Schloß zu retten und nach dreißigstündigem Umherirren in den Wäldern die Bahnstation Bolwa zu erreichen.


Illustrierte Kronen Zeitung 30. Dezember 1905.

Der unsinnigen Zerstörungswut der revolutionären Livländischen Bevölkerung ist nun auch Schloß Stomersee in Livland zum Opfer gefallen. Das Schloß gehört der früheren österreichischen Sängerin Alice Barbi, verehelichten Baronin Wolff-Stomersee. Es hatte eine ziemliche Zeit gewährt, bis die Revolutionäre zu ihrem Ziel gelangten. Baron Stomersee hatte das Schloß mehrere Wochen hindurch verteidigt. Die Baronin war schließlich nach Petersburg gereist, um militärische Hilfe zu erbitten ; die Petersburger Behörden entschlossen sich jedoch zu spät, die Hilfe zu senden. Außerdem zeigten sich die Soldaten als ihrer Aufgabe in keiner Weise gewachsen. Die Revolutionäre hatten das Schloß bereits im Besitz und zerstörten die kostbarsten Kunstschätze aller Art in rohester Weise. Es wird hohe Zeit, daß dem Unwesen der Revolutionäre in den russischen Ostseeprovinzen endgiltig ein Ziel gesetzt wird.

Boris von Wolff bezweek in febr 1917 aan een beroerte, hij werd in St. Petersburg dood op straat gevonden. Misschien is dat waar, er zijn ook andere lezingen. Namelijk dat hij tijdens de opstand door ruiters van de cavalerie onder de voet gelopen werd en daardoor in de straten van St. Petersburg de dood vond. In maart van dat jaar brak de grote Russische revolutie uit. Het lukte Alice met haar kinderen (onder vliegende kogels door) met een groep mensen mee te vluchten. Ze wisten in Riga aan boord te komen van een Engels oorlogsschip. Na wekenlang tussen de mijnen door gelaveerd te hebben, kwam het schip veilig in Engeland aan. Volgens andere bronnen vluchtte ze met de kinderen Alexandra en Olga lopend en per trein naar Riga of Vilnius, wat niet zo voor de hand ligt.

Als in een gebied waar hongersnood heerst de boeren als belasting een deel van hun zaaigoed voor het volgende jaar aan de regering moesten afstaan en de rest zelf opeten, dan is er geen helderziende nodig om de toekomst te voorspellen. Alice was niet alleen uit verveling maar ook uit angst in St. Petersburg gaan wonen. De woedende onderdrukten vielen kastelen en herenboerderijen binnen, sloopten de brandkasten, hingen de bewoners op, namen mee wat van hun gading was, vernielden de rest en staken de boel in brand. In Stomersee ging een groot aantal kunstschatten verloren. Barbi zal enkele bezittingen hopelijk meegenomen hebben naar St. Petersburg, maar haar geschokte reactie duidt erop dat ze veel is kwijtgeraakt. Denk aan haar oude viool, andere violen en twee vleugels, al haar bladmuziek, correspondentie, foto's, programma's, de bibliotheek.


Uit het album Tsaristisch Rusland, Letse kastelen en landhuizen verwoest tijdens de revolutie van 1905.

Het schijnt dat Alice in Riga de trein naar Petersburg heeft genomen om militaire hulp in te roepen. Maar die kwam een dag te laat. Boris en zijn (duitse) personeel konden ternauwernood het vege lijf redden. Alice was hierdoor emotioneel zo geraakt dat ze een tijdlang niet in staat was om te musiceren, te zingen. Een voorbeeld van haar blijvende angst beschreef Hermann Menkes in Neues Wiener Journal 1 juli 1917 : "Sie schauerte zusammen, als ich eintrat, obgleich sie auf mein Kommen gewartet hatte. Es war ein Reflex dieser russischen Angst, die sich auch in diese wie verbannte Südländerin einslich und sie krank machte."
   Toen men in 1913 in Wenen op het punt stond de Bösendorfer Saal af te breken, richtte een groep jonge musici een brief aan Barbi met de dringende vraag of ze nog eenmaal in haar geliefde zaal wilde komen zingen. Maar dat kon ze niet opbrengen. Boris en Alice betrokken een huis in Riga. Die stad groeide enorm met de industrie die zich daar vestigde, de levensstandaard nam toe, het onderwijs werd beter. Dit trok Russen en andere buitenlanders aan waardoor het aantal Letten een minderheid werd. — Boris liet Stomersee (Stāmeriena in het Lets) herbouwen. Beiden waren in onze ogen tamelijk naïef. Om ons tot Barbi te bepalen : dacht ze werkelijk dat een paar benefietconcerten iets konden betekenen voor de verpauperde bevolking ? Dat idee zal ze wel gauw verloren hebben. Trouwens, de revenuen van die concerten vielen in het niet bij het bezit van de immens rijke Boris en Alice. Ze ging graag op reis (ze verveelde zich op het afgelegen Stomersee) en kon optreden. Reëler was haar studie van landbouwmethoden, waterbeheer en fruitteelt, in de hoop de toestand op die manier van onderop te verbeteren, maar wie nam haar serieus ? Ze stond aan de verkeerde kant van de streep, ze hoorde bij de uitbuiters.
   De exorbitante rijkdom van de Duitse baronnen, hun uizinnig luxe levensstijl vergeleken met de onmenselijke armoede op het boerenland, werd bedreigd door de sluipende russificatie van Letland. In 1893 werd op de universiteit van Dorpat de voertaal Duits vervangen door Russisch. Roosevelt kon in de USA voorkomen wat hier te gebeuren stond : de opstand der horden. Het beroep van Boris maakte het er niet beter op, Hofmeister van de Czar, hoge ambtenaar, diplomaat. Alice mag van geluk spreken dat ze niet op een van haar reizen als russische spionne gearresteerd en als Mata Hari aan haar eind gekomen is.

A rare intellectual singer married a Baltic German Noble who worked in the Russian civil service. On his neglected estates Alice Barbi studied agronomy, drainage, cattle raising : 'I went about the vast heaths and marvellous huge forests, with my head still full of song, my thoughts often turning to my own beloved, beautiful country, firmly determined to improve the lives of so many human beings, to succeed in what seemed to me a worthwhile mission ...' In the intervals of this Tolstoyan endeavour she spent much time with a cultivated Viennese woman ; the two of them would undertake a course of reading, for instance of Italian Renaissance authors, and, in their solitude, felt it to be an intense experience.
       John Rosselli in Singers of Italian Opera : The History of a Profession, 1992.  [Herhaal 1992 TK].

image.png

       Pall Mall Gazette -Friday 29 December 1905.

----------

From Our Own Correspondent. VIENNA, Friday.
From St. Petersburg the well-known singer Alice Barbi sends to her friends here a story of her flight from her Livonian Castle. Some years ago she married Baron Wolf-Stomersee, whose estates are in Livonia. The castle at Stomersee was burnt to the ground a few days ago by Lettish revolutionaries. The baroness managed to escape, and for three days and nights she wandered about in the forests of the neighbourhood, without being able to get away. At the commencement of the revolt in Livonia the castle had been turned into a regular fortress, The Revolutionists laid combustible materials on all sides of the castle, threw casks of petroleum on them, and then set them alight. Stomersee is now a heap of ruins, and the many art treasures it contained are destroyed.

       Daily Telegraph & Courier (London) - Saturday 30 December 1905.

----------

image.png
Giuseppe Tomasi di Lampedusa, A Biography through Images. Gioscchino Lanza Tomasi ; Foreword by David Gilmour. De foto is tussen 1908 en 1917 op het heropgebouwde Stomersee genomen.
By permission of Alma Books Ltd.

Barbi had twee dochters, Alexandra Alice Marie 'Licy' (*Nice 13 nov 1894 †Palermo 22 juni 1982) en Olga 'Lolette' (23 juli 1896 - 1984).
Alexandra von Wolff-Stomersee (Licy) was een psychoanaliticus van naam (ze introduceerde de persoonlijkheidsstoornis Borderline). Licy studeerde in de 1920er jaren in Berlijn. In 1918, een jaar na het overlijden van haar vader, was ze met de homosexuele Duits-Baltische baron Andreas Pilar von Pilchau getrouwd. Dit huwelijk mislukte. Na een kort verblijf in Wenen ging Licy naar Londen, waar haar moeder met haar tweede man, Pietro Tomasi della Torretta, woonde. Daar ontmoette Licy in 1925 diens neef, Giuseppe Tomasi di Lampedusa, schrijver van de beroemde roman Il Gattopardo (postuum in 1958 door Licy uitgegeven). De twee correspondeerden zo nu en dan. In 1930 bezocht Giuseppe Stomersee, hun vriendschap werd een liefde. Ze trouwden op 24 aug 1932 in de Russisch-orthodoxe kerk van Riga en vestigden zich in Palermo, in de buurt van schoonmoeder (Giuseppe onderhield een symbiotische verhouding met zijn moeder), waar Licy als psychoanaliticus aan het werk ging. Ze hield dit een jaar vol en keerde in 1933 naar Letland terug.
   Licy bleef Stomersee (sinds 1826 in bezit van de familie) trouw. Ze was opgegroeid in St. Petersburg en voelde zich zeer verwant met de Wolff-tak van de familie. Ze nam na WO I de Letse nationaliteit aan en bleef lid van de orthodoxe kerk. Licy logeerde vaak op het slot tot het einde van 1939, ze moest vluchten, wist op het nippertje schilderijen, spiegels en meubels in de huizen van de bedienden te verstoppen. Stomersee werd ingenomen door de Sovjets. Ze ontsnapte naar Riga en reisde vervolgens naar haar moeder in Rome, woonde af en toe bij haar man Giuseppe in Trapani. Het daaropvolgende jaar keerde ze terug naar Letland, op dat moment bezet door Duitse troepen, en bleef daar totdat de Russen eind 1942 vanuit het zuiden optrokken. Uit Riga, waar ze verbleef, ging ze regelmatig naar Stomersee om waar mogelijk toezicht te houden. Haar huis en landerijen waren dezelfde gebleven, maar de mensen met wie ze was opgegroeid waren allen gevlucht voor de Russische bezetter. Ze verliet eind 1942 definitief haar vaderland en ging in Rome wonen. Barbi en haar jongste dochter Olga hebben Stomersee na 1917 niet meer bezocht.

--------


Opzienbarend, vanwege de datering, is dit stukje in de Bredasche Courant van 20 jan 1917 waar geschreven staat : "Alice Barbi [heeft] meermalen in Nederland medegewerkt bij oratorium-uitvoeringen ; de kunstenares, in 1862 te Modena geboren, woont tegenwoordig te Parijs ; zij is daar gevestigd als zangonderwijzeres)."
   Een andere bron waarin Parijs als haar woonplaats genoemd wordt, is  J. Hartog, Beroemde Zangeressen (1916), waarin op pp. 19-22 een lezenswaard artikel staat over de zangkunst van de Italiaanse school in het algemeen en van Barbi in het bijzonder. Het artikel is ★ hier ★ in te zien.

Alice kan, als zovele anderen, met haar kinderen al lang voor maart 1917 Rusland verlaten hebben, hetzij uit eigen beweging, hetzij gestuurd door haar man. Ze was bang in Rusland incluis Letland, ze leefde daar op een steeds luider rommelende vulkaan. In Parijs kon ze zich in 'Klein Rusland' neerlaten temidden van uitgeweken landgenoten en reizende kunstenaars als Djaghilev. Of, niet ver daarvandaan, in Montmartre.

Al vóór de revolutie van 1917 kwamen ze graag in Parijs, de Russische aristocraten en Russische kunstenaars. Nadat de bolsjewiki de macht hadden gegrepen en de dictatuur van het proletariaat hadden ingesteld, zochten veel leden van de Russische adel noodgedwongen een goed heenkomen in de Franse hoofdstad. Zonder een rooie cent arriveerden ze in Parijs, waar ze een nieuw bestaan moesten zien op te bouwen als taxichauffeur, verpleegster of toiletjuffrouw. Ze vormden een eigen gemeenschap, een ‘klein Rusland’. Ze woonden bij elkaar in de buurt, hadden hun eigen kerken, cafés, boekwinkel. Op de boulevard Montparnasse, hoek boulevard Raspail, is café la Rotonde. Rond 1920 werd la Rotonde gefrequenteerd door de schilder Chagall, de beeldhouwer Zadkine, schrijver Ilja Ehrenburg, dichter Vladimir Majakovski. Majakovski had heimwee, zoals hij ook schreef in zijn gedicht l’Adieu: Ik zou graag/ leven/ en sterven in Parijs / Als er niet / dat land was geweest – Moskou!’ In 1928 keerde hij terug, een jaar later pleegde hij zelfmoord.
    De Russen van Parijs hebben hun eigen begraafplaats in het voorstadje Saint Généviève-des-Bois. Angela Dekker toog erheen. ‘Achter het kerkje tussen de berkenbomen en statige cipressen liggen prinsen, baronnen en hertoginnen naast hoge generaals uit de Witte Legers. Zij aan zij met de honderden kozakken en hun echtgenoten wier tere, goed verzorgde handen waren verruwd in de huishouding of de naaiateliers van de Franse modehuizen.’ Ook Tarkovski ligt er begraven, evenals de gevluchte balletdanser Rudolf Noerejev.

        De Volkskrant, 8 jun. 2007.

TripAdvisor

De Alexander Nevski kathedraal aan de rue Daru in Parijs. Pablo Picasso trouwde hier met zijn geliefde, de Russische danseres Olga Khokhlova. In de wijk rond deze kerk woonden veel Tsaristen (‘Witten’). Zij hoopten dat Duitsland en de onderbewapende Witten het Rode leger zoal niet konden verslaan, dan toc gunstige vredesvoorwaarden konden afdwingen. Maar dat gebeurde niet. De bolejewieken kwamen aan de macht in de octoberrevolutie van 1917 en sloten onmiddellijk de vrede van Brest-Litovsk om het verlies aan mensenlevens te stoppen. Rusland verloor Polen en de Baltische staten. Na de oorlog werd het verdrag deels nietig verklaard, maar Letland werd zelfstandig (Rusland erkende bij de vrede van Riga Letland als zelfstandige staat). De burgeroorlog in Rusland duurde voort en werd na vier jaar door de bolsjewieken gewonnen.

Marchesa della Torretta

Barbi's romance met Brahms en haar huwelijk met Wolff speelden zich af vóór haar veertigste. Tegen haar zestigste levensjaar verbleef ze vermoedelijk meer in West- en Zuidwest-Europa dan in Letland. Op 26 april 1920, 59 jaar oud, huwde Alice Barbi te Londen de vijftien jaar jongere Italiaanse Pietro Paolo Tomasi, Marchese della Torretta, politicus en diplomaat (7 apr 1873 – 4 dec 1962). Ze had Tomasi ruim twintig jaar daarvoor in St. Petersburg leren kennen. Zijn gevoelens voor Alice waren in 1915 al reden tot 'gossip' geweest. Pietro verbleef -- voorafgaand aan zijn huwelijk met Barbi -- op diplomatieke posten in München, St Petersburg en Wenen. In 1921 werd hij benoemd tot minister van Buitenlandse Zaken van Italië. Van 1923 tot 1927 woonde het echtpaar in Londen, Tomasi was er aangesteld als ambassadeur. Hij was verklaard tegenstander van het opkomende fascisme en werd daarom teruggeroepen en uit de diplomatieke dienst ontslagen.

image.png
     Pietro en Alice in Londen The Graphic 17 feb 1923

           

The retiring Italian Ambassador and his wife, the Marchesa della Torretta left London on Thursday for Rome. Among those who saw them off at Victoria was the French Ambassador (M. de Fleuriau).

One of the most interesting of the April dances will be that which the Italian Colony in London will hold on the 21st. In a sense, the interest is rather pathetic, because the arrangements are being supervised by the Marchesa della Torretta, and the dance will be one of the last functions she will attend before her husband, the Italian Ambassador, obeys the call of Mussolini and returns to Italy to make room for Signor Bordonare, who has been appointed in his place. The Marchesa is much beloved in London, and not only her own people, but a very wide circle of English friends are distressed at the withdrawal of the Marchese. Just now they are both finding it most difficult to fit in all the engagements which are being arranged in their honour. Everybody wants to say 'Goodbye' to them 'with lunch' or 'with dinner' and they are the most entertained people in Town. The Italian hall will give their compatriots an opportunity of saying farewell.


Western Daily Press 3 maart 1927

Barbi bleef na haar tweede huwelijk met passie in kunst geïnteresseerd. Zou ze in deze rustiger tijden de viool weer ter hand hebben genomen ? Ze was nog niet uitgeblust. Een Mozartsonate, stukken van Brahms, Kreisler, de betere salonmuziek ? Een strtijkkwartet ? We weten het niet. In Rome vond Pietro een civiele werkkring. Na het tijdperk Mussolini was hij twee jaar lang (1944-1946) voorzitter van de Italiaanse senaat.
   Haar woning in Rome was een centrum van culturele activiteiten. Alice behield het aanzien van fameuze zangeres en was decennialang een graag geziene beroemdheid in de hoogste diplomatieke kringen binnen Europa. Ze overleed in Rome op 4 september 1948, op 90-jarige leeftijd.

    


Uit Handelsblad 31 oct 1876 overgenomen als voorbeschouwing bij de aankondiging in de Leeuwarder Courant 7 nov 1876.



Vooraan in het midden staat oprichtster en dirigent Josefine Amann-Weinlich, links daarvan zit (met de viool rustend op haar schoot) Alice Barbi, rechts zit celliste Elise Weinlich. Zeven mannelijke blazers zijn te onderscheiden op deze foto uit de 70er jaren, de glorietijd. Alice is hier 18 jaar oud. Foto uit 1876.
Heinrich Harmsen, Wien.© Public Domain / Rijksstudio.


Haagsche Courant 4 feb 1887

Nevenstaande recensie doet vermoeden dat Barbi zich niet goed voelde en voor een gemakkelijk programma had gekozen. De mezzo die 'Non più mesta' kan zingen heeft een uitschuifbare hoogte, al ligt het centrum van de stem in de mezzoligging.

   


Rotterdamsch Nieuwsblad 5 feb 1887

 
          Algemeen Handelsblad 7 feb 1887                                                                 Het nieuws vd dag 29 nov 1892

Nadat Alice Barbi in het laatste Gürzenich-concert te Keulen warm is toegejuigt, niettegenstaande hare stem de frischheid der jeugd niet meer bezit [...] 
  De Telegraaf 30 jan 1893 ———— Helaas, sic  transit  gloria   .   .   .   denk je dan.

In Wenen gaf Barbi in 1893 drie afscheidsconcerten, op 13 dec in de Bösendorfer Saal, op 19 dec in de Große Musikvereinssaal, op 21 dec weer in de Bösendorfer Saal. Op het tweede concert klonk haar stem wéér minder fraai. Dat had een oorzaak, dezelfde die haar in Keulen en Amsterdam '92 parten speelde : de Gürzenich en de Musikvereinssaal zijn grote orkestzalen waar 1500 à 2000 bezoekers in kunnen. Barbi moest dus kracht zetten, wat de kwaliteit van haar geluid niet ten goede kwam. Ze had daar gewoon niet moeten gaan staan. ’Beetje dom‘ heet dat in hogere kringen.

 


Barbi in Brahms' adresboek. Nizza = Nice (Fr.).



De adressen van o.a. Georg Henschel, Gustav Mahler en de Joachims zijn er ook te vinden




     
     © Brahms-Institut an der Musikhochschule Lübeck.

         
      Caecillia 1 feb 1894


Geheimes i.p.v. Frühlingssehnsucht.
Daarbij werd door Barbi en Brahms buiten het programma om nog Der Doppelgänger in de Schubertreeks gebracht.


uit : Gutmann.

Barbi en Brahms op de Ringstraße in Wenen op 18 april 1892. Barbi draagt een voile. Brahms is gesoigneerd, heeft zijn beste pak aan, straalt vitaliteit, om niet te zeggen viriliteit uit. Op de achtergrond Hotel Imperial. Dit pand werd in 1863 gebouwd, bedoeld als stadspaleis voor Philipp von Württemberg en zijn vrouw Maria Theresa. Het beviel de doorluchtigen niet, ze verkochten het en sinds de Wereldtentoonstelling van 1873 heeft het gebouw de functie van hotel. In 1928 werden er twee verdiepingen bovenop gezet.
   In de periode rond 1890 kon je dagelijks op de Ringstraße al wandelend Brahms, Richter, Hanslick, Bruckner, Mahler en Wolf tegen het lijf lopen. Er was een musicus die niet te voet ging, hij liet zich vervoeren langs de Ringstraße, comfortabel achterover leunend in zijn Fiaker, Johann Strauß.
   Gutmann schreef in Aus dem Wiener Musikleben (1914) "Amateuraufnahme" bij bovenstaande foto. Het nederlandse woord amateur heeft vaak een negatieve bijklank, het refereert aan een mindere kwaliteit. Het duitse woord Amateur (meestal wordt Liebhaber of Dilettant gebruikt) in het Wenen van eind 19e eeuw, had een andere betekenis. De Amateur was trots op het uitoefenen van zijn liefhebberij en kon zich dikwijls meten met de beroepskracht.
   In dit geval kan de foto gemaakt zijn door iemand van de "Club der Amateur-Photographen in Wien". De club hield een eerste succesvolle tentoonstelling in 1888 en organiseerde in 1891 een Internationale Ausstellung Künstlerischer Photographien in Wien waarbij het wereldwijd naam maakte door de promotie van artistieke fotografie voor een groot publiek. Op de titelpagina van de tentoonstellingsbrochure stond bovenaan in kapitalen AMATEUR-KUNST vermeld.

afbeelding.png
        Photoseed.com


——————— Tsarist Influence ——————
Russia was
*) neither an Ally nor an Associated power, and had no direct representatiom at the Peace Conference. **) The indirect and unofficial influence of Russia were nevertheless extremely powerful, and among them the Marchesa della Torretta, before her marriage the famous singer, Alice Barbi, was particularly energetic. In Tsarist circles Alice Barbi's influence had always to be reckoned with, as also in Imperial circles in Austria, where her reputation as a singer was even greater than that of Adelina Patti in this country. The views of the Tsarist émigrés in Paris were far from being neglected by the Marchesa della Torretta, whose husband as Italian Member of the Commission for Polish Affairs had fertile opportunity to voice them. Apart from this pressure by the Tsarist émigrés, there seemed, in any case, little doubt in the minds of the Allies that Russia's return to a strong Royalist Government was a foregone conclusion.
       The Scotsman - Wednesday 1 March 1944.
*) [ in de Eerste Wereldoorlog ] ---- **) De vredesconferentie in Parijs duurde van 18 jan 1919 tot 21 jan 1920.

----------

Ein wicked joke oder eher ein nasty joke, der gegen seinen Onkel Pietro Tomasi della Torretta gerichtet ist. Die Sizilianer verdoppeln ihrer Gewohnheit nach die Konsonanten, und Giuseppe behauptet, dass sein Onkel es für einen orthografischen Fehler hielt, "Repubblica" mit zwei b zu schreiben. Ich erinnere mich nicht, dass Torretta es vor mir zu einem unkorrekten orthografischen Kasus erhoben hätte, repubblica mit zwei b zu schreiben (alle Wörterbücher des 19. Jhdts. bringen allerdings die Schreibweise sowohl mit einem als auch mit zwei b). Und ich könnte mir vorstellen, dass, sofern er es getan hat, er es auf Drängen seiner Frau Alice Barbi getan hat. Die Furcht einflößende Marchesa hatte Züge didaktischer Arroganz hinsichtlich des "im Arno gewaschenen Italienischen" und gebrauchte aller nur erdenklichen Vokabeln, die sie aus dem Wörterbuch der Accademia della Crusca fischen konnte. So kritisierte sie zum Beispiel die Verwendung des Ausdrucks "mescolare lo zucchero nel caffè" [den Zucker in den Kaffee mischen - die allgemein gebräuchliche Form im Italienischen, A.d.Ü] und behauptete, dass es korrekt heißen müsse "rumare lo zucchero"[den Zucker umrühren]. Mein Vater besaß einen ganzen Vorrat an Anekdoten dieser Art über die Marchesa della Torretta und stempelte sie als Nervensäge ab.
         
 Uit : Die Sirene: Erzählungen. Door Giuseppe Tomasi di Lampedusa.


     
Archivio storico del Senato della Repubblica.

Pietro (1873-1962) studeerde in Palermo en Rome. Tijdens de voorbereidingen van zijn diplomatenexamen in Rome verbleef hij bij de eveneens adellijke familie Ruffo di Bagnara. In 1921 werd Pietro tot senator benoemd en vestigde hij zich in Rome (samen met zijn echtgenote Alice) Via Brenta n. 2. Het daaropvolgende jaar woonden ze tot het voorjaar van 1927 in Londen, waar Pietro tot ambassadeur was benoemd. Bij terugkomst in Rome betrokken ze wederom het huis aan de Via Brenta n. 2. Voor zowel Alice als Pietro was dit de plek waar ze tot hun overlijden woonden. Alessandra Wolff was vaak bij haar moeder in huis te vinden, enige tijd woonde ze in Londen en in Rome bij haar.

                               
Il Messaggero di Roma 7 sept 1948  >  >  >

 



     Brahms 1895.  Österreichische Nationalbibliothek.

Bovenstaande momentopname is een treffende weergave van de componist in wiens geest Ein deutsches Requiem en Schicksalslied vorm kregen. De mens Brahms is hier, evenals in zijn beste composities, bijna voelbaar aanwezig. Naar dit portret van een sterke, goedhartige en onbedorven eigenheimer met een autisisch trekje kun je lang kijken, maar je komt geen stap dichter bij het onbegrijpelijk genie.
    Deze foto uit 1895 is misschien de mooiste die er van hem bestaat. Brahms' gezicht is zichtbaar vermagerd, geschlunken ist "das mächtige Haupt" (von der Leyen) gevolg van de leverkwaal waaraan hij in 1897 zou overlijden.
   Brahms hield zich verre van de uiterlijkheden der muziekwereld, had een hekel aan haar officiële vertoningen, aan toejuichingen. Stond te schutteren in tegenwoordigheid van 'maarschappelijk hogergeplaatsten'. Hij verbond zich niet aan een conservatorium als leraar, laat staan directeur ; de enige drie vaste aanstellingen die hij in zijn leven aanvaard heeft waren die van
★ pianist, dirigent en pianoleraar am Fürstenhof in Detmold 1857-59,
★ Kapellmeister van de Wiener Singakademie in 1863-64, Wien, en
★ artistiek leider van het Gesellschaft der Musikfreunde in Wien 1872-75. Hij reorganiseerde het orkest en bepaalde de keuze van het programma, de solisten, de regelmaat van de koorrepetities, dirigeerde de concerten. Dit viel in de jaren van de grote composities voor koor en orkest.

Brahms werd tweemaal gevraagd voor een vaste betrekking.

★ Vanaf aug 1876 werd er vanuit Düsseldorf druk op Brahms uitgeoefend aldaar Städtischer Musikdirektor te worden. Tot 1853 was Robert Schumann dat geweest. Alleen al uit piëteit overwoog Brahms de aanstelling te accepteren, wat onder meer inhield dat hij dirigent van het stedelijk koor en orkest zou zijn. In eerste instantie had de Musikverein Max Bruch de baan willen aanbieden, maar men vreesde vervolgens te worden overspoeld door zijn muziek.
    Brahms twijfelde. Daar had hij gegronde redenen voor : het moeten opgeven van zijn pas verworven vrijheden en rust (de functie bracht mee dat er over alles en nog wat vergaderd en onderhandeld moest worden). Daarbij was Wenen inmiddels zijn thuis geworden en werd er min of meer van hem verwacht dat hij in Düsseldorf een conservatorium zou oprichten, echter, Brahms was helemaal niet van zin zijn kostbare tijd en energie daar in te steken. Belangrijker was de positie van Julius Tausch, een degelijk vakman, die sinds 1852 Schumann verving als deze niet gedisponeerd was. Na nov 1853, nog voor Schumanns zelfmoordpoging, werd Tausch eerste dirigent – Schumann mocht uit reverentie alleen nog eigen werk dirigeren – en op op 1 juli 1854 kreeg hij het volledig directeurschap. Twintig jaar later stond Tausch nog steeds zonder degelijk contract de baan te vervullen. In 1876 ontstonden in Düsseldorf twee kampen : een voor het aanhouden van de geliefde en incorrect behandelde Tausch, en een groep voor het aannemen van Brahms (2000 handtekeningen waren verzameld om de betreffende petitie kracht bij te zetten). De competitie was voer voor de kranten. Vrienden van Brahms, onder wie Clara Schumann, hadden verschillende meningen en raadgevingen inzake deze kwestie. Tevergeefs werd Brahms verteld dat tijdens de stemming binnen de commissie van aanname 29 van de 39 stemmen naar hem waren gegaan. Brahms liet daarop schriftelijk weten dat het nooit in hem zou zijn opgekomen iemands plaats in te willen nemen van wie zoveel mensen terecht meenden dat hij zijn betrekking diende te behouden. Zo kon hij op stijlvolle wijze voor de eer bedanken. Daarmee was de zaak afgedaan. Tausch behield zijn functie tot 1889.  Blum pp 138-139.


     Neue Zeitschrift für Musik, 19 jan 1877.

★ Nog eenmaal, in de herfst van 1878, kreeg Brahms een aanbod, dit keer vanuit Leipzig, om de functie van Thomaskantor te vervullen. Onmiddellijk en zonder opgaaf van reden wees hij het verzoek af.

★ Wat betreft Brahms en de Wiener Waldhornverein, opgericht door Josef Schantl : in Weense kranten is niets over Brahms' bemoeienis gevonden. Op de site van de Wiener Waldhornverein staat een foto van de club waarop Brahms te zien zou zijn, zie : hier. De man heeft een baard en daar houdt de gelijkenis met Brahms op. En inderdaad, Op dit blog maakt Michael Struck korte metten met deze annexatie van Brahms :

“Brahms und das Horn” scheint für Fakes übrigens anfällig zu sein, zumal der junge Brahms eine Zeitlang wohl tatsächlich Hornunterricht hatte. Bis heute liest man jedenfalls, dass Brahms aktives Mitglied des 1883 gegründeten “Wiener Waldhornvereins” gewesen sei. So liest man auf dessen Website unter der Überschrift “Die Gründerzeit”:
   “Angeregt durch den Makartfestzug und dem großem Erfolg des Quartetts, entstand die Idee 1883 bei Josef Schantl den „Ersten Wiener Hornistenclub“, einen Vorläufer des Wiener Waldhorn Vereins, zu gründen. Gründungsmitglied war unter anderem auch Johannes BRAHMS, selbst Hornist und strikter Verfechter des Naturhorns, der auch aktiv im Verein wirkte.”
   Einziges Zeugnis scheint ein Foto zu sein, das Mitglieder des Vereins und unter anderem auch einen bärtigen Herrn zeigt (2. Reihe, Vierter von links), der eine gewisse Ähnlichkeit mit Brahms nicht verleugnen kann.
   Mehr als dieses Foto scheint jedoch nicht vorzuliegen. In der Brahms-Literatur gibt es unseres Wissens keinerlei Beleg für eine solche Mitgliedschaft des vielbeschäftigten Komponisten, Dirigenten und Pianisten Brahms. Und auf meine entsprechende (skeptische) Anfrage beim Wiener Waldhornverein vor einigen Jahren gab es außer einem freundlichen Dank keine Antwort, die irgendwelche Archivdokumente als Beleg hätte nennen können.
   So wird es sowohl bei der “Fake-Fassung” von 1891 wie bei Brahms’ Mitgliedschaft im “Wiener Waldhornverein” vermutlich bei dem Seufzer bleiben: “Behüt’ dich Gott, es wär so schön gewesen, behüt’ dich Gott, es hat nicht sollen sein.” (aus dem “Trompeter [nicht Hornisten!] von Säckingen”).
        Herzliche Grüße aus der Johannes Brahms Gesamtausgabe (Uni Kiel), ihr Michael Struck.

Wat voor een man was Brahms ?

* Setzt man voraus, daß Brahms offensichtlich nicht wie Richard Wagner oder Karl Marx (um Antipoden anzuführen) weltanschauliche Feldzüge plante noch durchführte, andererseits nicht nur in einer Zeit religiöser, sozialer und politischer Spannungen lebte, sondern sie auch wahrnahm, da er auf sie auf seine Weise reagierte, so muß es als notwendig erscheinen, auch Entstehung wie Wesen des "Deutschen Requiem" mit diesen Strömungen zu verbinden.
   Wir glauben, daß Brahms zu jenen Wenigen zu zählen ist, die ihre Lebensprobleme in so starkem Maße zu filtern vermochten, daß deren Niederschlag in den Werken ganz unspezifisch wurde. Dadurch wirken die Werke ‘objektiv’, ‘allgemeingültig’ und überdauern die Epoche ihrer Entstehung und vermögen dogar in anderen Umwelten aussagekräftig zu werden. Im Bereich der Künste apostrophieren wir Männer, die solches zu leisten vermögen, als ‘Größe’ und ihre Werke als ‘klassisch’. Blum ibidem.
* Brahms was van nature meer het volkslied dan het kunstlied toegedaan.
* De verhalen van Clara over de slechte weersomstandigheden die zij geregeld meemaakte tijdens de oversteek naar UK hebben Brahms er van weerhouden ook op een boot te stappen. Waarom zou hij zichzelf zeeziekte aandoen, scheen hij van mening te zijn geweest. Ook de taal weerhield hem. Brahms heeft altijd in landen verbleven waar men Duits sprak. Hij had geen antenne voor vreemde talen. In Noord-Italë kon hij met Duits nog wel terecht (toerisme).
* Theodor Reik, *1888 Vienna, psychoanalyst, prolific writer, studied with Freud, fled via Holland (1934) to the U.S.A. (1938) where he wrote The Haunting Melody: Psychoanalytic Experiences in Life and Music (1953).

For Reik it is questionable or hard to believe that Johannes Brahms could have deeply in love with a woman. [...] I argue with myself : What about that deep and lasting affection for the widow of Robert Schumann ? If this intimate and tender emotion for Clara Schumann for so many years was not love, what else was it ? But the counter-voice makes itself heard : In spite of all intimacy, of all protestations of love and of passion, he never approached her sexually. He loved and desired her in his mind only.
    What in Heaven's name kept him back ? She was perhaps a mother-representative figure to him and as such sexually untouchable, while he satisfied his sexual needs by relations with degraded objects, streetwalkers. As a matter of fact, the latter point is detailed by the biographers of the composer, but I know it from more direct sources.
    If one believed our aunt, "that woman" was no good, she slept till noon, was lazy and sloppy to a scandalous degree, and she saw "men" in her apartment. . . . Aunt Resi mentioned that a Herr von Brahms used to visit this lady regularly and then added something in a lower voice. This Mr. Brahms appeared to me as someone a little lower than a criminal as he kept company with that woman, whom our aunt sometimes called a Hur (whore). This was the first time I had ever heard this expression. It was certainly before the age of kindergarten and I asked my mother on the way home what the word meant. My mother was shocked and forbade me ever to utter that bad word.
   The vulgar word for the erection, the upright position of the penis, in Vienna is St&nder, a derivative of the word "stand/* comparable to the American vulgar expression "hard-on". Standchen could be interpreted as a diminutive of "stand/' and would then mean a small or modest erection. The title of the Brahms lied Vergebliches Ständchen would, thus understood, mean futile small erection, that is, a state of sexual excitement of the male without release. In that phase of boyhood the fantasy was filled with sexual images and the interpretation of the song and of its title is not as astonishing as it now sounds. The lascivious fantasy of the "naughty" boy transformed the disappointed serenade into the picture of an erection not brought to its organic end, a sexual excitement that was frustrated by the cruelty of a girl. In later years, also, when I read about the relationship of the composer and Clara Schumann, the thought of that lady of easy virtue, Aunt Resi's neighbor, sometimes appeared. It was so persistent that it emerged when I heard the Vergebliches Ständchen again.
   In spite of what mental and emotional maturity I could muster In the meantime, the suspicion remained that the Ständchen was futile or the sexual performance of poor Brahms. So stubborn was this impression from boyhood that this thought sometimes emerged disturbingly when I passed the impressive monument to the great composer that stands before the Technical College at VIenna-not far from the street where Aunt Resi and her blond young neighbor lived. Remnants of that old doubt of Brahms's capabilities as a lover were, it seems, displaced to his authorship of the Liebesliedcr Waltzer as if I were not certain that the master was able to love a woman. Later on there was the puzzling problem of how it was possible that Brahms was so much in love with Clara and yet could regularly visit that slut in a back street of Vienna. I still remember that, during junior high-school years, I read the shocking sentence Gustave Flaubert once wrote to the effect that a young man can worship a certain woman and in spite of it run every evening to prostitutes ("Un jeune homme peut adorer une femme et aller chaque soir chez les filles"). But many years had to pass before I found, in Freud's psychoanalytic writing, an explanation of that division in the love life of many men.

* https://www.arthurcolman.com/m_brahms.html
* Geiringer pag 117 : Clara even wrote in her diary : “[...] Johannes promised to come to Baden - we have spoken frankly to one another (as far as such a thing is possible with him)”. These last words are significant and give a key to the whole episode. Brahms had reached such a degree of mental reserve and isolation that he could seldom make himself understood. [...] Brahms, however, avoided at this time any really personal friendship in the true sense of the word. He took all the more pleasure in cordial and unconstrained relations with people who understood the artist in him [...]
* In een brief aan Herzogenberg — de interessantste uit de verzameling welke door de Deutsche Brahms-Gesellschaft is uitgegeven — kan men de bekentenis lezen: „Wir Beiden lieben zwar die Sentimentalität nicht" (Reeser).


Brahms'overlijden en begrafenis

Brahms liet zich in zijn latere jaren steeds minder aan de piano horen. Hij had natuurlijk weinig tijd om zijn vingers lenig te houden, en in 1895 begon zijn gezicht de gele kleur te krijgen die zijn leverkwaal met zich meebracht, in 1896 voor iedereen zichtbaar. Hij vermagerde. Langzaam slonken zijn krachten. Maar hij wilde nog steeds denken dat het een tijdelijke inzinking was. Nog begin 1897 klaagde hij tegen Anton Sistermans over zijn ziekte en zei' "Es dauert so lange"'. Aan Widmann schreef hij lente 1895 "Sie werden doch gar zu oft an die Zerbrechlichkeit unserer Maschine erinnert, und man kann es Ihnen nicht verdenken, daß Sie von der Auferstehung alles Fleisches nicht viel halten".

Op 2 jan. 1897 hield Joachim een openbare generale van Brahms' strijkkwintet in G in hotel Tegetthoff. De nu sterk vermagerde Brahms was ongemerkt in een zijzaal gaan zitten luisteren, maar toen tijdens de Finale de mare rondging dat Brahms aanwezig was ontstond er een tumult in het publiek, waaronder kroonprinses Stephanie. Joachim was zo goed niet of hij moest naar Brahms in de zijzaal gaan en hem tegenstribbelend het podium op leiden, waar hij vier of vijf keer terug kwam om vriendelijk te knikken naar de aanwezigen die niet ophielden hem toe te juichen.
   Am 13. März besuchte Brahms noch die Uraufführung der Operette Göttin der Vernunft seines Freundes Johann Strauß im Theater a. d. Wien.
   Op 17 jan eerde men Brahms met een uitvoering van het 4-st. a capellakoor op. 93a nr 4 in de grote zaal van de Musikverein. Fahr wohl, een gedicht van Rückert, waarvan de laatste strofe luidt :

Fahr wohl,
All Liebes, das nun scheiden soll !
Und ob es schon geschehe,
Daß ich nicht mehr dich sehe,
Fahr wohl !

Een ontroerend moment. Brahms zat in de bestuursloge. Toen de aanwezigen zich als één man naar de loge keerden en hun hulde-en dankbaarheidsbetuigingen in die richting riepen stond Brahms op, steunde zich met beide handen op de balustrade, keek de zaal in, leunde naar voren en liet zijn hoofd diep zinken. Een ogenblik werd het doodstil ; toen brak een stormachtig applaus het pijnlijke moment. Brahms, die een afkeer had van zulke openbare toejuichingen, onderging tegen wil en dank een paar minuten lang de ervaring ‘applauditissimo’ te zijn, in de taal van Barbi gezegd.
   Op 7 maart 1897 was hij voor de laatste maal voorwerp van openbare huldiging. Hans Richter voerde met de Philharmonie zijn 4e symphonie uit. Brahms was helemaal achterin de directieloge gaan zitten, maar dat hielp niet, hij was opgemerkt, de mare ging rond. Na het eerste deel brak een oorverdovende ovatie los. Brahms moest weer naar de balustrade. De orkestleden stonden van hun plaatsen op en bogen voor de man wiens leven zichtbaar ten einde liep. Na de volgende delen hetzelfde tafereel. Toen het concert afgelopen was, ging Brahms naar de orkestkleedkamer en bedankte dirigent en orkest voor de "ganz wundervolle" uitvoering.
   In de morgen van 3 april 1897 stierf Brahms in de armen van Celestine Truxa, die dag en nacht bij zijn ziekbed gewaakt had.

        

        
             Österreichische Nationalbibliothek

Am Sterbebette Brahms’.
   Brahms starb am 3. April 1897 um 9 Uhr Morgens. Sechs Jahre sind darüber hinweggegangen. Mir aber ist es, als wäre es gestern, als wäre es heute, da ich an seinem Sterbebette stehe und ihm die Augen zudrucke. . . . Eine böse Nacht ist glücklich vorüber, Brahms was mehrmals in Ohnmacht gefallen und mußte Injektionen bekommen. Gegen Morgen endlich ist er ein wenig eingeschlummert und der Artzt, der diese Nacht bei ihm gewacht hat, entfernte sich, nachdem er bald wieder zu kommen versprochen hat.
   Außer mir und dem Kranken ist Niemand im Zimmer. Ich trete an sein Bett. Schwer athmend liegt er unter der leichten Bettdecke, seltsam hebt sich das Haupt mit dem zerzausten Haar und der gelblich fahlen Hautfarbe von dem weißen Linnen ab. Kalter Schweiß perlt ihm auf der Stirn. Immer kürzer, immer rascher werden die Atemzüge des Kranken. Unheimlich unterbricht das Röcheln aus seiner Brust die tiefe Stille des Zimmers. Im Garten zwitschern die Vögel, die Brahms in gesunden Tagen gerne zu futtern pflegte.
   Es ist ein schöner Frühlingsmorgen, und Brahms hofft, zu gesunden, er hofft, zu leben und zu schaffen. Die Aertzte haben ihn schon längst aufgegeben ; es ist keine Hilfe, keine Hoffnung mehr.

Ich rücke einen Fauteuil zu seinem Bett, denn meine ermüdeten Füße drohen, ihren Dienst zu versagen. Erinnerungen treten mir vor die Seele. Wie lieb war Brahms, als ich, kurze Zeit nachdem er mein Zimmerherr geworden war, mitten im Winter zu meinem kranken Vater nach Graz gerufen wurde ! Was nöthigte er mir nicht Alles von neuen Sachen für die Reise auf, damit ich mich nicht erkälten sollte, und mit welch väterlicher Sorge kümmerte er sich während meines Verweilens am Krankenlager meines Vaters, das bald sein Sterbelager werden sollte, um meine beiden Jungen, deren älterer damals gerade ins schulpflichtige Alter kam ! Es war rührend, wenn der eingefleischte Junggeselle meinem Mädchen verbat, während meiner Abwesenheit in seinen Zimmern aufzuräumen, damit den Kindern nichts geschehe. Er könne, so meinte er, „nicht vom Sessel 'runter fallen”, und wenn er Hunger habe, könne er ins Gasthaus gehen, die Jungen aber nicht.
   Eine Bewegung des Kranken lenkt meinen Blick auf sein fahles Antlitz. Er hat die Augen aufgeschlagen, die blaugrauen Augen, die so tief in die Seele der Menschen zu schauen wußten. Er sucht sich aufzurichten, ich stütze ihn, und mit meiner Hilfe erreicht er eine sitzende Stellung. Er will sprechen, seine Lippen bewegen sich, doch seiner Zunge gebricht es an Kraft, er kann nur leise stöhnen. Noch aber hält er sich nicht vor verloren, da treffen seine forschenden Blicke meine verweinten Augen, und er liest aus ihnen, was ich seit Monaten verborgen. Große Thränen rollen über seine eingefallenen Wangen. Sein Körper wird schwer und schwerer, seine Arme sinken schlaff herab, ein letzter Seufzer, ein letzter Atemzug, und langsam sinkt er in meinen Händen zurück auf das Lager. Brahms ist todt, den Blick auf mich gerichtet, ist er gestorben. Ich drücke seine Augen zu und sinke an des Meisters Todesbett nieder.

            C e l e s t i n a  T r u x a.

          Neue Freie Presse 7. Mai 1903.

 

Celestina Truxa

* Verona (Italien) 4. August 1852 ; † 20. Mai 1935 Wien. Lehrerin, Herausgeberin, Redakteurin, Vereinsfunktionärin.

   Biographie.  —  Celestina Truxa (geb. Oeppinger) wurde 1852 in Verona, das zu diesem Zeitpunkt zum Kaisertum Österreich gehörte, als Tochter von Josef Oeppinger (1810–1888) und der Handwerkerstochter Barbara Mauler (1818–1886) geboren. Ihr Vater war als k.k. Offizier und Kasernenverwalter in Verona stationiert. Über ihre Kindheit und Jugend ist wenig bekannt. Vermutlich gab es mehrere Ortswechsel, da die Familie dem Vater folgte, wenn er in einer neuen Garnison eingesetzt wurde.
   Von 1875 bis zu ihrer Eheschließung war Celestina Oeppinger in Wien als Privatlehrerin tätig. Im August 1880 heiratete sie den aus dem Fleck Pürglitz = Burglitz = Křivoklát in Böhmen stammenden Journalisten und Eigentümer der "Verkehrs-Zeitung" Leo Johann Robert Truxa, mit dem sie zwei Söhne hatte : Dr. iur. Robert T. 1882–1949 und Ing. Leo T. 1884–1976. Der plötzliche Tod ihres Mannes, der am 17. August 1886 unter unklaren Umständen in Interlaken (Schweiz) verstarb, veränderte ihr Leben grundlegend. Sie übernahm von ihm die "Verkehrs-Zeitung", ein wöchentlich erscheinendes Blatt, das sie bis 1910 als Eigentümerin und Herausgeberin weiterführte. Außerdem zog sie 1887 mit ihren Kindern von ihrer bisherigen Wohnung im 9. Bezirk in die Karlsgasse 4 im 4. Bezirk. Als Hauptmieterin bezog sie mit ihren beiden Söhnen jene Wohnung in der Karlsgasse 4 (Wien), in der Johannes Brahms seit dem 1. Jan 1879 bereits zwei Zimmer im 4. Stock als Untermieter der Fam. Vogl bewohnte. Brahms bekam jetzt drei Zimmer. Als seine Vermieterin lebte Truxa die nächsten zehn Jahre -- bis seinem Tod -- Tür an Tür mit dem berühmten Komponisten. Truxa kummerte sich nicht nur um dessen häuslichen Belangen, sondern rettete auch z.B. die Cello-Stimme aus dem 1891 entstandenen Trio A moll op. 114 aus dem Papierkorb. Als Brahms am 3. April 1897 verstarb, war sie während seiner letzten Stunden als Einzige bei ihm.
   In seinem Testament hatte Brahms sie mit 10.000 fl sowie mit seinen Möbeln, Bildern und anderen Objekten bedacht. Nach seinem Tod bezog Truxa eine Wohnung im 6. Bezirk, in der sie bis zu ihrem Tod lebte. Ab 1920 führte sie eine Tabak-Trafik.
   Celestina Truxa war nachweislich auch in verschiedenen Vereinen aktiv. Sie war langjähriges Mitglied im 1885 gegründeten Verein der Schriftstellerinnen und Künstlerinnen in Wien. 1889 wurde sie vom Verein als stellvertretendes Ausschussmitglied nominiert. 1902 steuerte sie ein Gedicht für ein Büchlein bei, das als literarische Damenspende beim Schriftstellerball der deutsch-österreichischen Schriftstellergenossenschaft ausgegeben wurde.
   Aktiv war sie auch im sozialen Bereich. Sie war Schriftführerin in der 1904 gegründeten "Auskunftsstelle für Wohlfahrtseinrichtungen in Wien". Ab 1903 engagierte sie sich in der Österreichischen Liga zur Bekämpfung des Mädchenhandels (später: Österreichische Mädchen- und Kinderschutzliga) und führte die Vereinsgeschäfte als Generalsekretärin in den Jahren 1904 bis 1914. Unter der Leitung von Celestina Truxa erfuhr die Liga einen wesentlichen Ausbau. Die Organisation unterhielt Zweigstellen in verschiedenen Städten der Monarchie, organisierte Wohltätigkeitsveranstaltungen, eröffnete sogenannte "Mädchenschutzstationen" und kämpfte unter anderem gegen Verwahrlosung und Prostitution. Im Zusammenhang mit ihrem sozialen Engagement lernte Celestina Truxa auch wichtige Vertreterinnen der Frauenbewegung, wie beispielsweise Marianne Hainisch und Bertha Pappenheim, kennen.
   Durch eine Schenkung von Leo Truxa an die Stadt Wien in 1966 gelangte jener Teil des Nachlasses seiner Mutter, der Johannes Brahms betraf, an die Handschriftensammlung der Wienbibliothek im Rathaus. Die Sammlung "Johannes Brahms / Celestine Truxa" umfasst rund 460 Schriftstücke, darunter Briefe, Postkarten und Fotografien, aber auch hauswirtschaftliche Ausgabebücher und kurze Berichte darüber, wie Truxa mit Johannes Brahms bekannt wurde und wie sie die letzten Stunden an seinem Sterbebett verbrachte.
. Als Vereinigungsbüro fungierte Truxa's Wohnung, in der sie bis 1915 der Wiener Brahms-Gesellschaft Schauräume mit Brahms’ Interieur zur Verfügung stellte. Ab 1920 bis zu ihrem Tod in 1935 führte sie eine Tabak-Trafik.
    Celestina Truxa wurde am 22. Mai 1935 am Wiener Zentralfriedhof bestattet.


                    Samengesteld uit :  Geschichtewiki.wien/Brahmswohnungen    en

                    Österreichisches Biographisches Lexikon / 1815-1950 / Bd. 14 (Lfg. 66, 2015), S. 478f.   
                    aangevuld met eigen onderzoek.  

Men kan zich voorstellen dat Brahms met Celestina Truxa goed kon opschieten. En omgekeerd.

———————————————

Op zaterdag 3 april 1897, tegen negen uur in de morgen, stierf Brahms in de armen van zijn 'huisbaas', de schrijversweduwe Celestine Truxa, die tien jaar lang de huishoudelijke beslommeringen voor hem waarnam en de laatste maand nauwelijks van zijn bed week. -- Het dodenmasker werd nog dezelfde dag door Karl Kundmann afgenomen.

Hoe zijn begrafenis op dinsdag 6 april verliep wordt onderstaand beschreven. Verschillende bronnen zijn gebruikt. De biografie van Kalbeck en het artikel in de Neue Freie Presse 7 april 1897 waren daarbij de belangrijkste gids.

Op een stralende lentemiddag, 6 april 1897, werd Brahms begraven. 's Ochtends was het nog koud en bewolkt, maar de zon won met overmacht. In het sterfhuis was het een komen en gaan van afscheidsdelegaties en werden rouwkransen, brieven en telegrammen bezorgd. Mensen verzamelden zich bij het huis aan de Karlsgasse en in de omliggende straten. Om twee uur droeg men Brahms' kist de versleten trappen af naar de lijkkoets en laadde de kransen, bloemstukken etc. in zes wagens. Om half drie vertrok de stoet van lijkkoets, volgers, koetsen voor wie slecht ter been was en bloemenwagens. Men hield stil voor het Musikvereinsgebäude, waar twee toespraken werden gehouden. Op het plat en de trappen onder het baldakijn voor de hoofdingang stonden de leden van de Singverein, die Brahms' eigen "Fahr wohl" zongen toen de lijkstoet verder trok.


     Österreichische Nationalbibliothek

De stoet komt uit de Karlsgasse de Karlsplatz op richting Lothringerstraße. Rechts het Musikvereinsgebäude. Links daarvan staat het Künstlerhaus. Daar was van alles in gevestigd, van museum tot filmzaal. Nu is het na grondige renovatie weer een museum. De muur links op de foto is waarschijnlijk van de Technische Universität. De schaduwen laten zien dat de zon schijnt.

Brahms' Leichenbegängnis. Tot kort voor 2 uur werden telegrammen, kransen en bloemstukken in Karlsgasse 4 binnengebracht. So groß war die Zahl der Blumengewinde, die das Heim des dahingeschiedenen Meisters in einen blühenden Hain verwandelten, daß die Diener der Leichenbestattungs-Anstalt "Concordia" eine halbe Stunde brauchten, um dieselben auf die Straße zu bringen, und sechs Wagen genügten kaum, um die Fülle von Lorbeer und Palmenzweigen, von Rosen und anderen Blüthen zu tragen. Um 2 Uhr begann der Zuzug der Trauergäste ; sie sammelten sich vor dem Hause in der Karlsgasse Nr. 4, und bald darauf wurde der Sarg in der mit sechs Rappen bespannten Galaleichenwagen gehoben. Der Trauerzug nahm seinen Weg durch die Karlsgasse, Karlsplatz, Technikerstraße, über die Schwarzenbergbrücke, durch die Lothringerstraße zum Hauptportal des Musikvereins-gebäudes. Den ganzen Weg säumte eine zahlreiche Menschenmenge ein. Beim Künstlerhause und dem Conservatorium standen die Leute Kopf an Kopf. Vom Hause der Gesellschaft der Musikfreunde wehte eine schwarze Fahne, schwarzes Tuch verkleidete alle Thüren und schlang sich um die Säulen des baldachinartigen Vorbaus. Unterhalb des Baldachins hatten die Damen und Herren des Singvereins mit ihrem Dirigenten Dr. Richard von Perger Aufstellung genommen. Um 3 Uhr nahte der Zug. Alles entblößte das Haupt. Zwei kurze Ansprachen folgten. Tief zum Herzen dringend grüßte den Meister sein eigenes Tonstück „Fahr wohl !” Von den Bäumen her erschallte in den kurzen Pausen und bei den Pianissimostellen Vogel zwitschern, dann klang das Lied verschwebend, fast unmerklich aus, und der Zug, der viel, viel größer geworden war, schritt weiter, über die linke Seite des Kärntnerrings, an der Oper vorbei, durch die Operngasse, über den Albrechtsplatz, über die Tegetthoffstraße durch die Plankengasse in die Dorotheergasse zur Kirche.

                 

Kalbeck gebruikt het oudere 'Dorotheengasse', eigenlijk St. Dorotheengasse.

Evangelische Kirche A. C. is de afkorting van Evangelische Kirche Augsburgensae Confessionis in Österreich.

I is de wijkaanduiding (Bezirk).

Die Kirche war schon voll, ehe der Zug kam. Hier hatten sich das offizielle Wien, die Vertreter der städtischen Ämter und kaiserlichen Behörden eingefunden. Ook was er een aantal andere genodigden, onder wie Karl Goldmark, Ignaz Brüll, Max Kalbeck. Dann aber, als alle die Trauergäste mit der Leiche kamen, entstand ein beängstigendes Drängen. Als der Sarg auf der Bahre stand, stimmte der Kirchenchor Mendelssohn's "Es ist bestimmt in Gottes Rath" an. Der Pfarrer, Paul von Zimmermann, hielt eine kurze Ansprache. Toen hij uitgesproken was, zong de Wiener Männergesang-Verein o.l.v. Eduard Kremser Wanderers Nachtlied van C. G. Reissiger.

Wanderers Nachtlied

Goethe


Der du von dem Himmel bist
Alles Leid und Schmerzen stillest,
Den, der doppelt Elend ist,
Doppelt mit Erquickung füllest,
Ach, ich bin des Treibens müde !
Was soll all der Schmerz und Lust ?
Süßer Friede,
Komm, ach komm in meine Brust !
 
Verder ging het : Augustinerstraße, Lobkowitzplatz, Operngasse, Ringstraße, Schwarzenbergbrücke, Rennweg zum Kirchhof. In de stoet zag men honderden vertegenwoordigers van instituten, verenigingen en orkesten uit half Europa ; en personen als Antonin Dvořák, Arthur Nikisch, Eduard Strauß, Frau Johann Strauß, Marie Schumann (de oudste dochter van Robert en Clara), Bram Eldering, Ludwig Bösendorfer.
   Auf dem Friedhofe wurde der Sarg von einer Reihe von persönlichen Freunden des Dahingeschiedenen umgeben, die ihn mit brennenden Windlichtern bis zu dem Ehrengrabe im Künstlerbosquet begleiteten. Der Sarg wurde in die Tiefe gesenkt und die zahlreichen Trauergäste gruppirten sich in der Runde. Dann sprach der Dirigent des Singvereins, Richard von Perger, einen Abschiedsgruß.


"Keine Gattin, keine Kinder begleiteten seinen Sarg. Alice Barbi aber war unter den Leidtragenden, und sie als erste warf ihm eine Scholle ins Grab."  Hillman 1918, Die Stunde 6 mei 1936, Neues Wiener Tagblatt 1 juni 1938 en andere kranten. En Brahms is niet in doodse stilte naar zijn laatste rustplaats gebracht. Welke klanken hem begeleidden gaan we hieronder na op basis van vnl Kalbeck en het Neues Wiener Tagblatt van 7 april 1897. Eerst nog even over de aanwezigheid van Barbi. Dat zij als eerste . . . het moet een melodramatisch verzinsel zijn. Kalbeck noemt Barbi niet onder de aanwezigen, noch is haar naam te vinden bij degenen die een krans, bloemstuk of telegram gestuurd hebben. Dat weegt zwaar. Mocht hij haar in haar rouwkleding niet opgemerkt hebben, de tien of twaalf man rond het graf wierpen als eersten een schepje aarde op de kist, daarna liepen de overige vrienden en naaststaanden langs het graf, onder wie zich Barbi kan hebben bevonden.

Die Stunde 6 mei 1936

        

According to some writers (Franken 1991; Swafford 1997, 2001), she attended Brahms's funeral on 6 April 1897 ; indeed, according to Swafford, she was even the first of the mourners to throw a handful of dust into the grave. However, her presence is not mentioned by Kalbeck, nor is there any reference to her in the detailed account of the funeral, which appeared in the Neue freie Presse the next day.
The following year Barbi gave two all-Brahms recitals in Vienna, on 30 March and 1 April 1898 ; the purpose of the first one was to collect funds for theproposed Brahms monument. She made some further appearances at charity concerts in Vienna in 1902, 1903, and 1905.

Brahms and His World: A Biographical Dictionary by Peter Clive

Het graf was tot aan de onthulling van het Denkmal alleen bedekt door een zerk, die op de foto's ervan geen opschrift lijkt te hebben.

    
Uit dit bericht in het Neues Wiener Journal van 5 dec 1897 zou men wel of juist niet kunnen opmaken dat Alice Barbi de uitvaart van Brahms niet heeft bijgewoond.
  Kalbeck noemt haar niet onder de aanwezigen.

 

__ M U Z I K A A L   E S C O R T E   B IJ   B R A H M S'   L A A T S T E   T O C H T __

1. De vraag : "Wie organiseerde wat" ? beantwoordt Kalbeck heel duidelijk :

Die »Gesellschaft der Musikfreunde« versandte folgenden Partezettel:

Mit den Kosten für das Begräbnis hatte die Gesellschaft auch die Sorgen für alle Äußerlichkeiten der Feier übernommen und diese Last, wie es ja kaum anders sein konnte, auf eine bewährte Entreprise des pompes funèbres abgewälzt. Dadurch erhielt das Ganze einen zwar pompösen, aber steifen offiziellen Charakter. Selbstverständlich setzte der dirigierende Oberstzeremonienmeister des Todes seinen Stolz darein, daß nichts fehlte, was die Etikette eines so ungewöhnlichen Leichenbegängnisses erster Klasse verlangt. Dank dem Eifer der Unternehmung verwandelte sich das einfache freundliche Schlafzimmer, in welchem Brahms unter dem Bildnisse seines heiligen Sebastian (Bach) entschlummert war, sofort in ein düsteres Prunkgemach. Decke und Wände wurden mit schwarzem Tuch ausgeschlagen, der glänzende Metallsarg unter einen Baldachin gestellt und mit dicken brennenden Wachskerzen umgeben, die in schweren silbernen Kandelabern steckten. Auf einem Samtkissen prangte die goldene Ehrenbürgerkrone, von einem andern blinkten die Ordenssterne des Verewigten, auf einem dritten ruhte eine goldene Leier. Brahms würde gelacht haben, wenn er die mit Federhüten, Mänteln und Degen[518] einherschreitenden Hidalgos gesehen hätte, die ihn die ausgetretene Stiege auf die Straße hinuntertrugen, wo der gläserne Galawagen mit einem Vorspann von sechs panaschierten Rappen seiner wartete. Die Kränze der Stadt Hamburg und der Stadt Wien bedeckten den Sarg.
     [Evangelische Kirche A. B. = Augsburgischen Bekenntnisses in Österreich]

2. Welke muzikaal actieve verenigingen stonden de organisatoren ter beschikking ?
Wiener Singverein (gemengd koor)
Wiener Männergesangvereinigung (mannenkoor)
Kirchenchor Ev. K. Dorotheergasse (gemengd)
Orkest van de Philharmonischer Verein
Gesellschafts Orchester (Gesellschaft der Musikfreunde)
Orchester der Staatsoper
Strauß’ Ensemble
Blaskapelle Garnison Wien

3. Welke muziek was geprogrammeerd c.q. werd werkelijk gezongen / gespeeld ?
Brahms, Fahr wohl, gemengd koor a capella, Singvereins o.l.v. Dr. Richard von Perger. Met dit lied en het erop volgende enorme applaus, een applaus van dankbaarheid voor al het moois dat hij geschreven had, was de zichtbaar onttakelde Brahms op het. Gesellschaftskonzert van 17 jan. welkom geheten.
Bach, Jesus, meine Zuversicht, (koraal BWV 365), kerkkoor Dorotheenkirche o.l.v. NN.
Mendelssohn, Es ist bestimmt in Gottes Rat, Singverein o.l.v. Richard von Perger.
Reissiger / Goethe, Wanderers Nachtlied / Der du von dem Himmel bist, Wiener Männersangverein o.l.v. Eduard Kremser.
Schubert / Goethe, Wanderers Nachtlied / Über allen Gipfeln ist Ruh, Wiener Männersangverein o.l .v. Eduard Kremser.

4.  Texte

Fahr wohl,
All Liebes, das nun scheiden soll !
Und ob es schon geschehe,
Daß ich nicht mehr dich sehe,
Fahr wohl !
         Jesus, meine Zuversicht und mein Heiland ist im Leben ;
Dieses weiß ich, soll ich nicht darum mich zufrieden geben ?
Was die lange Todesnacht mir auch für Gedanken macht.

1. Es ist bestimmt in Gottes Rath,
Daß man vom Liebsten, was man hat,
Muß scheiden, ja scheiden;
Wiewohl doch nichts im Lauf der Welt,
Dem Herzen, ach! so sauer fällt,
Als Scheiden, als Scheiden, ja Scheiden!
Laatste strofe : 4. Nun mußt du mich auch recht versteh'n,
Nun mußt du mich auch recht versteh'n:
Wenn Menschen auseinander geh'n,
So sagen sie:
Auf Wiederseh'n, auf Wiederseh'n !
Auf Wiederseh'n, auf Wiederseh'n !

Der du von dem Himmel bist
Alles Leid und Schmerzen stillest,
Den, der doppelt Elend ist,
Doppelt mit Erquickung füllest,
Ach, ich bin des Treibens müde !
Was soll all der Schmerz und Lust ?
Süßer Friede,
Komm, ach komm in meine Brust !
       Über allen Gipfeln
Ist Ruh,
In allen Wipfeln
Spürest Du
Kaum einen Hauch;
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur, balde
Ruhest Du auch.


 ————————       ———————       ——————      

Max Kalbeck (1850-1921), goede vriend en biograaf van Brahms beschrijft in deel 4-IV-2 van zijn Johannes Brahms welke liederen er te horen waren tijdens Brahms' Leichenbegängnis. Zijn biografie (begonnen in 1904) is lange tijd de voornaamste geweest met die van May (1905) op afstand als tweede. Kalbeck was bij Brahms' begrafenis aanwezig. Hij maakte deel uit van de stoet, zat in de (protestante) kerk, was tegenwoordig op de begraafplaats. Zijn beschrijvingen zijn waardevol want uit de eerste hand.
   Zijn opgave van de daar gezongen liederen wijkt af van hetgeen er in de kranten geschreven staat. Mendelssohns "Es ist bestimmt in Gottes Rat" werd uiteindelijk niet gezongen.
Op de trappen van het Musikvereinsgebäude werd het Chorlied "Fahr wohl" van Brahms gezongen. Aangekomen in de Lutherische Kirche der Dorotheengasse zong het kerkkoor "Jesus, meine Zuversicht" hoogstwaarschijnlijk op de melodie van Bach. Brahms was tenslotte gestorven met een beeltenis van Bach boven zijn hoofd. Vrijwel niemand kon het koraal meezingen, daar het merendeel van de aanwezigen katholiek was. Na de toespraak van Pfarrer Zimmermann zong de Wiener Männersangverein o.l.v. Eduard Kremser "Der du von dem Himmel bist". Kalbeck benoemt de componist niet, het zou in de versie van Reissiger geweest kunnen zijn, deze wordt in de kranten vermeld ("Wanderers Nachtlied", woorden van Goethe). Verrassend is dat daarna Schubert-Goethe's "Wanderers Nachtlied" klonk. Dat zou dan met de tekst "Über allen Gipfeln" geweest kunnen zijn.

Weiter zogen wir über den Kärntnerring an der Oper vorüber, durch die Tegetthoffstraße und Plankengasse in die protestantische Kirche der Dorotheengasse. Hier hatten sich das offizielle Wien, die Vertreter der städtischen Ämter und kaiserlichen Behörden eingefunden, Sektionschefs, Räte, Herrenhausmitglieder, Magistrat und Burgermeister: Graf Latour, Landmarschall Freiherr v. Gudenus, Sektionschef Janockowich, Freiherr v. Weckbecker, Graf Pejacsevich, Ludwig Lobmeyr, Dr. Karl Lueger und Dr. Neumayer, daneben auch Gelehrte und Künstler, Karl Kundmann, Wilhelm Jahn, Karl Goldmark, Karl Glossy.
   De evangelische kerk, ook reformirte Stadtkirche genoemd, had slechts 205 zitplaatsen. Van 1884-1919 verscheen iedere 1. en 15. van de maand de Evangelische Kirchen-Zeitung für Österreich. Daarin is rond 1900 sprake van een Evangelischer Singverein en van een Kirchenchor der Stadtkirche. Het laatstgenoemde zal gezongen hebben bij de uitvaart van Brahms. In de kranten valt te lezen dat ze ook tijdens uitvaarten zongen. In een bericht over een uitvaart in april 1903 staat dat der gemischte Kirchenchor zal meewerken. In de Lutherischen Stadtkirche stond een orgel met 20 reg. op 2 man. en ped. van Friedrich Deutschmann uit 1808. Een kleine uitbreiding en verandering vond in 1821 plaats. Het instrument werd hogelijk gwaardeerd door beroemdheden als Abbé Vogler, en door musici uit de vriendenkringen van Franz Schubert, Anton Bruckner en Johannes Brahms graag bespeeld. Tot in de 20e euw is het aan modernisering ontsnapt.

I.v.m. Brahms' Requiem is het interessant te weten dat die Evangelische Kirche ihre Verhältnisse nach wie vor nicht selbst regeln durfte. Dies änderte erst das Protestantenpatent von 1861, mit dem Kaiser Franz Joseph I. den Evangelischen die volle Freiheit des Bekenntnisses und der öffentlichen Religionsausübung zusicherte: Evangelische waren von nun an berechtigt, ihre Angelegenheiten selbst zu regeln und Vereine zu gründen. Maar vóór 1861 werden ze vervolgd, tienduizende hebben het land verlaten. De overblijvenden Moeste schuilkerkje spelen.

Der Kirchenchor sang den Choral »Jesus, meine Zuversicht«, den niemand kannte, und in den niemand einstimmte, weil alles katholisch war; 49 der Wiener Männergesangverein unter Eduard Kremsers Leitung »Der du von dem Himmel bist«. [521 Zwischen den Liedern widmete Pfarrer Dr. v. Zimmermann dem Toten einen warmen, von jedem dogmatischen Beigeschmack freien Nachruf.
[523] Schubert-Goethes Nachtlied erklang, und seine Melodie bekräftigte die Aussage des künstlerisch empfindenden Geistlichen.


47 Sechs Jahre darauf hat Frau Truxa am 70. Geburtstage des Meisters in der »Neuen freien Presse« unter dem Titel »Am Sterbebette Brahms'« einen kleinen Aufsatz veröffentlicht, der im wesentlichen mit der obigen Aussage übereinstimmt und nur in einigen Nebendingen von ihr abweicht. Der Eintritt des Todes wird (irrtümlich) auf 9 Uhr morgens festgesetzt. Brahms habe sich aufzurichten versucht und sprechen wollen, sei aber langsam unter ihren Händen zurückgesunken und habe, während große Tränen über seine eingefallenen Wangen rollten, mit auf sie gerichtetem Blicke seinen letzten Atemzug getan.
48 Die aus verschiedenen Wiener Zeitungen zusammengetragene Liste erhebt keinen Anspruch auf Vollständigkeit. Auch was das Zeremoniell anbetrifft, folgte der Verfasser den damals erschienenen öffentlichen Berichten.
49 In den Zeitungen war zu lesen, der Kirchenchor hätte Mendelssohns »Es ist bestimmt in Gottes Rat« gesungen. Eigentümlich ist der Zufall, daß ich bei einem meiner letzten Gespräche mit Brahms von den (mit der religiösen Mode fortschreitenden) Veränderungen im Texte gerade dieses protestantischen Kirchenliedes gesprochen hatte, im Anschluß an die Widmannschen Bedenken. (Vgl. S. 489.) Brahms wußte natürlich, daß die Brandenburgische Kurfürstin Louise Henriette (1627–67) das Gegenteil von dem gedichtet hat, was heute gelehrt, geglaubt und gesungen wird. Bei ihr heißt es: »Dann wird eben diese Haut mich umgeben, wie ich gläube, Gott wird werden angeschaut dann von mir in diesem Leibe, und in diesem Fleisch werd' ich Jesum sehen ewiglich.« Heute steht in den Gesangbüchern der Gemeinde: »Dann wird mich statt dieser Haut ein verklärter Leib umgeben, Gott wird werden angeschaut dann von mir in jenem Leben, und in jenem Leib werd' ich Jesum sehen ewiglich«. Brahms sagte ironisch, es scheine also auch unter den Gläubigen und Gelehrten noch nicht so recht sicher, wie es eigentlich bei der Auferstehung zugehen werde.
       Kalbeck IV, 2. Halbband, Kap. 10.

            
1. Eerste grafsteen van Brahms, Wiener Zentralfriedhof. Foto ongedateerd : Maria Fellinger, Meininger Museen.
2. Brahms’ Grabmal, "Ehrengrab", Zentralfriedhof Wien. Wikimedia. Gemaakt door Ilse Conrat, onthuld op 7 mei 1903.

———————————————

Bad Ischl – Strauß – BillrothTestament

Een tijdgenoot voor wie Brahms bewondering had, in muzikaal opzicht, was Johann Strauß jr. (1825-1899). De mannen waren goed bevriend. Eens vroeg de stiefdochter van Johann Strauß, Alice von Meyszner-Strauß, Brahms iets op haar waaier te schrijven. Brahms noteerde de openingsmaten van An der schönen blauen Donau en daaronder "Leider nicht von Johannes Brahms".
   Bijvoorbeeld in Brahms' walsen à quatre mains op. 39 is Strauß niet ver weg. Ook Hongaarse volksmuziek was een bron van inspiratie voor Brahms.
   Zowel Strauß als Brahms brachten hun zomers in Bad Ischl door (evenals Anton Bruckner en Franz Lehár). Brahms bezocht het kuuroord in 1880 voor het eerst en verbleef er vanaf 1889 iedere zomer. Hij wandelde en componeerde in dit schilderachtige bergdorp waar hij kamers huurde in een huis buiten het centrum in de nabijheid van de rivier de Traun. Brahms ontmoette hier Mahler een paar keer. Geïnspireerd door de omgeving schreef hij hier o.a. aan Ungarischen Tänzen, Gesang der Parzen, Guten Abend, gut Nacht en Feldeinsamkeit.    Vanuit Bad Ischl bezocht Brahms regelmatig Clara Schumann die in Bad Aussee verbleef. Aan de Wolfgangsee had hij ontmoetingen met de chirurg en (amateur)musicus Theodor Billroth (1829-1894). De mannen waren sinds 1860 bevriend. Brahms zond Billroth vaak originele manuscripten ter beoordeling. Billroth heeft lang getwijfeld of zijn carrière in de muziek of in de geneeskunde lag. Uiteindelijk werd hij een van de meest toonaangevende chirurgen van de 19e eeuw, hij voerde de eerste gastrectomie uit. Brahms droeg zijn eerste strijkkwartetten aan hem op. Billroth overleed in 1894, hij werd begraven op het Zentralfriedhof in Wenen.
   Brahms' geneesheren die de zaak al hadden opgegeven hoopten toch nog enige verlichting voor de patiënt te bereiken in een water kuuroord. Brahms liet zich sturen, voor deze keer. In oct 1896 keerde de nu doodzieke Brahms uit het Tsjechische kuuroord Karlsbad terug naar Wenen, een kleine 400 km per trein. Reizigers zaten op houten banken, er was geen verwarming en de conducteur kon niet door de trein lopen om de kaartjes te controleren met een toverlantaarn. De wegbrengers hadden Brahms zeker van het nodige voorzien, en bovendien verwarmden de Spoorwegen Brahms’ coupé met een gesloten platte pot gloeiende kolen uit de locomotief en een stuk of wat stoofjes, een meelevend en onvergetelijk gebaar dat voor altijd op hun palmarès staat.

In mei 1891 schreef Brahms zijn Ischler Testament aan Fritz Simrock. Dit was het enige testament dat hij ooit ondertekende. In de laatste weken voor zijn dood had Brahms Richard Fellinger benaderd om een testament op te stellen. Dit is nooit ondertekend, vandaar dat de autoriteiten zich moesten beroepen op de in Bad Ischl geschreven brief. Een paar dagen na Brahms' overlijden werd zijn nalatenschap onder het gezag van de rechtbank gebracht. Direct deed zich het probleem voor welk gerecht dat zou moeten zijn. Aangezien Brahms nooit het Oostenrijks staatsburgerschap had aangevraagd, lag de jurisdictie in Hamburg. Om het probleem op te lossen, gaf Hamburg de claim op en werd Brahms postuum een Oostenrijks burger.
   Een Weense advocaat had ondertussen de volmacht gekregen om op te treden namens 22 erfgenamen. Officieel waren zij de eigenaren van meer dan 4000 aan Brahms gerichte brieven. Fellinger pleitte ervoor de brieven terug te sturen aan de afzenders of te vernietigen. Uiteindelijk kwam de rechtbank er aan te pas. Advocaat en muziekliefhebber dr. Erich von Hornbostel werd aangewezen om de brieven te openen. Omdat hij geen aantekeningen heeft gemaakt, is niet bekend welke brieven vernietigd zijn en welke teruggegeven zijn aan de afzender.
   Brahms' fortuin en persoonlijke bezittingen werden verdeeld onder de 22 erfgenamen. Toen het gebouw aan de Karlgasse in 1906 werd afgebroken, is zijn meubilair bewaard. Tijdens WO II is een deel daarvan vernietigd. Een pianostoel, een schrijftafel en een schommelstoel zijn te bezichtigen in musea.
                              
                                         De Telegraaf 3 jan 1902. > > >
 


image.png    

1. Strauß met Brahms op de veranda van Strauß' villa in Bad Ischl.    
Foto Rudolf Krziwanek sept 1894 / ÖNB.
2. Zentralfriedhof Wien. De grafstenen van Strauß en Brahms. Die van Brahms is gemaakt door Ilse Conrat, onthuld op 7 mei 1903. 
Foto Frits Roest nov 2018.

Precies twee jaar en twee maanden na het overlijden van Brahms overleed zijn vriend en ‘kameraad’ Johann Strauß jr. op 3 juni 1899. De begrafenissen van beide mannen bevatten veel overeenkomsten ; een afscheidsdienst in de Dorotheergasse Kirche (Strauß had zich bekeerd tot het protestantisme om zijn derde vrouw te trouwen), voor het Musikvereinsgebäude zongen leden van de Singverein ‘Fahr wohl’ van Brahms, waarna men op weg ging naar het Zentralfriedhof, waar Strauß direct naast Brahms begraven werd. Op 25 okt., Strauß' geboortedag, zong de Singverein te zijner nagedachtenis o.l.v. Richard von Perger Brahms’ Ein deutsches Requiem in de grote Musikvereins-Saal. Brahms improviseerde bij de schilder Karl Lessing in Karlsruhe met Hermann Levi of Wilhelm Kalliwoda graag dansmuziek bijv. op de Schöne blaue Donau.

Beethoven en Schubert werden in eerste instantie op het kerkhof in Währing (18e wijk) begraven. Toen in het midden van de 19de eeuw de bevolking en dus het aantal sterfgevallen toenam, besloot de stad Wenen een groot kerkhof aan te leggen buiten de stad en de kerkhoven rondom de kerken in de voormalige dorpjes rond Wenen, nu wijken, te sluiten. Indertijd was het Zentralfriedhof slecht bereikbaar en niet “gemütlich”. Om de aantrekkelijkheid en status te verhogen, zijn de stoffelijke overschotten van veel beroemde kunstenaars, wetenschappers en politici, die begraven lagen op de kerkhoven die opgeheven werden, verplaatst naar het Zentralfriedhof. En daar liggen ze nu dan: Brahms, Strauss, Schubert, Beethoven, Gluck, Ligeti, Salieri, Suppé, Wolf, Schönberg en minder bekenden gezellig in een componistengroepje met eregraven.
    Naar mijn weten is Mozart de enige die ‘ontbreekt’. Niet omdat hij, zoals vaak beweerd wordt, in een armengraf zou liggen, maar omdat hij de pech had tijdens de “Begräbnisreform” van Kaiser Joseph II te sterven. Die duurde zes maanden en werd weer afgeschaft omdat een burgeroorlog dreigde. Hij verbood het gebruik van houten kisten en voerde de “spaarkist” in. Het was in die tijd gebruikelijk, dat er in de kerk afscheid van de gestorvene genomen werd en de begrafenis zonder aanwezigen plaatsvond. Joseph II verordonneerde dat lijken in linnen genaaid moesten worden en in een door de kerk ter beschikking gestelde kist opgebaard moesten worden. Deze kisten beschikten over een openklapbare bodem. Bij de begrafenis werd de kist boven een groepsgraf gelegd, de klep geopend en een laagje ongebluste kalk en aarde over het lijk gegooid. Dit trof alle rangen en standen. Geen wonder dat het bijna tot een opstand leidde. Als compensatie heeft Mozart een cenotaaf op het Zentralfriedhof en op het Friedhof St. Marx (waar zijn stoffelijke resten ergens liggen).

          Frits Roest.

p.65  Die Christuskirche ist nach der Lutherischen Stadtkirche (Wien I., Dorotheergasse 18), der Garnisonskirche, der Reformierten Stadtkirche und der Gumpendorfer Kirche die fünftälteste evangelische, die drittälteste als evangelisches Gotteshaus gebaute Kirche Wiens. Danach erfolgte relativ lange kein Bau einer evangelischen Kirche. Es dauerte bis in die 1880er Jahre, bis entsprechende Pläne entwickelt wurden.
       Ars Protestantica.pdf | Karl-Reinhart Trauner - Academia.edu

-----------------------------

Clara Schumann was van 1856 tot 1888 ‘part of the season’ in Londen. Elk jaar verbleef ze er meerdere maanden. Het was haar voornaamste werkterrein. Ze zal met Stockhausen over het Requiem gesproken of geschreven hebben. Er is contact gelegd met Thompson. Stockhausen had uiteraard een gedrukte à quatre mains transcriptie die hij kon voorleggen aan de Thompsons, misschien samen met Clara. Ze kenden alle ins en outs van het Londense muziekleven en wisten waar ze wel en waar ze niet moesten zijn om een dergelijke uitvoering op hoog niveau tot stand te brengen. Lady Thompson bestelde de transcriptie bij Novello.
   Tadema zal een uitnodiging voor de privé-uitvoering hebben ontvangen, een paar weken voor zijn tweede huwelijk. Interessante weetjes zijn dat Thompson Tadema de opdracht gaf voor A hearty Welcome (1878), en dat Thompson een van de vijf mensen uit Laurence Tadema's omgeving was die een positieve verklaring voor haar naturalisatieverzoek afgaven (5 oct 1897). Hij kende Laurence ten tijde van haar naturalisatie al 20 jaar. Hij was een huisvriend, dus. Clara schijnt de uitvoering niet hebben kunnen bijwonen, wat haar zeer gespeten moet hebben.

Inline afbeelding 3        Inline afbeelding 1

1. Stockhausen en Brahms in 1869. Photographie, Wien 1869, Sammlung Kurt Hofmann, Hamburg.
2. Anna Shimon-Regan. The Danish Brahms Society / Foto : J. G. Schaarwachter, Berlin. Wikimedia Commons.

Inline afbeelding 1     Inline afbeelding 4
1. Portret van Lady Thompson (21 aug 1825 – 30 aug 1904), L. Alma-Tadema Nr 290, 1883. 
Wikipedia © Public Domain.
2. Sir Henry Thompson, L. Alma-Tadema.  The Fitzwilliam Museum, Cambridge.

Inline afbeelding 1         Inline afbeelding 3

1. Philip Cipriani H Potter. Illustration for Celebrated Musicians of All Nations by M F S Harvey (Edward Schuberth & Co, et al, c 1900). © Look and Learn / Rosenberg Collection.
2. Ignaz Paderewski (Foto G. Nitsche) *Kurilowka (Polen) 1860, studeerde piano in Warschau, in 1883 in Berlijn en in 1884 nog bij Leschetizky in Wenen en begon daarna een concertcarrière. Gold al snel als een van de beste pianisten van zijn tijd. Speelde ca. 1885 in Nederland. Trad 1890 in Londen, in 1891 in Amerika op. Was aanwezig bij de begrafenis van Alma-Tadema. Na Polen's onafhankelijkheidsverklaring werd hij jan. 1919 premier van de Poolse Republiek, begon met het Verdrag van Versailles, trad eind 1919 af, maar hij bleef Polen in het buitenland vertegenwoordigen, op conferenties en bij de Volkerenbond. Dankzij zijn diplomatieke gaven – hij was de enige afgevaardigde die geen tolk nodig had, hij sprak 7 talen vloeiend – en de achting voor zijn persoon, kon Polen moeilijke punten uitonderhandelen met de buurlanden Oekraine and Duitsland en internationaal respect winnen. Paderewski keerde naar Amerika en de muziek terug, speelde 1922 weer in Carnegie Hall. In 1929 ondernam hij nog een grote concertreis door Europa die hem ook in Nederland bracht. Overleed 1941 in New-York.
    Laurence Alma-Tadema trok zich het lot van Polen in WO I aan. Ze was van 1915 tot 1939 secretaris van het Poland and the Polish Victims Relief Fund en was langdurig medewerkster van Ignacy Jan Paderewski, die ze bewonderde als musicus en als voorvechter van de Poolse onafhankelijkheid. Laurence onderhield een langdurige correspondentie met hem van 1915 tot het eind van haar leven. Een deel van haar archief berust bij de Bodleian Library, Universiteit van Oxford.

Inline afbeelding 6     

Inline afbeelding 11

 

1. Tekening door Bernard van Vlijmen in het Algemeen Handelsblad van 14 maart 1929. Van Vlijmen was een veelzijdig kunstenaar. Een schilderij van prinses Elisabeth
te paard uit 1952 (voor haar troonsbestijging) hangt in Buckingham Palace.


2. Voorwaarts : sociaal-democratisch dagblad 16 maart 1929.

M

     image.png

1. Paderewski door Alma Tadema 1891. Het schilderij hangt in het Nationaal Museum van Warschau. © Public Domain
2. Paderewski door Princess Louise 1889.

One of the pictures most criticized at the New Gallery, on Saturday—where the crush and the heat were appalling—was the potrait of M. Paderewski by Princess Louise. It is perhaps unfortunate that this work, which does the artist much credit, is hung in a collection where it has to compete with a portrait of the same musician by Mr. Alma Tadema. Nevertheless it is a creditable piece of painting, and a most faithful portrait. It lacks the ideal which Mr. Tadema loves, and which he has thrown into his work, catching the player in a moment of inspiration, as it were, and lighting up the face with an almost divine ecstasy. But Princess Louise, if she gives the pianist in a more common-place mood, does so with much skill, and is widely congratulated on her picture.
     Cornish and Devon Post 29 apr 1892.

Paderewski poseerde voor drie schilders tegelijkertijd. Hij herinnerde zich “It was probably the most exacting and elaborate posing for a picture that has ever been done, because at first sitting I found, to my surprise, that there were three people making my portait ! Princess Louise, Sir Lawrence himself, and Lady Alma-Tadema, and all three were furiously painting me at the same time”. Hij omschreef het poseren niet als “sitting”, maar als “moving”, want de drie schilders wilden ieder dat hij in hùn richting keek, wat natuurlijk onmogelijk was. Louise, verreweg de minst ervarene, voelde zich daar niet gelukkig bij en vroeg Paderewski apart voor haar te willen poseren. Dat deed hij, drie sessies van twee uur, die hij geduldig uitzat. Naderhand liet Paderewski zich ontvallen dat hij Laura Alma-Tadema's portret erg klein vond, dat van sir Lawrence een meesterwerk, en dat van Louise “not as successful as a likeness, because, quite evidently, I was not turning enough her way”. Louise ging wschl door op de schets die ze al had i.p.v. opnieuw te beginnen. Maar dat is achteraf praten. De afwerking is niet zo minutieus als die van Tadema. Ik [TK] vind het niettemin een geslaagd portret, en, werden ze geveild, zou ik op Louise bieden, die P. rechtop heeft neergezet, als de latere staatsman – niet op Tadema, niet alleen omdat zijn beeldvulling symmetrisch en te druk is, maar ook ook omdat zijn schilderij in een extravagant grote lelijke lijst gevat is, om niet te zeggen ingebouwd. Ik vrees dat het de originele lijst is.
   Meestentijds is op ons 'twee zielen, een gedachte' van toepassing. In dit geval niet. Ik [EK] zou ter veiling op Tadema bieden en het schilderij direct een andere lijst geven, dat wel. Zie hier de hand van de meester in het krullende bijna lichtgevende haar, in de speelse das, in de dromerige blik van de pianist die in gedachten zijn volgende stuk repeteert. Dit doek leeft !

———

Beknopt OVERZICHT van drie generaties Engelse vorstelijke personen die ter sprake komen.

Queen Alexandrina Victoria (1819-1901) ✕ Febr 10th 1840 Albert of Saxe-Coburg and Gotha (1819-1861) :

1. Victoria (1840-1901)
2. Albert (Bertie) Edward (1841-1910)   →  →
3. Alice (1843-1878)
4. Alfred (1844-1900)
5. Helena (1846-1923)
6. Louise (1848-1939), Duchess of Argyll,
    leerling van Alma Tadema
7. Arthur (1850-1942)
8. Leopold (1853-1884)
9. Beatrice (1857-1944)
     
Albert = King Edward VII ✕ Alexandra of Denmark (1844-1925) :

1. Albert (1864-1892), was verloofd met Mary of Teck* (1867-1953)
2. George = King George V (1865-1936) ✕ Mary van Teck
    (May of Teck, 1867-1953)
3. Louise (1867-1931) ✕ Alexander Duff (1849-1912)
4. Victoria (1868-1935), geportretteerd door Alma Tadema
5. Maud (1869-1938) ✕ Carl of Denmark (1872-1957)
    = King Haakon VII, de eerste koning van Noorwegen
6. Alexander John (1871-1871)

*Mary van Teck verloofde zich in dec 1891 met Albert. Zes weken later overleed hij aan de gevolgen van griep (wereldwijde griep-pandemie in 1889-90). George en Mary vonden elkaar tijdens de gezamenlijke periode van rouw. In mei 1893 verloofden ze zich, waarna de bruiloft plaatsvond op 6 juli 1893. Mary werd, als echtgenote van King George V, Queen of the United Kingdom and the British Dominions and Empress (keizerin) of India.

Alexandrina became Queen Victoria 20 June 1837, on the day her uncle King George IV died. She was crowned 28 June 1838 at Westminster Abbey but reigned 20 June 1837 22 Jan 1901.
 Albert became King Edward VII on 22 Jan 1901, when his mother Queen Victoria died. He chosed to reign under the name Edward VII. He was crowned King and his wife Alexandra was crowned Queen 9 Aug 1902 at Westminster Abbey. He reigned 22 Jan 1901 6 May 1910. He and his family were related to royalty throughout Europe.
 George became King 6 May 1910, on the day his father Edward VII died. George V was crowned King and his wife Mary was crowned Queen 22 June 1911 at Westminster Abbey. He reigned 6 May 1910 20 Jan 1936. 

When Alexandrina became Queen Victoria, the political role of the crown was by no means clear; nor was the permanence of the throne itself. Nevertheless, the United Kingdom was already an established constitutional monarchy, in which the sovereign held relatively little direct political power. When Victoria died and her son Edward VII moved from Marlborough House to Buckingham Palace, the change was one of social rather than of political focus; there was no doubt about the monarchy’s continuance. That was the measure of her reign.
   In the early hours of June 20, 1837, Victoria received a call from the archbishop of Canterbury and the Lord Chamberlain and learned of the death of William IV, third son of George III. Later that morning the Privy Consul was impressed by the graceful asssurance of the new queen’s demeanour. The Coronation, one year later, June 28, 1838, did not seem to be a matter of big constitutional interest. The 1838 coronation had been an unrehearsed and somewhat lacklustre event in the Abbey, though the newly extended street procession and celebrations around the country had been a great popular succes. The succes of Victoria's Golden and Diamond Jubilees had created the expectation that Edward's coronation, in 1902 would be an expression of the nation's status as a great imperial power.
   On 24 June 1902, two days before the date set for the coronation, a telegram was dispatched around the Empire, with the news that the coronation was postponed and that the King was undergoing an operation. The King was suffering from perytiphlitis. On 26 June itself, a solemn service of intercession was held at St. Paul's Cathedral, which was attended by many of the British and foreign dignitaries who were in London for the coronation. They didn't return for the rescheduled ceremony on aug 9th. According to J.E.C. Bodley, the official historian of the event, this made the coronation "a domestic celebration of the British race united by the influence of the Imperial Crown".

———

Princess Louise (1848-1939), Duchess of Argyll, was het zesde kind van Queen Victoria (1819-1901). Zij was de favoriete zus van Prince Albert, "Bertie” → King Edward VII (1841-1910). Princess Louise was well known as sculptor and painter but her musical talents and interest were less known, apart from the fact that she was one of the patrons of the Royal College of Music. There are a few letters which she wrote to Miss Caroline Holland (1834-1909). Ms. Holland was the daughter of Sir Henry Holland (1788-1873), 'Physician Ordinary to Queen Victoria in 1852’. Apparently she had a choir which used to support Princess Louise’s charities. Princess Louise wrote on two different occasions to Ms. Holland from Kensington Palace …

"Many thanks for sending me the copy of „Joshua”. I have been looking it over, but of course doing so alone is not of much use. There are only two or three little bits which seem difficult. Your marks I do not all understand, at present, but shall when I am singing with the others, I dare say … I shall be dreadfully shy at first, that I must tell you…"

"Dear Miss Holland, I hope you will not mind my not turning up at the singing hour tomorrow. I have promised to take a lady to the House of Lords ….."
www.manuscripts.co.uk

This sounds like someone who has studied music or has a musical background.

   Music played an important role in the Royal Family. Queen Victoria and Prince Albert were themselves accomplished pianists and singers. They became friends with Mendelssohn who was on several occasions guest at Buckingham Palace to perform for them. Both Albert and Mendelssohn played the organ. Queen Victoria and Prince Albert passed their love for music on to their children who used to get piano lessons at home. Later Princess Louise got singing lessons from Sir George Henschel (1850-1934).
   Henschel writes in his memoires: "…I had destined the proceeds to the Victoria Hospital for children, of which Princess Louise, Marchioness of Lorne, whose singing teacher I had the honour of being, was the patroness[Musings and Memories p. 318]. Henschel established the Boston Symphony Orchestra in 1881 which he led for 3 years. He returned to England in 1884. Henschel had studied and performed with Brahms which experience helped him to master the art of singing the art songs of Germany, the Lieder. He became famous as a teacher of the 'German Lied', but he also taught and coached the repertoire of Mozart, Handel, and other great composers of earlier periods. Henschel had a lucrative private studio in London. He had given singing voice and coaching lessons to for example 1920-22 Roland Hayes, an American tenor (1887-1977) who performed at Buckingham Palace for George V and Queen Mary. Princess Louise was a good friend of the Henschels.
„The concert in the afternoon, consisting of Mendelssohn’s Walpurgis-Night and the Ninth Symphony, went off beautifully, and we hurried home as quickly as possible to receive Princess Louise who had most graciously announced herself for tea, to say good-bye to us. The afternoon was marked by an amusing little episode. Before leaving us the Princess had taken our small daughter Helen into her arms, kissing her and making her promise to write her a letter from America. ….[Musings and Memories p. 334].
The National Library of Scotland holds copies of 17 letters from Princess Louise to Henschel written in the period 1889-1934. Unfortunately they are photostats and the originals are with an unknown institution.
    As a composer Henschel was greatly influenced by Brahms and Wagner. His works include operas, songs, choral works and instrumental music. He composed a piece of choral music for soprano, tenor, bass and mixed chorus SSATB, dedicated to Princess Louise : Aus der Tiefe (Out of darkness, Psalm 130) op. 30, 1879, edited with Novello (London) and Ditson (New York, Philadelphia, Boston).

Bij de kroning van Edward in 1902 hielp Alma Tadema met het ontwerpen van de versieringen in Buckingham Palace. Hij was ook bij de ceremonie zelf aanwezig, want hij behoorde toen al tot Albert's inner circle of friends.  Tadema maakte een ‘informeel’ portret van King Edward's 28-jarige dochter Princess Victoria. Ze is geboren op 6 juli, het portret is van 23 juni, op een paar dagen na was ze 29 jaar. Het portret draagt geen opusnummer, want het was een persoonlijk cadeau, niet voor de handel bestemd. Victoria had het portret oorspronkelijk in haar 'autograph book' opgenomen. Het portret wordt bewaard in de Royal Collection Trust in Windsor. De royals kwamen ook bij Alma Tadema thuis, de bezoeken waren wederzijds :

           image.png         Morning Post 4 April 1889

Queen Victoria (1819-1901) made it a tradition that the eldest unmarried daughter would become her unofficial secretary, a position which Louise filled in 1866, despite the queen's concern that she was indiscrete. Dit betrof Louise, de Duchess of Argyll, zij is ten slotte getrouwd. Haar nichtje Victoria (1868-1935), die ongetrouwd bleef, onderging hetzelfde lot. Het lijkt erop dat Queen Alexandra (1844-1925) haar drie dochters zo lang mogelijk bij zich wilde houden. Maud en Louise 'ontsnapten', ze gingen een huwelijk aan. Maar Victoria werd ‘metgezellin en vertrouwelinge’ (companion and confidante) van haar moeder. Ze hechtte zeer aan de familiebanden, was zorgzaam voor haar zusjes en ook voor haar broer, de toekomstige King George V (3 jun 1865 - 20 jan 1936). Hij stierf een maand na het overlijden van Victoria.
    Deze Victoria *1868 is degene die een telegram stuurde (evenals haar moeder, Queen Alexandra) aan de dochters van Tadema toen hij overleed. Tadema tekende dit portret van haar (19.8 x 13.3 cm) :

  

With respectful regards to Her Royal Highness Princess Victoria of Wales / L. Alma Tadema / 23 June 1897.

——————————————  Royal Collection Trust / © Her Majesty Queen Elizabeth II 2019
—————————————————————Zie hier.
Ook te zien in Delia Miller, The Victorian Watercolours and Drawings in the Collection of Her Majesty The Queen, Vol. 2.


Princess Victoria (*6 juli 1868), ook 'Toria’ genoemd, was het vierde kind en de tweede dochter van Edward VII en Alexandra. Ze is ongehuwd gebleven en heeft geen kinderen gehad. Hoewel ze een aantal bewonderaars had, hebben haar ouders haar ontmoedigd om met een van hen te trouwen. Haar ouders, vooral haar moeder, hadden haar nodig. Toen haar vader King Edward VII in 1910 stierf, bleef 'Toria' bij haar moeder wonen totdat deze in 1925 kwam te overlijden. Na het overlijden van haar moeder verhuisde ze naar Coppins, Iver, Buckinghamshire en is daar 3 dec 1935 gestorven. Ze tekende of schilderde niet, haar liefhebberijen waren fotograferen, zingen en tuinieren.

“Meine liebste Tante war Louise Herzogin von Argyll. Sie war so lieb zu uns Kindern und freute sich immer, wenn sie etwas mit uns unternehmen konnte. Eine besondere Freude war es für mich, wenn ich am Morgen beim Anziehen meiner vergötterten schönen Tante dabei sein konnte. Was haben wir da nicht alles zusammengeschwätzt. Sie ist mir immer die gleiche geblieben, und jetzt, wo sie beinahe 90 ist, kann sie es mit jeder schönen Frau noch aufnehmen. Dabei ist sie eine wirkliche Künstlerin im Malen und Bildhauern. In St. Pauls hängt von ihr ein schöner großer Christus am Kreuze, von einem Engel gestützt, welches man für die Gefallenen im Burenkrieg aufgerichtet hat.
   Eine Geschichte muß ich von ihr erzählen. Es war zur Zeit des Diamant-jubiläums meiner Großmutter (1897), als eines Tages der berühmte Maler Alma Tadema, ihr Freund, zu ihr in Kensington Palace kam und sie fragte, ob sie für die Statue der Königin, welche der Stadtteil Kensington (in dem sie bis zur Krönung gelebt hatte) errichten wolle, einen Entwurf gemacht hätte. Sie sagte nein, schon als Tochter fände sie das falsch, und übrigens wäre die Eröffnung der Briefumschläge in zwei Tagen. Alma Tadema sagte, sie könne es und müsse es machen, wenn es auch ein kleines Modell würde. So ging der Streit hin und her, bis er zuletzt sagte, er würde nicht aus ihrer Wohnung gehen, bis sie ja gesagt hätte. Zuletzt gab sie nach. Nun ging sie fieberhaft an die Arbeit. Sie wollte Großmama nicht im Alter darstellen, sondern wie sie noch ganz jung bei der Krönung war. Man hatte ihr in Kensington Palace die Nachricht von ihrer Thronbesteigung gebracht, und sie war damals von dort aus zur Krönung fortgezogen. Eine halbe Stunde vor dem die Jury zusammentrat, ward die Tonskizze abgegeben. Man wußte nicht von wem. Aber einstimmig ist der Entwurf gewählt worden. So steht das Denkmal nun im Park von Kensington Palace, an dem alle vorbeigehen. Diese Geschichte hat sie mir selbst erzählt. Noch viele andere Kunstwerke sind von ihrer Hand."

    ERINNERTES. Aufzeichnungen des letzten Großherzogs Ernst Ludwig von Hessen und bei Rhein (1983).
Hesse und bei Rhein (Hesse and by Rhine) is het woordgebruik in deze titel. Gewoonlijk schrijft men Hessen und Rheinland, Rheinhessen, Assia e Renania.

In 1868 mocht Pr. Louise naar de National Art Training-School, South Kensington, tegenwoordig The Royal College of Art. Zij was de eerste prinses die naar een openbare onderwijsinstelling ging.

                         image.png
“The fog fell away, presenting a very beuatiful and effective representation of Her Majesty as she was when she first ascended the throne -- seated, crowned, and bearing the sceptre.”
THE QUEEN AT THE UNVEILING OF H.R.H. PRINCESS LOUISES STATUE OF HER MAJESTY IN KENSINGTON GARDENS, ERECTED AS A JUBILEE MEMORIAL BY THE INHABITANTS OF KENSINGTON.

     The Graphic July 8 1893.

Who's who in de koninklijke karos ? De dame onder de donkere paraplu (het regende die dag) is Queen Victoria. Ze werd vergezeld door Princess Henry of Battenberg en Princess of Leiningen. Louise staat naast de koets en lijkt de reactie van Queen Victoria te peilen. Terwijl de gesloten koets – it was raining cats and dogs – bij het standbeeld arriveerde, ging de muziek van "God save the Queen" over in "Home, sweet home", een verwijzing naar Kensington Palace waar Victoria haar jeugd doorbracht. Princess Louise, haar moeder bij het kunstwerk opwachtend, liep naar het koninklijke rijtuig en sprak een paar minuten door het raampje met Victoria. Opeens klaarde de lucht even op en kon de kap van de koets omlaag, er ging luid gejuich op in het publiek. The Queen sprak : "I thank you sincerely for your kind wish to commemorate my jubilee by the erection of a statue of myself on the spot where I was born and lived till my accession. It gives me great pleasure to be here on this occasion in my dear old home, and to witness the unveiling of this fine statue, so admirably designed and executed by my daughter." Waarop Louise een zijden koord, verbonden met de Union Jack die het beeld bedekte, aan haar moeder overhandigde. Deze gaf het koord aan de Prince of Wales, die plechtig het kunstwerk onthulde.

image.png
THE PRINCE OF WALES UNVEILING THE STATUE OF THE QUEEN IN KENSINGTON GARDENS, JUNE 28.
      The Illustrated London News July 8 1893.

      

Alma Tadema was zoals bekend behalve schilder en beeldhouwer ook binnen- en buitenhuisarchitect. Hij werkte vaak in Pompeïsche of Egyptische stijl. Nog in 1909 ontwierp hij twee halfronde marmeren tuinbanken voor koningin Alexandra, voor de Walled Garden bij Sandringham House, een flinke 60 km NNO boven Cambridge, 4 km van de baai The Wash, National Nature Reserve. Het werd in 1862 gekocht door koningin Victoria voor haar zoon, de Prince of Wales (de latere King Edward VII). In dit huis ontvingen hij en Princess (later Queen) Alexandra familie, belangrijke gasten en vrienden waaronder Tadema, die deel uit maakte van hun vriendenkring. Na WO II werd op dit landgoed begonnen met het fokken van witte herten. Witte omdat die voor de jagers op afstand beter te zien zijn. Tegenwoordig is het huis privébezit van koningin Elizabeth II.
  Foto LL © Courtesy Sandringham Estate.

———————

Letter from Lawrence Alma-Tadema to George Henschel. Written from 34 Grove End Road, St John's Wood, N.W., dated 17 December 1911.
Alma-Tadema is sorry to have missed Henschel's visit. Referring to his illness, he writes: 'I am more than ever convinced that the whole of it is nerves and I am sure I am heartily sick of it'. He is glad to be allowed the occasional cigar and adds that Anna has sung to him to cheer him up. He mentions a visit from Mr and Mrs Paderewski, who brought grapes and greetings from his daughter Laurence, who has left for Warshaw.

Inline afbeelding 4   
Laurence Tadema ca 1907.  Wikipedia © Public Domain.   — — —   Joseph Joachim.   Wikipedia © Public Domain.

De violist Joseph Joachim (1831-1907) was van Hongaarse afkomst, een wonderkind. Op 27 mei 1844 speelde hij, twaalf jaar oud, Beethovens vioolconcert in Londen onder leiding van Mendelssohn, die hem onder zijn hoede had genomen. Hij werd bevriend met Brahms, de Schumanns en Bruch, wier vioolmuziek hij bij het Engelse publiek introduceerde. Op Goede Vrijdag 10 April 1868 was hij in Bremen concertmeester bij Brahms' uitvoering van zijn nog niet voltooide Deutsches Requiem, terwijl zijn echtgenote Amalie Weiß uit Händels Messiah I know that my Redeemer livethIch weiß, daß mein Erlöser lebet – zong op de lege plek in de partituur die Brahms kort daarna met de aria Ich will euch trösten zou opvullen. Joachim en Weiß gaven enkele toegiften. Vanaf 1862 kwam hij jaarlijks naar Londen. Volgens de census van 1871 en 1881 logeerde hij bij zijn broer Henry Joachim in Kensington, in de 90er jaren op 23 Grove End Road, vlakbij Tadema. in 1888 verbleef hij in Oxford. Maakte tournees door Engeland. In 1900 woonde Eugenie Joachim, een dochter van Josephs broer Friedrich, op 23 Grove End Road.
    Eenmaal volwassen had Joachim zich evangelisch laten dopen, maar ervoer als vele anderen dat hij in bepaalde kringen als jood beschouwd en behandeld werd. In zijn Berlijnse tijd, na 1866, moest hij in toenemende mate antisemitische aanvallen verduren van de Wagnerianen, onder wie de dirigent Hans von Bülow en de hofpredikant Adolf Stöcker. Maar het Pruisische hof bleef achter hem staan. Na 1862 kwam Joachim regelmatig in Londen. Brahms schreef zijn vioolconcert voor hem. Hij gaf de Engelse première ervan in London’s Crystal Palace op 22 febr. 1879. De Duitser August Manns, die zich in 1894 liet naturaliseren, dirigeerde.

Sir George Isidor Henschel (18 febr 1850, Breslau - 10 sept 1934 Schotland) was een Duits-Britse zanger (bariton), pianist, componist en dirigent. Eerste samenwerking met Brahms was op 23 maart 1875 voor de Gesellschaft der Musikfreunde Wien in Bachs MP o.l.v. Brahms. Henschel zong de Christuspartij. In hetzelfde jaar zong hij Odysseus van Bruch. Hoewel Henschel zichzelf uitstekend kon begeleiden, heeft Brahms omwille van het genoegen samen te musiceren verschillende keren het accompagnement voor zijn rekening genomen.

    
      1. Morning Post, London, 4 juni 1897 / © The British Library Board.
Adela Verne, hier 20 jaar, was een fabelachtige pianiste die de hele wereld afgereisd heeft. Behalve een tournee door Australië met Nellie Melba introduceerde ze 'gewoon' ook Brahms' 2e pianoconcert bij de Proms en speelde met haar zoon John Vallier Mozarts dubbelconcert op de Britse TV. Ze had een speciale band met Paderewski bij wie ze zich als lid van de familie 'thuis' kon voelen.
      2. Portret van George Henschel door Lawrence Alma-Tadema. Op dit portret uit 1879 begeleidt de bariton Henschel zichzelf op Tadema's vleugel. Onwillekeurig denk je aan Messchaert, die voor het zoontje van Meyroos kinderliedjes zong en zich daarbij begeleidde op altviool.  https://www.wikiart.org © Public Domain.
George Henschel Esq. at the piano 1879. Oil on panel, 49 × 35.1 cm. Signed and inscribed at upper left: L. Alma Tadema Op. CCII. S 426 M/1991.

   When Lawrence Alma-Tadema painted this portrait of George Henschel in 1879 they had been close friends for two years, having met at a dinner party in Kensington. As a conductor George, later Sir George, Henschel (1850-1934) had led several orchestras, but he made his name as a baritone. He retained his singing voice until a ripe old age and there are still recordings from 1914 and 1928 of his interpretation of Lieder by Schubert and Schumann. Henschel also sat for John Singer Sargent ten years after Alma-Tadema's portrait (London, Royal Academy).
    Henschel performed regularly at Alma-Tadema's home. This portrait was painted in Townshend House, but planned during a reception at Max Schlesinger's, the London representative of the Kölner Zeitung. Here, Henschel had sung ‘Mainacht’ by Brahms, accompanying himself at the piano. The room depicted is Alma-Tadema's Gold Room, with its wainscoting in Byzantine style and floor inlaid with ebony and maple wood. The background of the portrait is formed by a curtain of Chinese silk. Beside it, the lower section of a window is visible with panes of Mexican onyx into which Alma-Tadema's name and initials have been inscribed. The piano was designed by the architect George Fox and made by John Broadwood & Sons; the sofa, of which Alma-Tadema has portrayed a section of the backrest, was designed to match it.
   Provenance : Gift from Alma-Tadema to George Henschel, London (1879); inherited by his daughter Helen Henschel; Georgina Henschel, Kingussie, Inverness-shire, Scotland; (London (Christie's), 25 October 1991, lot 32; purchased by the Van Gogh Museum (1991).

          Van Gogh Museum Journal 1995, dbnl.

Tadema was terughoudend in het aannemen van portretopdrachten. Maar Henschel in zijn element, zingend aan de vleugel, zal hij graag geschilderd hebben.
  It always astonishes me,” he once remarked to a friend, “that our modern public, with its love for the natural, should still be devoted to the old principle of portraiture. A head and some clothes, sometimes one or two hands, and the rest some black or brown. In fact, a portrait depicting a person under conditions they are never seen in. I, for one, never see my friends, never see anybody, without seeing at the same time more or less of the place in which I meet them ; of course, to paint the surroundings and study them and work the whole into a picture, involves a great deal more trouble than to rub the canvas full of a certain nondescript colour.   P. Cross Standing p, 122.

Het Requiem van Georg Henschel is indertijd dikwijls uitgevoerd, o.m.met de solisten Messchaert en Helen Henschel. Veel lovende kritieken.

Aldus Didier. Maar Mesdag had geen dochter. — “My father's first appearance in England was at a Monday "Pop" in St. James' Hall on Febr 19th, 1879, the day after his twenty-ninth birthday. [...] My father made the Tademas’ acquintance two days after his first arrival in London; on Febr 19th, 1877. “On my first Sunday”, he writes, “I had the great pleasure of meeting at a dinner-party in Kensington the famous Alma Tadema”.    Helen Henschel, When soft voices die. A musical Biography (1944), pp 14, 99.

    Inline afbeelding 2

1. Michel Didier, Melody on a Mediterranean Terrace: Alma-Tadema's Musical Life and Paintings. RIdIM/RCMI Newsletter XXI/ Vol.1, Spring 1996.2. Henschel componeerde ook. Een voorbeeld. De Morgenhymne op. 46.4 is “Frau Laura Alma Tadema in herzlicher Freundschaft zugeeignet”.    Berlin: N. Simrock, n.d.[1891]. Plate 9467 © Public Domain.

Inline afbeelding 1

    

Nevenstaand bericht betreft het eerste concert dat Georg Henschel in Engeland gaf. Twee dagen hieraan voorafgaand had de eerste ontmoeting tussen Tadema en Henschel plaatsgevonden.

London Daily News Wednesday 21 Feb 1877
www.newspaperarchive.com.


Inline afbeelding 1

Het nieuws van den dag : kleine courant, 26 maart 1903.

 
Henschels dochter Helen zong de altsolo. De contralto Helen Henschel (1882-1963) heeft ooit in Zürich een liederavond gegeven met Joh. Brahms als begeleider. Haar stem is vastgelegd op een paar opnamen van Odeon. Mahler over haar in 1904: "Een klein dik wijfje, maar ze zingt schitterend."
   Helen schreef een biografie over haar vader,  When Soft Voices Die – A Musical Biography. London, Methuen, 1949. Georg was een goede vriend van Brahms, die hij 1874 in Keulen ontmoette. De vriendschap duurde tot Brahms' dood. Hun laatste ontmoeting vond plaats in jan 1896 in een restaurant in Leipzig, met de tafelgenoten Edvard Grieg en Arthur Nikisch.
   Henschel was ook een vooraanstaand dirigent, wiens werkterrein zich tot in het UK en de US uitstrekte. Hij werd in 1881 de eerste dirigent van het Boston Symphony Orchestra. Er bestaan platen van hem waarop hij zichzelf als bariton op de piano begeleidt.
   Hoewel bekend als George, bleef hij, geboren te Breslau, voor zijn vrienden Georg.

Inline afbeelding 3
Het Amsterdamsch a capellakoor van Daniel de Lange in 1892. Messchaert staat ter linkerzijde van De Lange.   Westfries Archief, Hoorn. Johan Messchaert. Nummer toegang 1509, inventarisnummer FIV 8-27. Amsterdamsche Courant 19 dec 1892.

Inline afbeelding 1        Inline afbeelding 2
      Algemeen Handelsblad 10 mei 1894                                    Algemeen Handelsblad 11 mei 1894

1885 Daniel de Lange en zijn koor in de Royal Albert Hall :

Oud-Nederlandsche Muziek in Londen.

Onze Londensche berichtgever schrijft ons van Dinsdagmiddag :
-- De Heer Daniel de Lange, vergezeld van zijne echtgenoote, de Heer en Mevrouw Samuel de Lange, uit Keulen, de dames Gips, Esser, Veltman en Van Rennes, en de hh. Messchaert, Rogmans en Sendries kwamen hier hedenmorgen te acht uur te Victoria Station aan. De Heer Samuel de Lange, die de orgelpartijen spelen zal, was direct van Keulen gereisd, sloot zich alzoo bij de overige leden van het gezelschap te Vlissingen aan. De Heer Jebak komt eerst morgen (Woensdag)ochtend.
   De repetitie was belangwekkend in vele opzichten. Van Albert Hall, dat reuzengebouw met zijn 15000 zitplaatsen, had men zooveel gehoord, dat 't geen wonder was, dat degenen, die daar nooit gezongen hadden, sidderden en beefden hoe daar wel hunne stemmen zouden klinken, of men hen bijv. wel verder dan de 100e 0f 200e of 500e rij zou kunnen hooren.
   Het was mij aangenaam de heeren en dames te kunnen verzekeren – wat de directeur van Albert Hall nader bevestigde – dat de grootte van het gebouw met de voortplanting van het geluid niets te maken heeft – dat men natuurlijk moet zingen, zich vooral niet forceeren. Inderdaad is het groote abuis van de nieuwelingen in Albert Hall, dat zij denken te moeten schreeuwen.
   Deze oogenschijnlijk onbeduidende opmerkingen werden echter ter harte genomen en hadden het gewenschte gevolg. Nadat zij ten tweeden male den 122n psalm van Sweelinck zongen, zeide de onder-directeur van Albert Hall mij : «Bravo ; inderdaad schoon ; dat zal effect maken ; de vier stemmen klinken als éen accoord. Eere aan den Heer De Lange!» een compliment, dat hij den Heer De Lange persoonlijk herhaalde.
   Wij hopen dus, dat het op het tamelijk moeielijk te peilen en koude Engelsche publiek denzelfden gunstigen indruk zal maken.
   Ten slotte zal het u ongetwijfeld aangenaam zijn te vernemen, dat het Tentoonstellingscomité den Heer De Lange en gezelschap a. s. Donderdagmiddag een diner zal aanbieden.

     Het nieuws van den dag : kleine courant 16 juli 1885

In 1892 gaf het gezelschap enkele concerten in Wenen ter gelegenheid van de muziektentoonstelling aldaar. Aanvankelijk was het het koor niet compleet door ziekte en anderszins. Genoemd werden niettemin “het schoone geluid van Nanny de Roever, al bijzonder geschikt voor den stijl dezer gewijde muziek, dat van Gerda Reinders, het heldere metaal van Rogmans, de eenig schoone stem van Messchaert !”
      Het nieuws van den dag : kleine courant 13 juni 1892

In 1894 werd de concertweek in Londen besloten met een onthaal bij Alma Tadema :

Inline afbeelding 6
Inline afbeelding 7
Inline afbeelding 3
Inline afbeelding 5

    

Inline afbeelding 8
Inline afbeelding 9

     Algemeen Handelsblad 18 mei 1894

Inline afbeelding 11

     De Tijd 4 juni 1894

Inline afbeelding 1

     Haagsche courant 30 mei 1894


          

 


MELBOURNE


INTERNATIONAL


EXHIBITION


1 8 8 0

        Part of: The Pamphlet Collection of Sir Robert Stout, Victoria University of Wellington Library, Wellington.
        Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 New Zealand Licence.

From time to time special invitations were issued for the Tuesday evening receptions, and then, in that uniquely beautiful studio, the most celebrated musicians of the day, players and singers, happening to be in town, could be heard, giving of their best to a rare assembly of men and women prominent in all branches of science, literature, and the arts. On some particular occasions, like the birthdays of members of the family, the entertainment would perhaps be of a more frivolous, though hardly less appreciated kind, performances, for instance, of prestidigitators or dancers, or else consist of dramatic presentations among which with particular pleasure I recall that of a charming play, One Way of Love, by Tadema's elder daughter Laurence, who herself took a part in its performance. Those were unforgettable evenings. Enjoyment was written on the faces of all present, not the least so on those of host and hostess, than whom none more genial and generous could be imagined.
   Being himself of a happy, joyous nature, Tadema loved to see himself surrounded by happy people. On the other hand, being him-self very strong, mentally and physically, he had perhaps less sympathy with the weak than his innate sense of justice and his kindness of heart would otherwise have kindled in him. That sense of justice he once afforded me an opportunity of admiring, which I think will be deemed worth recording as an illustration of his character.

Sir George Henschel, Musings and Memories of a Musician, 1919.

Twee dingen vallen op in dit boekje : dat Brahms het landleven boven het stadsleven prefereerde, en dat zijn gevoel voor humor en practical jokes niet gering was. Henschel - Personal recollections of Johannes Brahms.

Zie hier composities van Henschel 
Beluister via onderstaande link opnames van de 63- en 78-jarige Henschel, die Brahms gekend en overleefd heeft. Hij draagt pianospelend en zingend o.m. Die beiden Grenadiere voor in een nu totaal vergeten stijl. Vgl Paderewski in Chopins wals in c#.
Henschel zingt liederen van Schubert en Schumann

Inline afbeelding 1     

21 aug 1909. Sir Lawrence and the Misses Alma-Tadema send heartfelt thanks for kind expressions of sympathy.
“It was so sweet of you my dear Henschel to come and help us bear up by your presence. We saw this morning the stones in place and the whole of it covered with the flowers it looked to us as if it was a smile of the parents to say that they would take care of her. I sincerely hope you had a nice journey back & found the wife much better. Give her please our best wishes & don't forget that we will always be your very grateful and devoted friends LAlmaTadema and girls.”

Sir Lawrence Alma-Tadema / Letters to Sir George Henschel, G. Boughton and A. T. Hipkins / University of Birmingham Special Collections / Cadbury Research Library.

Na het overlijden van Brahms in 1897 kwamen niet alleen Duitsland / Oostenrijk maar ook artistiek Engeland op de been om bijdragen voor een Denkmal in Wenen in te zamelen. We zijn weer terug bij Lawrence Alma Tadema.

 

De meeste van de hier genoemde namen spreken voor zichzelf. -- Voor het op te richten Brahmsmonument werd overal in Europa aandacht gevraagd. Op 3 april 1898 stuurde het Johannes Brahms Denkmal Komitee in Wenen – Joachim was de voorzitter – een Aufruf de wereld in om bij te dragen tot de oprichting van het Denkmal. Op 7 mei 1908 kon het imposante monument van Rudolf Weyr op de Karlsplatz onthuld worden.

The Times 4 July 1898 / www.newspaperarchive.com

Barones Wolf-Stomersee was enige dagen in Wenen en nam de gelegenheid waar om een krans op het graf van Johannes Brahms, die zij hoog vereerde. Voorts heeft de beroemde zangeres toegezegd begin maart volgend jaar een Brahms-avond te geven, waarvan de recette bestemd is als bijdrage voor een op te richten Brahms-monument of een stichting met vergelijkbaar doel. Een fijnzinnig gebaar. Neues Wiener Journal 5. Dezember 1897.

Datei:Wien - Johannes-Brahms-Denkmal, Karlsplatz.JPG
Evenals Brahms uit wit marmer gebeiteld heeft zijn muze Euterpe (Clara Schumann) een plaats op het Denkmal gekregen.           Foto © Bwag Creative Commons.

Meiningen

Het eerste monument voor Brahms werd opgericht in Meiningen. Hoe kan het ook anders, gezien zijn betrekkingen met hertog Georg II, diens echtgenote Helene, het hoforkest en zijn leider Hans von Bülow. De laatste 15 jaar van zijn leven was Brahms innig met Meiningen verbonden. Hij dirigeerde er bijvoorbeeld op 25 oct 1885 de première van zijn vierde symphonie. De bijzonder sfeervolle Denkmalanlage aldaar, gelegen in de Englischer Garten (door hertog Georg I in 1782 aangelegd) werd in 1899 gebouwd. Een Brahms-waardig monument ; geen pronkzuchtige toestanden en mystieke symbolen, maar een rustplaats onder de bomen waar het na een wandeling goed toeven was, drinkfonteinen inbegrepen. Op 7 oct 1899 hield de beroemde violist Joseph Joachim zijn toespraak "zur Weihe des Brahms-Denkmals in Meiningen."

https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/a/a4/Brahms5.JPG
     Wikipedia © Creative Commons.

       image.png
Foto : Bloody. —————————————       Meininger Museen

1) Het Meiningen-monument is een schepping van de beeldhouwer Adolf von Hildebrand (1847-1921).
2) Hertog Georg II en hertogin Helene, Freifrau / Freiin von Heldburg (vóór haar huwelijk Ellen Franz).

Opvallend, althans op een monument, is de schrijfwijze
                    
Die wordt gewoonlijk alleen gebruikt bij snel schrijven (brief, kopij) en in drukwerk, uit gewoonte, of om ruimte te winnen, en dan voornamelijk in de minuskels ('kleine letters'), niet in de majuskels. Het is een soort steno. Onderstaand voorbeeld is genomen uit de eerste versie van Bachs Johannespassion, waar bovenaan de eerste met noten beschreven pagina in de nog beschikbare strook boven het openingskoor onder andere

geschreven is. Na Passio ziet men staan   Op vier letters staat een streepje, de u, u, n en e. Die bewekstelligen dat secundum Ioannem gelezen moet worden. Viermaal moet een letter aangevuld worden, eenmaal betreft het een verdubbeling : n wordt nn. Nog twee voorbeelden uit de Matthäuspassion.

O Lamm Gottes unschuldig / am Stamm des Creutzes geschlachtet, / allzeit erfunden geduldig.
Staat verkeerd gedrukt in de NBA. Lettergreepverdeling NB 'erfunden g’duldig'.

Sind Blitze sind Donner in Wolcken ver- | etc.

——————— ——————— ——————— ——————— ———————

Conflictueuze situaties

Bij Brahms' onhandige, soms botte manœuvres
waren o.a. Bülow en Wüllner direct betrokken. Anderen bracht hij indirect in verlegenheid.
Uit kranten, tijdschriften, mémoires en (dag)boeken.

image.png     image.png

        Drie aankondigingen voor Amsterdam in Het nieuws van de dag : kleine courant 9 nov 1885 ; één voor Utrecht.

In de geschiedschrijving van de muziekcultuur in Nederland is de concertreis van de Meiningers een mijlpaal van vernieuwing genoemd. Na deze uitvoeringen, aldus de musicoloog Eduard Reeser, kon de gebrekkigheid van het gemiddelde orkestspel in eigen land niemand meer verborgen blijven. “Men ging ook de Nederlandse dirigenten, die in chauvinistische kortzichtigheid zo lang als coryfeeën waren beschouwd, met andere ogen bezien; onbillijk was het daarbij dat zij door velen aansprakelijk werden gesteld voor misstanden die veeleer op sociaal en organisatorisch terrein lagen en waarvan zij in de eerste plaats het slachtoffer waren.”

—————

Ellen Franz, de hertogin van Meiningen, was actrice en pianiste, ze kreeg pianoles van Bülow. Samen met haar echtgenoot Georg en de regisseur Ludwig Chronegk voerde Helene in Meiningen een ingrijpende theaterhervorming door, die het Meininger Hoftheater (eerste voorstelling in 1776) deed opbloeien de Hofkapelle (in 1690 tegelijk met het hertogdom Sachsen-Meiningen opgericht) tot een toporkest maakte. Meiningen werd een belangrijk kunstcentrum. Helene leerde via Bülow (een oud-leerling van o.a. Friedrich Wieck, Schumanns schoonvader) Cosima de Flavigny kennen, een onwettige dochter van Franz Liszt. De dames onderhielden een levenslange vriendschap. Cosima was in 1857 met de begaafdste leerling van haar vader, Hans von Bülow, getrouwd, maar het huwelijk met deze hoogbegaafde, neurotische man was tot mislukken gedoemd (Liszt heeft het nog een jaar tegen kunnen houden). Hij behandelde haar slecht, en Cosima zocht haar geluk bij Richard Wagner. Op 10 april 1865 werd Isolde, het eerste kind van Richard en Cosima, geboren. Op 10 juni 1865 leidde Bülow in München de eerste uitvoering van Tristan und Isolde. Cosima verliet Bülow definitief in 1868 en trad in 1869 in het huwelijk met Wagner.

Franz Liszt veranstaltete 1867 in Meiningen zusammen mit der Hofkapelle das Fest des „Allgemeinen deutschen Musikvereins“, bei dem neue Werke von Liszt, Bülow, Damrosch, Lassen, Draeseke und Volkmann zur Aufführung kamen. 1876 stellte die Meininger Hofkapelle auf Wunsch von Richard Wagner das Hauptkontingent des Festspielorchesters bei den ersten Bayreuther Festspielen. Die Meininger Musiker wirkten daraufhin mehrere Jahre bei den Festspielen mit.
   Von 1887-1893 war Bülow Chefdirigent des Berliner Philharmonischen Orchesters, wo er den Typus des modernen Orchesterdirigenten maßgeblich prägte. Er erwarb sich besondere Verdienste als Interpret von Beethoven, Wagner, Liszt, Berlioz und Brahms (dessen enger Freund und Anhänger er wurde) und war Lehrer des Dirigenten Bruno Walter. Er nahm in diesen Jahren Abschied vor allem von Richard Wagner, seinem ursprünglichen Idol, Abschied von der Wagnerschen Kunst- und Musikauffassung, und wendete sich immer stärker Beethoven und Brahms zu. 1887 heiratete er die österreichische Schauspielerin Marie Schanzer (1857-1941), die nach seinem Tod Briefe und Schriften herausgab. Auf die Frage, warum er nie in Bayreuth dirigiert habe, antwortete er: „Ich hatte Angst, dass Wagner mir die zweite Frau auch noch wegnimmt – und die erste zurück gibt.“

        Zie hier.

Bülow (1830-1894), de chef van de hofkapel, was een reproductief hoogbegaafde maar psychisch en fysisch een ziekelijke man. Toch kon Brahms op een enkele breuk na wel met Bülow opschieten. Diens buitengewone begaafdheid (zie o.a. het Caecilia-artikel van 1 december 1885 hier helemaal te lezen) moet Brahms dusdanig aangesproken hebben dat zijn houding t.o.v. Bülow vriendschappelijk en beschermend was. Maar na de breuk in nov 1885, door Brahms' onhandig en niet bepaald correct gedrag veroorzaakt, is na een jaar het contact hersteld, zie de correspondentie tussen beiden.

Dr. Hans von Bülow als orkestdirecteur en de Meiningsche Hofkapel.
   De buitengewone begaafdheden van Dr. Hans von Bülow als pianist zijn door de geheele wereld bekend en terecht wordt hem als zoodanig een eerste plaats aangewezen. Men bewondert niet alleen zijne virtuositeit, maar bovenal zijne opvatting en phraseering.
   Als orkestdirecteur kende men hem minder totdat hij, voor een tiental jaren, in zijne betrekking als hofintendant van den hertog van Meiningen langzamerhand ook als zoodanig van zich deed spreken en thans de bewijzen geleverd heeft, dat hij met recht de eerste en beste der thans levende orkestleiders genoemd wordt ; met dezelfde virtuositeit waarmede hij vroeger de piano beheerschte, is hij thans ook meester over zijn orkest.    Alle eigenschappen, die men in een voortreffelijk orkestdirecteur zou kunnen zoeken, vindt men in dezen buitengewoon begaafden man verenigd : hij dirigeert alles uit het geheugen, geeft de tempo's met beslistheid aan evenals het intreden der verschillende instrumenten of de plotselinge afwisseling van nuance ; hij laat de hoofdmotieven van elk stuk boven de andere uitkomen, of liever hij laat de begeleidende partijen steeds ondergeschikt zijn ; hij is cosmopoliet inzooverre hij de meesterwerken zoowel der duitsche als der fransche school laat uitvoeren ; hij stelt zijn orkest en het publiek in de gelegenheid onbekende of de nieuwste meesterwerken uit den jongste tijd te leeren kennen ; hij voert alle verbeteringen bij zijn orkest in, die tegenwoordig op het gebied van den instrumentenbouw worden uitgevonden en ... hij is onvermoeid in het repeteeren der uit te voeren werken, zoodat hij daarmede niet voor het publiek verschijnt tenzij ieder lid van het orkest zijne partij geheel in zijne macht heeft. [...]
     Caecilia 1 dec 1885

By January 1884, von Buelow was well enough to take the orchestra on tour again, and on February 3 at Meinin